100_0804.jpgIMG_1337.JPGIMG_0179.jpgIMG_1178.JPGIMG_1428.JPGIMG_1414.jpg

Autobiografie van een Indische jongen


volledig scherm?.... > klik hier!



Geschiedenis en herkomst van de naam dias.

Bartolomeus Dias was een Portugese ontdekkingsreiziger uit de 15de eeuw. In 1487 vertrok hij in opdracht van de Portugese Koning met een 3-tal schepen vanuit Lissabon richting Azië. Op deze reis had zijn broer Pero Dias het bevel over het bevoorradingschip. Deze expeditie zeilde in Zuidelijke richting. Op 29 graden Zuiderbreedte verloor Dias het zicht op de kust en werd voortbewogen door een hevige storm die twee weken aanhield. De expeditie werd door deze storm rondom de Zuidelijke punt van Afrika in de Indische Oceaan geblazen. Zodra het weer opklaarde zeilde de expeditie in Oostelijke richting. Er was gedurende deze tocht geen land te zien. Dias besloot daarom weer een Noordelijke koers aan te houden en kwam, na een deel de kust weer gevolgd te hebben bij de “Grote vis rivier” . Deze rivier noemde hij “Rio Infante”. Op zijn terugreis naar Lissabon, welke reis ruim 16 maanden duurde passeerde Dias en zijn bemanning wederom de “Kaap”. Deze Kaap noemde Bartolomeus Dias “Cabo Tomentoso” ofwel kaap van de stormen. Later werd dit punt door Nederlanders “Kaap de Goede Hoop” genoemd. Dias ontdekte tijdens deze expeditie 2028 kilometer nog onbekend land en zee. Dias opende hiermee een zeeroute naar het verre Oosten, hetgeen tevens volgens Europese handelslieden minstens een belangrijke bijdrage

vormde tot de rijkdommen en successen van Europa.

NB. Omstreeks de 14de en 15de eeuw werd de naam Dias in Portugal zowel met een -s- als met een –z-geschreven. Zo schreef Pero Diaz zijn famiienaam ook wel eens met een z.

 

 

 

 

Voorwoord.

 

In mijn leven heb ik natuurlijk het een en ander meegemaakt. Het leek mij daarom tijd om het te documenteren.

Het doel van dit boek is, dat mijn gezin en verder een ieder die er belang bij heeft of vergelijkbare situaties hebben meegemaakt, er een onderwerp uit kiezen en de hunnen erover te informeren Gedurende ons leven hebben wij talloze goede maar ook slechte beslissingen genomen, die soms verkeerd zijn uitgevallen. Hiervan kunnen wij en de generaties na ons, leren.

Daarom de aanbeveling mijn verhaal te lezen.

 

Veel leesplezier toegewenst.

 

Roberto Dias (Auteur)

robdias


 

 

 

 





HET ONTSTAAN, met gewoonten en gebruiken, VAN DE NEDERLANDSE OOST INDISCHE KOLONIE.

 

De kolonie is ontstaan door de expansiedrift van Nederland. Omstreeks het midden van de 16de eeuw vertrokken Nederlandse schepen via de Noordzee, de Atlantische Oceaan en de Indische Oceaan naar het Oosten. Op hun ontdekkingsreizen, raakten ze verzeild in India, Japan, Oost Indië, Australië, en andere onontdekte gebieden. De belangrijkste producten van Oost Indië waren de specerijen. Nederlandse zakenlieden specialiseerden zich in de handel hiervan. Er waren voor deze producten echter veel kapers op de kust. Om de Nederlandse hegemonie in dit gebied veilig te stellen werden er tegen Engeland, Spanje en Portugal vele zeeslagen geleverd. Tegen de autochtone bevolking werden de nodige grondoorlogen gevoerd. Uiteindelijk zegevierden de Nederlanders. Zij richten de Verenigde Oost Indische Compagnie (VOC) op en vestigden, in de uit ongeveer 13.500 eilanden bestaande Oost Indische archipel, diverse handelsposten. Dit luidde meteen het begin in van de kolonisatie van Oost Indië.

 

De Nederlandse Indische autoriteit richtte daarna een bestuur op, dat werd bijgestaan door een leger (later Nederlands Indisch Leger (NIL) en jaren daarna genaamd Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL) en een politie macht. Aan het hoofd van het bestuur stond een Gouverneur Generaal. De rechtelijke macht hanteerde een aangepaste vorm van het Nederlandse recht. Daarnaast werd ook, voor de autochtone bevolking de gewoonte of adat recht toegepast. Alle belangrijke bestuurlijke en andere functies werden vervuld door in Nederland geworven en opgeleide krachten. Het bestuur bestond uit Residenten, Hoofden van Plaatselijk bestuur(HPB’s), Wedana’s (districtshoofden), Lurahs (ressorthoofden), en Kepala Kampoengs (dorpshoofden). Enkele gebieden, vooral op het eiland Java en in het bijzonder de Kratons( kleine Javaanse Koninkrijkjes met aan het hoofd een Radja), kregen een vergaande autonome bestuurlijke status.

 

De Oost Indische Maatschappij werd in drie hoofdgroepen verdeeld. Het hogere kader bestond uit Nederlanders, die in Nederland hadden gestudeerd. Zij bepaalden het beleid.

Het middenkader bestaande uit Nederlanders, andere Europeanen en sinds 1895 bij wet met Nederlanders gelijkgestelde Aziaten, Arabieren en Indonesiërs. Deze laatste groep stond bekend als de zogenaamde Staatsblad Nederlanders. Zij waren, evenals, de Indische Nederlanders (Indo’s) belast met de leiding van de uitvoering. De aanduiding “Indo’s” werd voor het eerst in 1916 geïntroduceerd door de journalist Th. R. Landouw. Hij karakteriseerde deze mensen als personen met gemengd Europese en Indisch bloed, die hun wortels in Indië hadden en juridisch Nederlanders waren. Vooral na hun repatriëring naar Nederland kreeg de term “Indo’s” een negatieve lading. Mogelijkerwijs was het rapport van de commissie Werner uit 1952, hiervan de oorzaak. In dit rapport werd een racistisch verschil gemaakt tussen Oost- en West -Indische Nederlanders. Er was voor de Indo’s in Nederland geen werk en onvoldoende huisvesting. Door hun mentaliteit en indolentie was de kans op integratie en assimilatie gering, zo niet nihil, aldus het rapport.

Nederland heeft vervolgens zo lang mogelijk (tot ongeveer 1956/1957) getracht deze mensen in Indonesië te houden door hun pogingen om naar Nederland te vertrekken via onder andere de Nederlandse ambassades te frustreren.

De laatste groep, in hoofdzaak bestaande uit autochtonen, werd belast met de uitvoering van het beleid. Zij voerden de opdrachten uit. Er heerste tussen de genoemde groepen een strikte hiërarchie. Vele Nederlanders en andere Europeanen trouwden met autochtone en andere Aziatische vrouwen. De zogenaamde Indische Nederlanders kwamen uit deze verbintenissen voort. Er ontstond naast de Indonesische cultuur, een ander meer gemengde cultuur, bestaande uit een mengelmoes van Nederlandse, Europese en Indonesische gewoonten. Hun opvoeding was in hoofdzaak Nederlands. De gangbare taal was daarom ook Nederlands. Doordat de Indonesische kindermeid zich in opdracht van de huisvrouw met de opvoeding bemoeide, werd het vanzelfsprekend, dat vele Indonesische gewoonten hierin werden samengevoegd. Het gebruik van de Indische taal, lokale geneeskruiden, voeding, indolentie en de zogenaamde “laat maar cultuur”, zijn een gevolg van deze gemengde cultuur.

 

Indonesië is een archipel, die zich over een afstand van ongeveer 4.000 kilometer uitstrekt en een breedte heeft van circa 2.500 kilometers. De archipel begint bij Noord Sumatra ter hoogte van Noord Maleisië/Zuid Thailand en eindigt ter hoogte van Papoea New Guinee tegenover Noord Australië. De archipel kent drie tijdzones. Een modern verkeersvliegtuig heeft ongeveer 3,5 à 4 uur vliegtijd nodig om over de archipel te vliegen. De grootste eilanden zijn ongeveer 30 keer zo groot als Nederland. Op deze eilanden wonen diverse bevolkingsgroepen met verschillende gewoonten en talen. De hoofdtaal is thans het Indonesisch.

De belangrijkste bevolkingsgroepen op het eiland Sumatra zijn de Ajehers, de Minangkabouwers, de Padangers, de Lampongers en de Batakers. Het eiland Borneo (Kalimantan), wordt onder andere bewoont door de Dayakers. De belangrijkste bevolkingsgroepen op het eiland Celebes (Sulawesi) zijn de Buginezen, de Torajanen en de Menadonezen.

Nieuw Guinea (Irian Jaya) wordt bevolkt door de Papoeas. Een aanzienlijk deel van deze bevolkingsgroep wijkt qua uiterlijk en gewoonten af van de Indonesiërs, daar zij een negroïde uiterlijk hebben en dus een negroïde volkstam zijn. Deze mensen zou men eerder in Afrika verwachten. Het zuiden wordt bewoond door de Marins, de Asmaters, Mimikanen,etc. De Kapaukoes, de Danis, en de Mujus vindt men in het centrale gedeelte. In het westen wonen o.a. de Fak-Fak-ers en Sorong-ers. In het noorden wonen de o.a. Arfak-ers en Hatam-ers en de Genjem-ers, Ifar-esen. Op Nieuw Guinea hebben de diverse spraakvormen geen enkel woord gemeen. Dit is in tegenstelling tot het overige deel van Indonesië.

De eilandengroep Molukken (Maluku) wordt bevolkt door Mulukkers, Bandanezen,Timoresen, Ceramezen, kei-ezen, Tanimbarezen, enzovoorts. Java (circa 4 maal zo groot als Nederland) wordt bevolkt door Sundanezen, Javanen en Madurezen.

Indië is een vulkanisch gebied. De vulkanische bergen(gunungs), waaronder Krakatou, Slamet, Semeru, Merapi, Kon.Wilhelminatop (op Nieuw Guinea), rijzen tot een hoogte van circa 3000 tot 4000 meter. Deze bergen komen regelmatig tot uitbarsting, waarbij helaas veel menselijke slachtoffers vallen. Omstreeks eind 2004 begin 2005 kreeg Indië te maken met een enorme zeebeving, waardoor een “Sunami” ontstond. Vooral het Noordelijke deel van Sumatra, met name Atjeh, kreeg het zwaar te verduren. Tientallen meters hoge golven overspoelden de stranden en de overige laag gelegen gebieden. Er vielen duizenden doden, terwijl de materiële schade miljoenen euro’s bedroeg. Op het eiland Flores en op Nieuw Guinea (Irian Jaya) bestaan bergen waarvan de toppen eeuwig met sneeuw bedekt zijn.

Indonesië heeft een uitgebreide flora. Er groeien bomen en planten die bijna overal in de wereld voorkomen. De belangrijkste boomsoorten zijn onder andere teak, ijzerhout, kokosbomen, bamboebomen. Tevens vindt men er diverse palmsoorten, waarvan de bloemstengels en het vruchtvlees van de vruchten veelal gebruikt worden voor de suiker en palmolie productie. Er zijn rubberbomen, koffie- en theestruiken, cacaobomen, kinabomen (levert een product op tegen malaria), en niet te vergeten de kruidenplanten zoals peper, notenmuskaat, kruidnagel en nog vele anderen. De vruchtbomen, die in Indonesië voorkomen zijn teveel om op te noemen. Bijna alle in de wereld voorkomende vruchtbomen groeien er. Daarnaast worden berggebieden ook niet tropische bomen geplant. Als demonstratie van de veelheid aan de diverse planten- en boomsoorten, heeft de voormalige koloniale Nederlandse overheid een unieke plantentuin opgezet (s-Landsplantentuin) nabij de plaats Buitenzorg op West Java. Deze is inmiddels wereldwijd bekend. De tuin wordt regelmatig bezocht door landbouwkundigen en andere belangstellenden om de plantensoorten te bestuderen.

De fauna bestaat uit wilde dieren, gevogelte, slangen , reptielen en leguanen die men eveneens bijna overal in de wereld kan vinden. Er bevinden zich olifanten, neushoorns, tijgers en verschillende apensoorten waarvan de orang oetans en de chimpansees de bekendste zijn. Er zijn hertensoorten, koeiensoorten, paarden, varkens, kangoeroes en kleine beersoorten. Er bevinden zich ook krokodillen en verschillende soorten leguanen waaronder de komodos met een lengte van 3 tot 5 meter. Er zijn diverse slangen soorten, waaronder cobra’s en pythons. Er is een verscheidenheid aan gevogelte, waaronder loopvogels (casuaris) paradijsvogels, jaarvogels, pauwen, duiven(o.a. de kroonduif), papagaaien, roofvogels en watervogels.

Op Zuid Java en op alle andere eilanden zijn grote natuurgebieden aangewezen. Er geldt een verbod om dieren te vangen en te doden. Ook is het verboden plantensoorten te verwijderen. Op overtreding hiervan staan zeer strenge straffen en hoge geldboetes.

Indonesië bezit vele delfstoffen waaronder ruwe olie, steenkool, bauxiet, goud, ijzererts, koper, zwavel voor de mest industrie en edelstenen. Indonesië is dus van oorsprong een zeer rijk land.

 

Men schat, dat de bevolking toen Nederland Indië circa drie eeuwen geleden koloniseerde, ongeveer enkele miljoen inwoners telde. In 1998 was het aantal inwoners bijna 212 miljoen (Nationaal Geographic atlas, zevende editie 1998). Nu zal het aantal inwoners zeker vermeerderd zijn. Indonesië is, zowel ten tijde van de Nederlandse overheersing als nadat het een soevereine staat werd, uitgegroeid tot een redelijke welvarende staat. Het bewind is vrij democratisch met kleine trekjes van het communisme. Immers ook de Sovjet Unie heeft Indonesië binnen haar invloedsfeer proberen te brengen. Vele Indonesiërs hebben hun universitaire opleiding in de jaren zestig dan ook in de Sovjet Unie gevolgd.

 

Er is schoolplicht voor de jeugd. Om hier controle op te kunnen uitoefenen worden de kinderen vanaf hun zesde jaar tot ongeveer 18 jaar verplicht gedurende schooluren een uniform (pakaian sragam) te dragen. In verschillende grote steden waren er al in de koloniale tijd universiteiten gevestigd. Voorts bestaan er middelbare scholen zoals de Sekolah Menengah Pertama (SMP), die te vergelijken is met onze vroegere MULO, en de Sekolah Menengah Atas (SMA) die vergelijkbaar is met een HBS.

Eerst omstreeks 1980 werden de laatste Nederlandse leerboeken op de universiteiten, nadat zij waren herschreven en aangepast, afgedankt.

 

De infrastructuur is verouderd maar functioneert goed. De verkeerspleinen bestaan, evenals de doorgaande wegen, gemiddeld uit 6 tot 8 rijstroken. De verbindingen tussen de hoofdsteden worden door spoorwegen en busondernemingen verzorgd.

Men heeft dagelijkse luchtverbindingen tussen hoofdsteden van de verschillende eilanden. Deze worden verzorgd door de nationale luchtvaart maatschappij “Garuda”, die ook de buitenlandse luchtverbindingen voor haar rekening neemt met overwegend Boeing vliegtuigen. De luchtvaart maatschappijen “Sempati”, “Merpati” en “Bourak” verzorgen de binnenlandse verbindingen. Deze bovenvermelde maatschappijen vliegen hoofdzakelijk met door Fokker geproduceerde vliegtuigen. Zij beschikken over ongeveer 280 van deze vliegtuigen.

Indonesië wilde graag met Fokker samenwerken en in Indonesië vliegtuigen produceren. Dit ging, om voor de Nederlandse burger onbegrijpelijke reden, niet door. Fokker werd aan het Duitse Fa DASA verkocht, die vervolgens op zeer korte termijn failliet ging. De belangrijkste Europese vliegtuig industrie (Airbus) was meteen alle Europese concurrentie kwijt. De firma Fokker en de groot aandeelhouder, de Nederlandse staat, hebben hierdoor een kans gemist. Immers een vliegtuigfabriek opgezet samen met Fokker in Indonesië had heel Azië en Afrika van betrouwbare moderne vliegtuigen kunnen voorzien.

Vervoer in de steden en dorpen worden verzorgd door autobussen volgens dienstregelingen. Taxi’s (opelèts), dôkars (tweewielig voertuig getrokken door een paard), bètjaks, (eendriewielig voertuig voor passagiersvervoer,waarvan de twee zitplaatsen zich voor de bestuurder bevinden en die door een fietssysteem wordt voortbewogen). Goederen vervoer vindt buiten de steden plaats door middel van vrachtauto’s, bakfietsen, tjikars (een tweewielig voertuig getrokken door twee ossen). Het vervoer over binnenwateren vindt plaats per prauw (houten bootjes van circa 5 meters lengte, die worden geroeid, met een zeil zijn uitgerust of die worden voortgestuwd met hulp van een buitenboord motor. Passagiers en goederen vervoer overzee wordt verzorgd door zeeschepen. Ook bestaan er houten schepen die ongeveer 20 ton lading kunnen vervoeren. De aandrijving geschiedt door een binnenboord motor en/of met hulp van zeilen. Dit soort boten dragen het predikaat KLM (Kapal Motor Layar).

 

Grote hotels en Malls (warenhuizen) tellen gemiddeld 10 a 12 etages. Op de beneden etage worden motorvoertuigen verkocht, op de middelste etage bevindt zich meestal een soort kermis. Op de hoogste etages zijn restaurants, cafés, en soortgelijke etablissementen gevestigd. Op de overige etages is van alles, inclusief alle denkbare luxueuze artikelen, te koop.

 

De medische zorg laat soms wat te wensen over door gebrek aan moderne medische apparatuur. In de ziekenhuizen worden de patiënten verzorgd door familieleden onder leiding en met hulp van verpleegkundigen en onder supervisie van artsen. De artsen zijn over het algemeen na hun universitaire opleiding in Indonesië, bijgeschoold in Europa, de V.S. en andere landen. Vele Indonesische topchirurgen zijn in Nederland gebleven. Zij keren jaarlijks tijdens hun vakanties naar hun land terug om hun mede artsen bij te scholen en de nieuwste medische ontwikkelingen bij te praten.

In grote- en toeristische steden staan 3-4-5 sterren hotels die van alle luxe, zoals men in Europese landen gewend is, zijn voorzien. Tegen de Aziatische service kan men in Europa niet concurreren.

De overheidsgebouwen zijn eveneens hyper modern.

 

De hygiëne laat, vooral buiten de steden, wel eens te wensen over. In ieder geval voldoet deze niet aan de Europese normen.

Buiten de steden is alles veel soberder. Huizen zijn vaak van lokaal materiaal gebouwd. Zij zijn meestal half van steen en half van gedèk ( gevlochten bamboe materiaal) opgetrokken. Voor de dakbedekking gebruikt men aluminium golfplaten of atap. Atap is een dakbedekking vervaardigd van palmbladeren die in de lengte naast elkaar over een stuk bamboe-lat of palmsteel wordt geregen. Op het dak over elkaar gelegd is het dak waterdicht. Om wegwaaien te voorkomen wordt over de atap een raamwerk van bamboe latten geplaatst.

De bevolking kleedt zich buiten de steden meestal net als 100 jaren geleden. Tijdens het werk, loopt men veelal barvoets. De kleding is eenvoudig, maar doelmatig.

Sanitair is amper aanwezig. Wassen en baden doet men meestal bij op hun woonerf zelf gegraven putten, in de vele rivieren (kalis) en uitlopers van watervallen (pantjoerans) waaraan hun woongebieden grenzen.

In de dorpen (desa’s) zijn geen artsen noch ziekenhuizen. Net als honderden jaren geleden maken zieken gebruik van medicinale plantensoorten die verwerkt zijn tot drankjes. Dagelijks worden deze medicinale producten in vloeibare vorm door verkoopsters langs de weg verkocht of aan huis bezorgd tegen een zeer redelijke prijs ( € 0,10) per glas. Hierdoor doet men aan preventieve geneesmethoden. In acute gevallen van ernstige ziekte wordt de patiënt door de mede dorpsgenoten naar een ziekenhuis in een grote stad getransporteerd. De sociale levensmethoden, worden door alle dorpelingen gedragen. Er bestaan naast de normale geneeskunde ook alternatieve geneeswijzen. De “wonderdokter” (dukun) neemt deze “kunst” voor zijn rekening. Hiervoor worden kruiden gebruikt. Kumis kutjing zorgt voor reiniging van nieren en urine wegen. Temulawak heeft een bloedzuiverende werking. Kina wordt gebruikt tegen koorts. Kentjur is een middel tegen hoest en keelproblemen en vermengd met rauwe rijst (beras) en tot pap gemaakt met water en daarna op een kneuzing geplaatst is het een uitstekend middel tegen kneuzingen en huidproblemen.

Jonge djambu kelutuk bladeren is een middel tegen diaree. Ook gebruikt men in plaats van Norit een bal gebrande rijst, die zodra het goed is aangebrand in een glas water wordt gedaan, waarna men het middeltje opdrinkt. Zo zijn er nog heel veel andere toepassingen van in Indonesië groeiende kruiden. De Dukun doet ook, op rituele wijze alle uitdrijvingen.

 

De opbrengst van de rijstvelden, plantensoorten en moestuinen is ruim voldoende om van te leven. Vlees en vis zijn er in overvloed. De vangst wordt ritueel geslacht en onder elkaar verdeeld. Alle lusten en lasten worden meestal door de hele gemeenschap gedragen.

Voor het jagen van wild gebruikt men vallen. Vissen worden gevangen met de hengel, werpnetten, treknetten en vaste fuiken (sero’s). Ook heeft men viskwekerijen (èmpangs). Het jagen met geweren is om veiligheidsredenen, alleen voorbehouden aan hoge ambtenaren en andere prominenten.

Ongeveer 90% van de bevolking is Islamiet. Daarnaast leven er Christenen, Boedhisten, Hindoeïsten, en nog andere godsdiensten en sekten. Elk dorp kent een dorpshoofd (kepala kampung) en een hoofd van de moskee (Imam). Alle voor de gemeenschap belangrijke beslissingen vinden namens de overheid plaats met hun goedvinden. De bevolking is over het algemeen tolerant. Ondanks dat verschillende godsdiensten in het land wonen is er op godsdienstig gebied geen sprake van discriminatie. Immers de bevolking van elk dorp is voor 100% afhankelijk van elkaar daar er geen sociale voorzieningen zijn zoals in Noord Europa. De Indonesiër is van huis uit zeer gelovig en tegelijkertijd bijgelovig. Hierdoor kent men vele sagen, waarbij godinnen een grote rol spelen. Bij een waringinboom gebeuren voor Indonesiërs veel ongelovige dingen. In deze boom huist, naar men gelooft, de geest (Gondôruwô). Aan de zuidkust van Java huist de zeegodin Lorokidoel. Een van de bekendste geesten is de Koentilanak. De geesten zaaien meestal angst en paniek onder de bevolking. Om dit te voorkomen dient men aan de geesten offers te brengen. Dit gebeurt op vrijdag. Bloemenkelkblaadjes van de rode en witte roos, de witte kemoening en groene kenanga, nemen naast de spreuken die men preveld een belangrijke plaats in de offerande.

 

In de grondwet van Indonesië (Pancasila) is godsdienstvrijheid uitdrukkelijk opgenomen en beschermd. Als voorbeeld hiervan staat op het “Merdeka”-plein, (plein van de vrijheid) de vrijheidsnaald als symbool. Aan dit plein is ook het paleis van de president gelegen. Op dit plein zijn een Katholieke Domkerk, een Moskee en een Boeddhistische tempel in elkanders zicht gebouwd.

De bevolking heeft buiten de steden voldoende te eten. Waar men naar hongert zijn vooral de luxueuze artikelen, zoals radio, video, televisie, computers en andere   elektronische apparaten. De lonen zijn laag. De Indonesische roepia heeft op de wereldgeldmarkt weinig waarde. Men moet daarom jaren sparen voordat men een luxueus artikel kan kopen. Omdat de bovenlaag van de bevolking zich ongeremd verrijkt is luxe voor de rest van het volk bijna onbereikbaar. Men probeert daarom ten koste van alles aan geld te komen. Corruptie wordt door alle lagen van de bevolking bedreven.

In grote steden, bestaan naast de door de overheid aangestelde parkeerwachters, ook prive parkeerwachters, die illegaal voor eigen baten werken. Op drukke wegkruisingen kan men tegen een geringe betaling de kruising voor het andere verkeer laten “vastzetten” en vervolgens de kruising ongestoord oversteken. Ook worden buiten de steden in dorpen onwettige tol betaalplaatsen geïnstalleerd. Het geld gaat, als men het mag geloven, naar een algemeen goed doel.

 

De Indonesische overheid zorgt goed voor de natuur. Zoals al vermeld zijn op alle eilanden natuurgebieden aangewezen. Hierdoor blijven vele natuurreservaten in oorspronkelijke staat. Op het Komodo eiland (nabij het eiland Floris) lopen mensen en dieren door elkaar. Mens en dier schijnen elkanders leefgewoonten te kennen en die te respecteren door elkaar op tijd te ontwijken.

Buiten de aangewezen reservaten worden bomen gekapt voor de export en de industrie. De ontboste gebieden dienen echter op korte termijn opnieuw worden herbeplant, zodat nieuwe bossen kunnen ontstaan en de ecologie zoveel mogelijk in stand gehouden wordt.

Zondigen tegen de regels voor de natuurgebieden wordt zeer zwaar bestraft.

 

 

 

VORSTENDOMMEN.

 

Indonesië heeft verschillende vorstendommen die autonoom zijn. Enkele van deze vorstendommen zijn:

 

    • kraton van Surakarta,

 

    • kraton van Jokjakarta;

 

    • kraton van Semarang;

 

    • Puro Mangkunagaran;

 

    • Puro Pakualaman en

 

    • Sultanaat van Tidore. Het voormalige Noord en West Nederlands Nieuw Guinea vielen reeds omstreeks de 16de eeuw met goedvinding van de V.O.C. onder het gezag van deze sultan.

 

 

 

CULTUUR.

 

Muziek.

Er zijn gàmelàn (slagtrom) orkesten en angklung muziek. De angklung is een instrument van naast elkaar in een rek hangende holle bamboestaven van diverse dikte en lengte met elk een eigen klank. Tijdens een opvoering worden ze tegen elkaar gestoten. Hierdoor kunnen melodieën van liederen worden nagebootst of een lied worden begeleid.

De bambu fluit (suling) wordt gebruikt voor melodieën uit het Sunda gebied op west Java .

 

 

 

Toneel.

 

De poppenkast wayàngvoorstellingen (Wayàng wong) wordt ten tonele gebracht door mensen in antieke kleding die meestal liefdesverhoudingen, maar ook oorlogsverhalen uitbeelden van ver vervlogen tijden.  

Wayàng kulit is een poppenschimmenspel met leren wayàngpoppen. Ook dit spel beeld de verhouding tussen verliefde mensen en oorlogen van het verleden uit. Enkele bekende figuren zijn Tjôkrô en Garèng.

 

Kuda kèpang, is een kunstpaard van gevlochten bambu materiaal, die een man tussen de benen houdt of met een touw om de schouders draagt. Vervolgens word een soort verhaal in dansvorm uitgebeeld.

 

Ketjàk-dans (apendans). Deze dans wordt door 20 of meer personen opgevoerd. De gezichten zijn beschilderd en hun bovenlijven ontbloot. Er wordt speciale kleding gedragen. Zij hurken in een kring en bootsen springend en dansend een groep apen met hun geluiden na. Het geluid dat zij produceren is verschillend van toonhoogte en past bij de apendans die zij opvoeren. Met het veranderen van de toonhoogte van het door hun gemaakte apengeluid, worden afhankelijk van de klanken de handen met gespreide vingers omhoog, omlaag of zijdelinks bewogen.

 

Serimpi-dans (een soort Indonesische ballet). Deze dans wordt uitgevoerd door vrouwen in kleurrijke kleding van oud Javaanse stijl. Op gàmelàn muziek maakt men met de benen en voeten danspasjes, terwijl met de handen gracieuze bewegingen worden gemaakt. Tijdens het dansen worden liefde, soms onenigheid of zelfs een oorlog uit het verleden uitgedrukt.

 

De oorspronkelijke Indonesische vechtsport heet pencak silat en kent diverse varianten. Deze sport lijkt in westerse ogen op een dans. Eenmaal versneld uitgevoerd, kan het een dodelijke vechtsport zijn.

 

Kunst en architectuur.

 

Indonesiërs zijn op het gebied van houtsnijwerk ware kunstenaars. Hun creaties zijn veelal beelden en inkervingen met diverse motieven in meubels en gevels van gebouwen. Op Java is de “Jepara” houtsnijkunst toonaangevend.

Op het eiland Bali en Lombok is houtsnijkunst ontwikkeld tot een ware industrie. Het dorp Ubud op het eiland Bali geniet op het gebied van kunst wereldwijde bekendheid en belangstelling. Vele Europese en Australische kunstenaars hebben zich dan ook definitief in Ubud gevestigd.

De gevelversieringen van de woningen van de Minankabauwers op Sumatra eisen eveneens alle aandacht van toeristen.

Noemenswaardig is ook, dat de batikkunst door artiesten wordt gebruikt voor het “schilderen” van creaties. Hun producten zijn zelfs afwasbaar en kleurvast.

Eveneens als andere Aziatische volkeren is men in Indonesië gek op gokken. Men traint voor dit doel (adu ajam) speciaal voor de gevechten hanen. De spieren van deze dieren ontwikkelt men door ze tegen de stroom van rivieren in te laten zwemmen. De sporen worden tot scherpe punten geslepen. Het komt voor dat eigenaren van vechthanen zich laten verleiden, aan de sporen van deze dieren speciaal in vorm geslepen stukken scheermes laten plaatsen.

Stieren gevechten vinden eveneens sinds jaar en dag plaats in onder andere het dorp Tapèn (Oost Java). Deze stieren, meestal Zeboe’s, worden voor de gevechten getraind en voor het gevecht soms maanden afgezonderd, waardoor zij als zij vrijkomen zoveel energie in zich hebben, dat zij elk ander dier aanvallen.

In Celebes (Sulawesi) gebruikt men voor deze gevechten speciaal gekweekte karbouwen. De gevechten vinden plaats in een soort arena. De kijkers zitten onbeschermd langs de kanten.

In alle gevallen eindigt een gevecht als een “tegenstander” wegloopt of ter plekke bezwijkt. Met deze gevechten en daarbij behorende gokpartijen gaan grote sommen geld gepaard. Het komt zelfs voor dat gokkers failliet raken en hun echtgenote verspelen.

In de Molukken organiseert men koeien races.

Uiteraard zijn er nog meer soorten dansen en kunstonderdelen die echter teveel zijn om op te noemen.

 

KLEDINGINDUSTRIE.

 

De oeroude kleding industrie bestaat nog steeds. De stoffen worden handmatig vervaardigd van zuivere katoengarens in diverse kleuren. Hoofdkleuren voor de sarongs zijn donker- en lichtbruin. Met een batik inktapparaat (een fijne schenkkan met een tuit zo dik als een dikke naald en gevuld met batik verf/inkt) worden de stoffen beschilderd. Hiermede schildert men, door de inkt op de stof te wrijven, de antieke figuren. Aan één stuk stof ter grote van een sarong (te vergelijken met een wijde rok) werken soms twee of meer schilderessen. Elke schilderes begint in een hoek en het resultaat is, zonder dat men dit voorgetekend heeft, verbluffend. In het midden passen alle figuren naadloos bij elkaar.

De sarongs van ikat stof hebben meestal een zwarte, blauwe of groene ondergrond. Op een bepaalde hoogte, omstreeks de boven- en onderkant worden afwisselend tussen het stof met goud- of zilverdraad brede en smalle banen gevlochten. Het resultaat is eveneens verbluffend.

Dezelfde kleding (sarongs en ikats) worden ook in fabrieken machinaal geproduceerd. Het verschil tussen handgeschilderd materiaal en de machinaal gedrukte exemplaren is, dat het geschilderde materiaal zowel aan binnen- als buitenzijde niet van elkaar te onderscheiden zijn en een eenzelfde gekleurd motief heeft. Het in een fabriek vervaardigt materiaal is aan één zijde flets omdat het slechts aan een zijde bedrukt is en de inkt onvoldoende naar de andere kant van het stof doordringt.

Het hand weefwerk wordt bijna uitsluitend door vrouwen verricht. Al heel vroeg worden jonge meisjes de weef- en sierkunst bijgebracht. De vervaardiging van een sarong duurt, als men de hele dag doorwerkt, gemiddeld een week.

 

KLEDERDRACHT.

 

Vrouwen gaan gekleed in een sarong. Dit is een soort doek om het middel. De sarong wordt vastgemaakt met een bengkoeng. Dit is een brede band van stevig textiel die ongeveer drie meter lang en twintig cm breed is. De bengkoeng wordt over de bovenzijde van de sarong om het middel gewonden en aan het einde vastgemaakt. De kebajak die men daarbij draagt is een soort jasje, dat meestal van doorschijnend materiaal gemaakt is. Het is voorzien van bloemfiguren in o.a. de pastel kleuren wit, rood, roze en geel, De haren worden bijeen gehouden door middel van een wrong. De wrong wordt in model gehouden door een opzichtig gevormde en bewerkte gouden of zilveren wrongspeld of door een speld gemaakt van het harde gedeelte van een kokosnoot. Zij dragen sandalen aan hun voeten en armbanden van diverse materialen om de armen. In sommige gebieden van Indonesië dragen de vrouwen ter versiering metalen ringen om de enkels. Vroeger droegen zij bij bepaalde gebeurtenissen ook een Keris. Dit is een gegolfde metalen dolk in een versierde hoes. De Keris wordt op de rug gedragen zodat zij met een handbeweging over de schouder het kunnen grijpen om zich in tijd van nood kunnen verdedigen.

Mannen gaan gekleed in een andere soort sarong en een kort jasje. Dit jasje is meestal zwart of wit van kleur is. De (batik) sarong wordt door middel van een knoop of riem om het middel vastgemaakt. Zij dragen sandalen en een songko of blankon op hun hoofd. De songko of kupjah is zwarte muts van fluweelachtige stof. De blankon wordt gemaakt van hetzelfde materiaal als de sarong. De blankon wordt voor gevouwen en aan de achterzijde in model gehouden door een vaste knoop genaamd pentol. In vroegere tijden droegen zij eveneens een Keris in een speciale houder op hun rug. Zoals bij de vrouwen kon de Keris met een snelle beweging over de schouder of langs het middel in de hand worden genomen voor verdediging.

 

DE KERIS (ook wel als KRIS geschreven).

 

Een vrouwen Keris is kort en heeft een lengte van circa dertig centimeter met 2 á 3 golven. Een mannen Keris is robuuster en heeft een lengte van circa vijftig á zestig centimeter met 4 of meer golven. De Keris is een steekwapen met een versierd handvat, en is ontworpen om zich bij een aanval te verdedigen. Bij het heft is de breedte circa vijf à zeven cm en eindigt in een scherpe punt. Het metaal dat men ervoor gebruikt is nooit glad en is door de wijze van vervaardiging grof en grijs van kleur. De vervaardiging en gebruik ervan is verbonden aan een zeer oud rituaal. Bijgeloof speelt daarbij een grote rol. De Keris moet daarom onderhouden worden door het elke vrijdag (op hari jumat/keliwon) in bloemenwater te baden (mandi). Het bloemenwater bestaat uit de bloemenblaadjes van o.a. rode rozen, de groene kenanga-bloem en de witte katjapiring. Tijdens het ritueel wordt wierook (menjan) verbrand. Dit wordt ook door Boedhisten tijdens het gebed aan stokjes verbrand. Indien dit niet gebeurt dan komt, naar men stellig gelooft, de Keris in opstand. De eigenaar krijgt dan angstdromen, wordt ziek of kan zelfs voor straf dood gaan. Ook bestaat de kans dat men veel pech in het leven ontmoet. De Keris krijgt in huis vaak een vaste plaats en wordt meestal tegen een wand gehangen, die door dukuns (wonderdokters) is bepaald. Het is verboden over een Keris heen te stappen (langkah). Na de dood van de eigenaar, wordt de Keris geërfd door de oudste zoon uit het gezin. Hij aanvaardt met het aannemen van de Keris dezelfde verplichtingen en de daaraan verbonden consequenties als die van de erflater. Met toestemming mag een andere erfgenaam vanwege omstandigheden de Keris erven. Voor hem gelden dezelfde verplichtingen.

 

 

 

LANDBOUW.

 

Landbouw arbeid(st)ers lopen meestal op blote voeten. Ze dragen een kapmes   (parang of gòlòg) in een houten houder om hun middel. De aarde wordt met een soort spade (patjol)bewerkt. De patjol is een stok van een meter lang, waaraan een scherp metalen blad van ongeveer vijftien centimeters daarover middels een metalen ring aan het einde is bevestigd. Met een hakbeweging vanaf boven het hoofd, wordt de aarde omgewoeld of bewerkt. De grote grondstukken, die onder andere voor de rijstverbouw dienen, worden bewerkt met ploegen die door runderen (koeien of karbouwen) worden voortgetrokken. Het ploegen noemt men loekoeën. De ploegen zijn van hout gemaakt en aan de scherpe kant met ijzer beslagen. Meestal worden twee runderen ingezet om een ploeg door middel van een soort juk voort te trekken.

Het zaaien gebeurt handmatig. De rijstzaden (padi) worden in een kweekbed uitgezaaid. Zodra de zaailingen ongeveer twintig á dertig centimeters hoog zijn worden zij in een nat rijstveld (sawah) geplant. De beplanting gebeurt meestal door het hele dorp. Men stelt zich in de sawah over de volle lengte of breedte op in een rij, waarna de plantjes op ongeveer veertig centimeters van elkaar in de modder worden geplant. Na circa drie á vier maanden zijn de aren rijp en kan er geoogst worden. Dit gebeurt eveneens door de hele bevolking van het dorp.

De aren met een stuk halm van ongeveer veertig cm worden met een handmesje (ani-ani) afgesneden. Later worden voor efficiëntie en gemak een sikkelvormig mes (arit) gebruikt. De hele plant wordt dan tot bijna aan de grond afgesneden. De oogst worden tot schoven gebonden en later nabij hun woningen op een gevlochten bamboe verhoging (para-para) of op een cementen vloer gedroogd. Zodra de aren droog zijn worden de rijstkorrels, nog voorzien van het kaf, van de rest van de stengels losgemaakt en in kisten of jute zakken in de rijstschuur opgeslagen. Indien de rijstkorrels nodig zijn voor voedsel worden zij in een houten stampvat van ongeveer tien liter inhoud overgebracht en met een houten stamper van ongeveer twee meter lengte gestampt, waardoor het kaf van de korrel wordt gescheiden. Door de lengte van de houten stamper kan de persoon die stampt nagenoeg rechtop blijven staan. Ervaren stampers nemen in elke hand een stamper, waardoor de snelheid van het werk verdubbeld wordt. De rijstkorrels met kaf (gàbàh) raken door het stampen los van elkaar. Daarna worden de rijstkorrels van het kaf gescheiden door ze op een van bamboe gevlochten rond plateau (“tampah”) met diameter van circa één meter te leggen. De korrels en het kaf worden dan zo hoog mogelijk, liefst in de wind, opgegooid en weer opgevangen. De tàmpàh wordt tijdens de handelingen iets schuin naar voren gehouden. Het kaf scheidt zich door hun gewicht van de korrels, die zich naar het laagste gedeelte van de tàmpàh hebben verplaatst. Daarna wordt het kaf verwijderd en opzij gezet om te dienen als veevoer. De aldus verkregen ongekookte rijst (berás) wordt in een rijstkist opgeslagen en naar behoefte van het gezin per dag gekookt en gegeten. De kist met rijst wordt ook gebruikt om fruit te rijpen door het fruit onder de rijstkorrels te plaatsen. Door het broei effect dat dan ontstaat rijpen de vruchten.

 

VOEDSEL.

 

Oorspronkelijk, maar ook nu nog, wordt uit een op een speciale manier gevouwen blad (bananen/pisang of djati) gegeten. Het blad wordt vastgemaakt en in vorm gehouden met een prikker, gemaakt van de nerf van een kokosblad. Dit etensblad, dat dus als bord dient en lekvrij is, heet een “pintjuk”. In plaats van een lepel en een vork worden de vijf vingers van een hand gebruikt. De vier vingers vormen een kommetje of sleufje waar men het eten (rijst met de uitgekozen gerechten) in doet, terwijl de duim wordt gebruikt om vanaf de achterzijde het voedsel in de mond te schuiven.

Bij het eten wordt altijd water gedronken. Koffie en thee drinkt men voor het ontbijt in de ochtend en omstreeks 16.00 uur in de middag na de siësta. Ontbijt bestaat uit een lichte rijstmaaltijd. Bij de koffie worden koekjes, waaronder getuk lindrie, kuwé mankok, kuwé putu en soortgelijke versnaperingen genuttigd.

De middag en avond maaltijden bestaan uit een uitgebreide rijsttafel. De rijsttafel bestaat uit een portie witte rijst (nasi putih), witte rijst met een pikante smaak (nasi gurih). Het laatste gerecht is pikant omdat kokosnoten melk of gebruikte olie, waar vis in gebakken is, (jelàntàh) er tijdens de kook aan wordt toegevoegd. Tijdens feesten serveert men gele rijst (nasi kuning). De rijst wordt geel door tijdens het koken saffraan of kunir   toe te voegen. De pittige smaak ontstaat door tijdens het kookproces klappermelk (sànten) en wat zout toe te voegen. De rijst wordt op een plateau van gevlochten bamboe materiaal (tàmpah) geplaatst. Eromheen legt men droge gerechten zoals gebakken vlees (empàl), geraspte kokosnoot met gebakken pinda nootjes (seroendèng), gebakken kip, en in slierten gesneden gebakken ei omelet (dàdàr). Meestal wordt een kom Indonesische groentesoep (sajur lòdèh) bijgevoegd. Zo’n maaltijd kan eindeloos worden uitgebreid met andere gerechten zoals saté, bumbu bali van kip of vlees. De rijst wordt met de hand in een “pintjuk”opgeschept en worden de nevengerechten uitgekozen. De gekozen gerechten worden ook met de hand om de rijst gelegd. Meestal eet men met tussenpozen, waarbij telkens de opgeschepte rijst met een andere samenstelling van gerechten wordt gegeten.

Deze methode van het samenstellen van de maaltijd vindt plaats, omdat als men de verschillende gerechten door elkaar mengt de smaak ervan verloren gaat. Ondanks dat het opscheppen van het eten met de hand geschiedt, gebeurt dit op respectabele wijze. Men zit nooit met de hand of vingers door het eten te roeren. De rijst en bijkomende etenswaren worden altijd van een kant in de pintjoeks gedaan. Deze bijkomende gerechten worden met één handbeweging in de juiste hoeveelheid om de rijst heen geplaatst. Elke hap heeft vaak een andere samenstelling van gerechten. Telkens voordat het voedsel van de hoofdschotel (tampah) wordt opgeschept worden de handen in een vingerkom gevuld met water gereinigd. Door de subtiele manier waarop dit gebeurd, krijgt men absoluut niet de indruk dat het met de vingers eten en het opscheppen ervan onhygiënisch of vies is. Tijdens de maaltijd wordt er gesproken over de dagelijkse gebeurtenissen. Door het ontbreken van moderne communicatiemiddelen zoals de radio en de TV is het tijdens de maaltijd een bij uitstek geschikt moment om nieuwtjes door te geven.

Men houdt overdag tussen 14.00 uur tot 16.00 uur siësta. ’s avonds gaat men omstreeks 22.00 uur naar bed omdat men de volgende dag al heel vroeg, tussen 05.00 uur en 07.00 uur, uit de veren moet om naar school of naar het werk moet gaan.

 

SLAAPGEWOONTEN.

 

Een bed (balé-balé) bestaat uit een houten frame van ongeveer één meter hoog waarop een latten bodem van geplette bamboestammen wordt gelegd (balë- balé). Daarop komt een gevlochten mat van riet (tikàr) en/of een matras. Het hoofd legt men op een hoofdkussen (bantal). Tevens een rolkussen (guling) waarmee men tijdens de slaap met een been over ligt. Dit mag in een bed niet ontbreken. Men wapent zich tegen kou met een deken (kemoel) en tegen muskieten met een muskietennet (klamboe) ter grote van het bed. De klamboe wordt met het hoogste punt ongeveer anderehalve meter boven het bed gehangen. Zolang men ’s avonds niet onder een klamboe ligt, wordt ter verjaging van de muskieten een ringvormig staafje gebrand, samengesteld uit muskieten verjagende stoffen met een bindmiddel (obat njamoek). Dit aangestoken staafje smeult en geeft een bepaalde geur af waar een mens op den duur aan wendt, maar waar muskieten een hekel aan hebben. Verlichting in dorpen vindt meestal plaats door middel van een petroleumlamp (lampoe templèk). Deze bestaat uit een metalen hanghouder en een glazen reservoir gevuld met petroleum waarin een lont (soemboe) steekt. De lont komt aan de bovenkant onder een glazen buis (semprong) uit. Door de lont aan te steken heeft men verlichting.

 

 

RELIGIEUS RITUAAL EN RELIGIEUZE GEWOONTEN.

 

Indonesiërs zijn over het algemeen gelovige en tegelijkertijd bijgelovige mensen. Als Islamiet is men verplicht ten minste drie maal per dag op door de Koran vastgestelde tijden te bidden. Eerst moet het reinigingsrituaal worden uitgevoerd. Met water of door middel van een symbolische wasbeurt met zand of lucht wordt het gezicht, de handen en voeten gereinigd. Voor het gebed kleedt men zich, indien mogelijk, in speciaal ontworpen kleding. Men ontdoet zich van schoeisel en niet rituele hoofdbedekking. Deze worden altijd buiten de gebedsruimten opgeslagen. De gebedstijden worden vanaf de minaretten aangekondigd. Via luidsprekers, die aan de minaretten van moskeeën zijn aangebracht wordt het gebed luid over de woon/werk gebieden verspreidt. Elk kantoor, winkel of ander overheidsgebouw is verplicht een gebedsruimte (tempat sollat) beschikbaar te hebben.

De Islamieten in Indonesië waren in de Nederlands Indische koloniale tijd niet radicaal. In plaats van zondag, is voor hen vrijdag de rustdag. Gelovigen konden op vrijdag wegblijven. Dit gebeurde omwille van hun inkomsten niet altijd. De werktijden waren van maandag tot en met zaterdag, over het algemeen van 07.00 uur tot 14.00 uur. Daarna werd er, behalve door vitale diensten, niet meer gewerkt.

De officiële feest- en kerkelijke dagen van de Nederlanders, Indonesiërs, en andere geloven werden door iedereen geëerbiedigd.

De Islam in Indonesië heeft de gewoonte de vrouwelijke nakomelingen kort na de geboorte of in ieder geval op zeer jonge leeftijd uit te huwelijken. Ouders, meestal bekenden van elkaar, maken dan al een afspraak over de voorbestemming van hun kinderen. Tussen het tweede en zesde jaar worden kinderen besneden( di-sunat) door daartoe bevoegde personen. Dit gebeurt zonder verdoving en wordt gevolgd door een besnijdenisfeest (slamatan sunat).

Zodra een meisje menstrueert, is zij geslachtsrijp en dus huwbaar. In de Nederlandse koloniale tijd was het normaal dat kinderen van 12 à 14 jaar met elkaar in het huwelijk traden. Over het algemeen was de jongen iets ouder dan het meisje. Als het huwelijk gepland is, wordt de bruidschat (harta kawin) bepaald en betaald . Deze schat bestaat voor een groot deel uit sieraden en geld. Stukken land verkrijgt men door erfenis of koop. Als het huwelijk gaat plaats vinden, worden vooraf zowel het meisje als de jongen op ritueel wijze gebaad in bloemenwater waarbij de nodige prefels worden uitgesproken. Daarna worden zij in speciale trouwkleding gekleed en kan het officiële huwelijk en het feest plaatsvinden. Familie en vrienden zijn dan aanwezig. Het huwelijk wordt voltrokken door een geestelijke (pengulu). De echtelieden krijgen een speciale plaats toegewezen op een bank of op een mat (tikar) op de grond. Zij zitten naast elkaar op de vloer met gevouwen benen (in silôhouding). Tijdens het feest is er muziek en wordt er uitgebreid gegeten. Er wordt geen sterke drank geserveerd. In plaats daarvan worden thee, koffie, tjèndol, geschaafd ijs met tropische vruchten met een stroop erover aangeboden. Het feest eindigt over het algemeen diep in de nacht. Over het algemeen blijven de getrouwde kinderen bij hun ouders wonen, totdat zij zelf in staat zijn een huis te bouwen of te kopen.

 

Als er iemand overlijdt wordt er een wake gehouden door familie en vrienden. De dode wordt ritueel gewassen en met witte doeken omwonden, in een kist of op een draagbaar van inheems materiaal opgebaard. Er volgt dan een gebed door een Islamitische leider. Binnen 24 uur moet, vanwege de tropische temperatuur, de overledene begraven worden. De overledene wordt door een stoet van familie en vrienden naar de begraafplaats gedragen. Voor de baar loopt een lid van het gezin die op elke kruising bloemen en muntgeld uitstrooit. Op de begraafplaats wordt de overledene zonder draagbaar of kist in het gedolven graf geplaatst met het hoofd naar het Oosten in de richting van de heilige bedevaartplaats Mekka. De eventuele erfenis wordt daarna volgens Indonesisch erfrecht (adat) verdeeld.

 

Na de dood en de begrafenis is de familie van de overledene volgens het geloof verplicht op door de Koran voorgeschreven tijdstippen herdenkingen te houden. Op de 40ste dag na het overlijden vindt de belangrijkste herdenking plaats. Men houdt dan een uitgebreid feest (slamatan).

Overigens vindt bij elke belangrijke gebeurtenis, zoals een huwelijk, een geboorte, een besnijdenis, overlijden of inwijding van een nieuw huis een slamatan plaats. Hierbij wordt altijd gegeten en gedronken. Als het een arm gezin of persoon betreft, worden de kosten ervan geheel of gedeeltelijk door familie en dorpsgenoten betaald (sôkôngan).

 

Op sommige eilanden, waaronder Bali, waar het geloof crematie gebiedt, worden de overleden mensen, in afwachting van de mogelijkheid tot crematie, tijdelijk begraven of in holen van rotsen ondergebracht waar veel zwavellucht hangt. De lijken worden daardoor op natuurlijke wijze geconserveerd. De lijken blijven zonder verdere behandelingen geheel in tact. Dit kan soms jaren duren. Zodra een rijk persoon overlijdt, worden alle tijdelijk ondergebrachte lijken van armere inwoners weer opgegraven en uit spelonken in bergen gehaald, teneinde op een gezamenlijke begraafplaats (vaak op een stuk strand of voor dat doel afgesloten wegdeel) bijeen gebracht en in volgorde van belangrijkheid in een rij op een soort “brancards” neergelegd. De ere plaats (meestal voorin of in het midden) behoort toe aan de rijkste, wiens familie de crematie en het ritueel bekostigt. Afhankelijk van hoe de overledene zich tijdens het leven heeft gedragen, wordt zijn gedrag en de eventuele wraak van de familie en dorpsgenoten uitgebeeld.

Een overledene die zich tijdens het leven slecht heeft gedragen wordt vóór de crematie gestraft. Op een draagbaar wordt hij door de mensen in een golfbeweging hardlopend tussen het volk geleid, waarbij men niet schroomt om het lijk gedeeltelijk in het water van rivieren of sloten onder te dompelen.

Samen met de rijke overledene worden, na de door de rijke overledene bekostigde riten, alle eerder niet gecremeerde lijken op een gezamenlijk plaats gecremeerd.

Elke familie cremeert zijn eigen overleden familielid. Daarna wordt het as, conform de wil van het overleden familielid uitgestrooid of begraven.

 

In Celebes (Sulawesi) heeft men andere ritualen bij het ter aarde bestellen van familieleden/dorpsgenoten. De bevolking is in het Toradja gebied overwegend Christen. Indien iemand komt te overlijden, dan wordt de persoon in eigen huis opgebaard. Alle familieleden uit het gezin moeten toestemming tot begraven geven, zelfs al woont men in het buitenland. Het komt daarom voor, dat een overledene jaren (er is een geval bekend van 10 jaren) in eigen huis en in de zelfde slaapkamer verbleef met zijn echtgenote. Uiteraard wordt de overledene “gebalsemd”. Zodra alle toestemmingen binnen zijn wordt de overledene in een speciaal gebouwde ruimte , die tussen de drie en vijf meter boven de grond toornt, geplaatst. Ondertussen treft men voorbereidingen voor de begrafenis. Vanwege de duur van de voorbereidingen bouwt men in sommige gevallen een compleet tijdelijk dorp om de stellage heen, waar de overledene ligt opgebaard. Afhankelijk van hun bezit en status worden een aantal vee, maar vooral karbouwen geslacht en geofferd. Na de offer rite wordt het vlees van soms één maar ook wel van tientallen karbouwen of ander vee onder de bevolking verdeeld. Men gaat ervan uit, dat de zielen van de geslachte dieren de overleden eigenaar in zijn reis naar de hemel vergezellen. Voorbereidingen nemen over het doorgaans veel tijd in beslag. Men “begraaft” de overledenen meestal in uitgehouwen grotten in bergwanden. Met hulp van touwen en ladders wordt de overledene in z’n grot gehesen. Elke grot biedt plaats aan meerdere overleden familieleden. Bij de toegang voor de grot worden als mensen geklede poppen geplaatst, die de diverse mannelijke of vrouwelijke overledenen voorstellen.

Overleden baby’s worden ingepakt in materiaal uit de natuur, ook wel eens tegen een boom vast gemaakt. Men hoopt, dat het overleden kind met de groei van de boom ook meegroeit en groter wordt. Uiteraard is een gewone ter aarde bestelling op verzoek van familie of van overledene mogelijk. De rituelen zijn als voren beschreven hetzelfde, met uitzondering van de plaats van de ter aarde bestelling. De in het zuiden wonende Buginezen en in het noorden wonende Menadonezen begraven hun overledenen op een “normale” begraafplaats conform de eisen van hun geloof.

 

Sociale voorzieningen

.

In Indonesië bestaan geen sociale voorzieningen, zoals wij die in Europa kennen. Een verzekering moet men zelf betalen. Door het gebrek aan sociale voorzieningen is men afhankelijk van elkaar. Hierdoor is er een sterke sociale band ontstaan binnen de gemeenschap. Belangrijke uitgaven worden door mede dorpsgenoten gedragen. De rijken helpen de armen in hun bestaan. Indien een arm lid van de bevolking ooit via loterij of iets dergelijks geluk heeft dan zal hij, zonder dat men erom vraagt, in de kosten van de armen bijdragen. Dit is een ongeschreven wet.

 

Nabij Jogjakarta bevindt zich het wereldwonder Boeroeboedoer. Het is een Boedhistische tempel. De Prambahnan, een Hindu tempel, (eveneens gesitueerd nabij Jokja) is een tempel die, met het daarbij behorende complex een indrukwekkende gebedsplaats is. Deze tempels worden dagelijks door vele belangstellenden bezocht. De bevolking zorgt dat er dagelijks wordt geofferd. Ook probeert men het geluk te stimuleren door met de hand in een pagode geld te plaatsen.

 

Op het Dièngplateau staan veel ruines uit lang vervlogen Boedistische invloeden.

 

Met het verstrijken van de tijd hebben er veranderingen plaats gevonden die in sommige opzichten verbeteringen hebben voortgebracht.

In de koloniale tijd werden in het openbaar geen en in ieder geval niet buiten de Islamitische feestdagen boerkas gedragen.

Discriminatie tussen man en vrouw heeft nooit bestaan. Er is wel sprake van een taakverdeling tussen man en vrouw.

Mannen namen het zware werk voor hun rekening, terwijl vrouwen zich in hoofdzaak bezig houden met de opvoeding van de kinderen en het bereiden van de maaltijden.

Op het land en in het Indonesische leger worden de taken door mannen en vrouwen gezamenlijk verricht. Nu komt het zelfs voor dat vrouwen meehelpen in de woningbouw en bij het asfalteren van wegen. Vrouwen zijn in het parlement vertegenwoordigd. Er is ook een vrouw president van Indonesische geweest.

In sommige opzichten kan ontwikkelde Westen een voorbeeld nemen aan wat in Azië gebeurt.

 

Zoals vele Nederlanders vertrok in de 18e en 19e eeuw een deel van de families Dias en van der Palm als kolonist naar Oost-Indië en vestigden zich op Java. Willem Dias, vormden samen met zijn vrouw en kinderen tot kort voor de tweede wereldoorlog een rustig, stabiel en harmonieus gezin. Vooral de oudste kinderen herinneren zich hun laatste woonplaats van voor de oorlog het best. Het was de stad Poerwokerto op Java. Wij woonden in een riante woning aan de Theresiakerkstraat (direct naast een kanaal), schuin tegenover de katholieke kerk op ongeveer vijf honderd meter afstand van de Grote Postweg, die dwars door het eiland Java liep.

De Theresiakerkstraat kwam uit op de Grote Postweg, De Resident had zijn woning aan de Grote Postweg. Naast diens woning was de katholieke zustersschool, die in de tweede wereldoorlog als verhoorplaats door de Kempetai werd ingericht. De school deed voorts in Japanse- en Bersiap tijd mede dienst als interneringskamp. Tegenover deze zusterschool was de katholieke broederschool gesitueerd.

Gedurende de tweede wereldoorlog werd deze school als interneringskamp voor mannen ingericht. De geïnterneerden werden vanuit dit kamp overgebracht naar andere interneringskampen op Java waaronder de kampen Klampok en Bodjong. Zoals vermeld was onze woning gelegen naast een kanaal. Het laatste deel van dit kanaal vormde een onderdeel van het koel- en afvoersysteem van de achter ons huis gelegen elektriciteitscentrale. Via een sluis monde dit kanaal uit in de Krandji rivier dat onder de Grote Postweg door liep. De directeur van deze centrale was de heer Herst. Aan de andere zijde van het kanaal, waren enkele stadsnotabelen

gehuisvest waaronder de commissaris van politie, enkele leraren van scholen, enzovoorts. In het laatste deel van de Theresiakerkstraat bevonden zich lagere scholen en de Hogere Landbouwschool.

 

DE OORLOG MET JAPAN.

 

Toen de mogelijkheid toenam dat er een oorlog zou kunnen uitbreken tussen Japan en de westerse koloniale mogendheden werden alle Nederlandse mannen, waaronder Willem Dias, opgeroepen om deel te nemen aan oefeningen bij de Landstorm.

De Landstorm was een legeronderdeel bestaande uit vrijwilligers dat in geval van oorlog naast het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (K.N.I.L.) en politie, kon worden ingezet bij verdediging van vitale objecten.

Deze landstormsoldaten droegen een uniform bestaande uit een groene rijbroek, groene jas, korte laarzen en puttees, die hun onderbenen omwonden tot vlak onder de knie. Een bamboehoed bedekte hun hoofd waarvan de klep aan de rechterzijde met een knoop aan de hoed was vastgemaakt. Hun bewapening bestond uit een karabijn M95 geweer, voorzien van een patroonhouder met 5 patronen. Daarnaast droegen deze soldaten een klewang om hun middel. Deze eenheid oefende al sinds jaar en dag, om in tijd van nood te kunnen worden ingezet.

 

Vele Nederlanders met Duits klinkende namen, werden kort voor de Japanse aanval opgepakt en geïnterneerd.

Velen van hen, met namen als Stralendorff, Sirach, Neijendorff, Köhn, enzovoorts, waren nota bene rijks- en gemeente ambtenaren. Deze onterechte actie van het Nederlands Indisch koloniale bewind zou later worden gestaafd. Zij werden later, hoe banaal het ook klinkt, door de Japanse indringers bevrijd. Vele van hun kinderen dienden later in het Nederlandse leger.

Het viel wel op, dat de in Indië wonende Japanse ondernemers (op enkele ondernemers na), op strategische plaatsen cassave plantages hadden aangelegd.

Deze plantages waren ongeveer 40 meter breed en hadden een lengte van ongeveer 800 meter. De cassave plant (oebi kaju) was volksvoedsel en werd gebruikt in meelvorm, maar kon ook in plaats van aardappelen worden geconsumeerd. Deze plant bedekte de grond voor uitzicht vanuit de lucht volledig en was zeer gemakkelijk te rooien. Later bleek dat de Japanse ondernemers deze plantages hadden aangelegd om in tijd van nood dienst te kunnen doen als vliegveldjes voor de Japanse luchtmacht.

Na de Japanse verrassingsaanval op Pearl Harbour en daarop volgende oorlogsverklaring aan Japan door de V.S. en andere westerse landen, waaronder Indië in opdracht van Nederland, werden overal in Indië schuilkelders gebouwd. Deze schuilkelders waren afhankelijk van de beschikbare ruimte ongeveer tien á twintig meter lang en hadden een diepte van twee meter. Door hun U-vorm hadden die een in- en uitgang. Het dak van de schuilkelder werd met palen versterkt, waarop ongeveer anderhalf á twee meter grond werd gestort. In de tuinen bij de huizen van de Nederlanders werden een soort “eenmansputten” aangelegd om bij luchtaanvallen te kunnen schuilen.

Op scholen werden met de leerlingen oefeningen gehouden, om zich tegen bomaanvallen te beschermen. Iedereen werd aangeraden zichzelf én hun kinderen te voorzien van een stuk rubber, dat bij een bombardement tussen de tanden moest worden vastgebeten om, indien er een bom in de nabijheid ontplofte men de tong niet zou afbijten door de schokgolf. Indien er geen snelle mogelijkheid was om bij een schuilkelder te komen, werd men aangeraden dicht tegen een muur te gaan liggen of onder een bed te schuilen. Achterafgezien waren deze maatregelen alleen bedoeld om het volk een beetje gerust te stellen.

 

Omdat mijn moeder vaak ziek was, nam mijn vader zijn twee oudste zonen, Robbert en Frans, regelmatig mee als hij gedurende zijn diensttijd naar een andere plaats reisde voor controlewerkzaamheden van de PTT. Op die manier ontlastte hij zijn zieke vrouw.

Tijdens een dergelijke trip naar Tjilatjap (een belangrijke havenplaats aan de zuidzijde van Java) waren Robbert en Frans meegereisd. Plotseling werd alarm geslagen doormiddel van sirenes. Mijn vader was ter plaatse goed bekend en reed zijn dienstauto onmiddellijk naar een openbare schuilkelder. Wij stapten uit en werden door mijn vader snel naar de schuilkelder gesleept. Wij waren nauwelijks in de ingang van de schuilkelder of de schuilkelder werd getroffen door een bom, die een Japanse “Zero jager” had afgeworpen. Er ontstond direct paniek en veel geschreeuw. Terwijl de menselijke lichaamsdelen ons om de oren vlogen, renden wij in de richting van de dienstauto, waarna mijn vader zich met ons naar zijn huis in Poerwokerto spoedde.

Een week later vielen de Japanners Java en andere delen van Indië aan. Binnen enkele dagen capituleerde het gezag in Indië. Iedereen werd via radio’s tot kalmte gemaand en opgeroepen eventuele bevelen van de Japanse militairen op te volgen.

Nog geen dag nadat Poerwokerto door de Japanners was ingenomen, werden alle Nederlandse activiteiten op kantoren en andere grote gebouwen, die inmiddels door de Japanners waren bezet, verboden.                      

 

Ons gezin werd door Japanners gesommeerd, naar de zusterschool aan de Grote Postweg te gaan dat door Kempetai was ingericht als hoofdkwartier. Daar zouden wij volgens de Japanners dezelfde dag worden geregistreerd. Wij werden bevolen alle belangrijke eigendommen, zoals bankboekjes, geld, sieraden, enzovoorts thuis te laten. Wij werden in de aula van dit gebouw, met honderden anderen, ondergebracht. De mannen en jongens vanaf ongeveer vijftien jaar, werden van de vrouwen en andere kinderen gescheiden. Dit gebeurde op hardhandige wijze. Er werd tegen ons geschreeuwd (“goerah!” en “oranda bageiro!”). Dit waren Japanse krachtermen die gebruikt werden tegen gevangenen) en er werd gescholden. De mannen en jongens vanaf vijftien jaar werden naar een ander deel van het gebouw gebracht. De vrouwen en hun kinderen moesten in de aula op de grond zitten. Er mocht niet gepraat worden. Iedereen werd geregistreerd en later zonder eten noch drinken in de klaslokalen van de zusterschool vastgehouden.

Later bleek, dat de mannen hetzelfde lot ondergingen en naar aan de overzijde van de zusterschool gelegen broederschool werden overgebracht. Behalve het hardhandige optreden van de Japanse soldaten werden ook vele mannen mishandeld. Bij het ingaan van de avond moest iedereen een plaats zoeken op de vloer. Niemand was gewend om op een koude vloer te slapen, waarbij men bovendien belaagd werd door muskieten. ‘s- ochtends moest iedereen zich in gelid opstellen op de binnenplaats voor het appèl. De Japanse militairen telden de aanwezigen. Na het appèl werden de ouderen beurtelings weggeroepen om verhoord te worden. Eten kreeg men mondjesmaat, omdat er geen voedsel genoeg was. Het grootste deel van de voedselvoorraad werd door het Japanse leger opgeëist. Gedurende de hele dag hoorden wij het geschreeuw en soms gehuil van mensen die kennelijk ernstig mishandeld werden. Ik schat zo dat mijn moeder en haar kinderen, buiten de korte tussenposen om die wij naar huis mochten, ruim drie maanden deze ellende in het Kempetai gebouw hebben moeten ondergaan.

Mijn vader kwam na ruim zes maanden weer voor het eerst thuis. Een dag voor zijn vrijlating werden wij weer door de Kempetai ontboden. Mijn vader bleek op die dag een laatste kans te krijgen om met de bezetters samen te werken. De Japanners zetten hem onder druk door te dreigen met zijn gezin te doden. Hij besloot zich dan toch maar beschikbaar te stellen voor het voortzetten van zijn werk bij de PTT, onder Japanse leiding. Deze zelfde methode werd bij meerdere Nederlanders toegepast, die in vitale bedrijven zoals de PTT, het elektriciteitswezen, de ziekenhuizen, de politie, de staatsspoorwegen, enzovoorts werkten. Op korte termijn beschikte de Japanse bezetter niet over de nodige leidinggevenden voor de diverse disciplines.

 

Ondertussen waren vele waardevolle voorwerpen zoals, bankboekjes, paspoorten, geld en sieraden uit de huizen, die Nederlanders bewoonden, weg geroofd.

 

Naast mijn vader bevonden zich commissaris Lucier van de plaatselijke politie, de Lang een ambtenaar, Pieplenbosch een topfotograaf, enkele artsen waaronder

dokter Zwaan, de chef van de elektriciteitcentrale Herst, verpleegkundigen, leidinggevenden van de Staatsspoorwegen en nog vele anderen in dezelfde situatie.

De voedsel voorraad was voor alle bewoners schaars. Het Japanse leger eiste bijna al het voedsel en medicijnen op voor hun leger. Er werd heel wat gestolen door de bevolking en, waar het mogelijk was, werden kleine hoeveelheden gehamsterd. Als men tijdens de “strooptochten” de Japanse wachtposten moest passeren, diende men te stoppen, met het gezicht in de richting van de schildwacht en vervolgens een diepe buiging te maken. Ditzelfde ritueel moest eveneens gevolgd worden als men een Japanse officier tegen kwam. Indien volgens de schildwacht of de officier de groet niet voldeed aan de eisen, moest de groet enige malen worden herhaald. Tijdens de herhalingen werd er geregeld geslagen en geschopt naar degenen die de groet opnieuw moesten brengen.

Schildwachten hadden de gewoonte om personen die hun niet aanstonden, te straffen door hen op de knieën te laten zitten en vervolgens de hele dag naar de zon

te laten kijken. Indien zij verblind door de zon neervielen, dan bleven zij veelal, als waarschuwing aan de bevolking, tot de avond terplekke liggen. Geregeld werden gevangengenomen Nederlanders en andere Europeanen voor het gebouw van de

Kempetai aan de Grote Postweg mishandeld, indien zij bij verhoren weigerden te antwoorden. Vele voorbijgangers werden dan, tegen hun wil in, naar het plantsoen op het terrein voor het Kempetai gebouw gedirigeerd om daar vervolgens verplícht naar deze mishandelingen door de Japanners te kijken. Deze mishandelingen waren van verschillende aard. Mensen werden aan de armen of benen aan takken van een boom opgehangen en vervolgens geslagen. Enkelen werden op hun rug aan een plank vastgebonden. Vervolgens werd een waterslang, die aan de andere kant aan een kraan was bevestigd, in de mond van de mishandelde gepropt en opengedraaid. Het water vulde de buik, die opzwol. Zodra de buik vol was, werd de kraan dichtgedraaid en sprong een gelaarsde Jap op de buik. Het gevolg was, dat ogen, tong en ander lichaamsdelen van de gemartelde naar buiten werden geperst, waardoor de persoon overleed. Sigarettenpeuken werden bij mindere “vergrijpen” op de gezichten van de Nederlanders uitgedrukt. Ook had men mishandelingen bedacht, die ogenschijnlijk niets voorstelden. Degene die mishandeld ging worden werd, ook weer op de rug, gekleed in slechts een onderbroek aan een plank vastgebonden. Vervolgens werd er een orong-orong (een grijze krekel, die in hoofdzaak onder de grond leeft) onder een glas op de navel geplaatst. Omdat deze krekel geen daglicht verdraagt, begon het in de navel te graven op zoek naar een donker onderkomen.

Dit werd net zolang voortgezet, totdat de navel was veranderd in een bloederige massa. Dieven werden in het openbaar de hand afgehakt waarmee de diefstal was gepleegd.

 

Kortom, de Japanse bezetter was zéér inventief bij het zoeken en uitvoeren van straffen.

Als men het waagde om niet te reageren op een roep van een Japanner, moest de persoon op de knieën voor de Japanner plaatsnemen. Twee aangescherpte potloden werden dan in de ooringangen gedrukt met alle gevolgen van dien. Kennelijk beoogde de Japanse bezetter met de bovenvermelde openbare straffen de bevolking onder de duim te houden. De groep jonge Indonesiërs die gerekruteerd werden om dienst te doen als hulptroepen voor het Japanse bezettingsleger (de zogenaamde sukarila’s of hai-ho’s), groeide gestaag. Zij kregen een semi-militaire opleiding. Tijdens de opleiding werden er met een zelfgemaakt houten geweer of met de Indonesische bamboe roentjings, (een bamboe roentjing is een stuk bamboe stam met een diameter van circa vijf á zeven cm. en een lengte van ongeveer anderhalve meter, die aan een zijde is voorzien van een ongeveer dertig cm lange punt) geoefend. Met deze voorwerpen werd gemarcheerd en werden er man tegen man gevechten geoefend. Deze vertrouwelingen van de Japanse bezetter bedreven al heel gauw dezelfde misdaden als de Japanners. Kennelijk gebeurde de training met goedvinden van de extremistische Indonesische leiders.

Zij zagen in deze “soekarila’s”, later ook “Pemoeda’s genoemd, een groep, die de kern zou kunnen vormen van het begin van de Indonesische revolutie tegen het Nederlandse koloniale bewind. Kortom, het gedrag van deze Indonesiërs was na verloop van tijd hetzelfde als die van de Japanners.

In de Japanse bezettingsperiode had de groep Nederlanders, die gedwongen werd voor de Japanners te werken, zich verenigd in een verzetsgroep.

Tot deze groep in Poerwokerto behoorden Lucier (coördinator), de Lang, vader Dias (die PTT verbindingen kon afluisteren en saboteren), Pieplenbosch (fotograaf), Loen (PTT ambtenaar), Hertst (chef van de elektriciteitcentrale), Balgooy of van Balegoy (boer/ondernemer) en nog vele anderen, die in het gebied rond Poerwokerto woonachtig waren. Helaas is deze verzetsgroep bij de Nederlandse overheid niet bekend. Vermoedelijk doordat Zuid Java tamelijk geïsoleerd was.

Tot hun verzetsdaden behoorden het saboteren van het telefoonnet, het onklaar maken van radioverbindingen door antennes te vernielen, diverse onderbrekingen van elektriciteitvoorzieningen en niet in de laatste plaats, het helpen van Nederlandse gevangenen en mede Nederlanders, die in voedingsnood verkeerden en ziek waren. Voor dit laatste doel werd vooral gerekend op de solidariteit en medewerking van een Nederlandse planter en veehouder, de heer Balgooi of Balegoy, die in het berggebied te Baturaden woonde en zijn bedrijf verplicht moest blijven leiden voor de noden van de Japanners.

Een groot deel van zijn productie werd door de Japanners opgeëist. Hij was echter altijd bereid een deel te reserveren, zeg maar achter te houden, en voor niets ter beschikking te stellen aan de leden van de eerder vermelde Nederlandse verzetsgroep, die op hun beurt door de hongersnood bijna stervende Nederlanders wisten te bevoorraden. Meestal reed men met het transport van de Japanners mee naar Baturaden. Het retour vervoer geschiedde, natuurlijk zonder toestemming van de bezetter, met de door de Japanners geconfisqueerde voertuigen van de PTT of andere openbare diensten .

Distributie van etenswaren en berichten werd in het geheim uitgevoerd. Onder andere werd ondergetekende al als negenjarige jongen hiervoor ingezet. Een kind werd niet gauw als verdacht beschouwd door de Jappen. Desondanks werd ik, tussen mijn negende en tiende jaar, vele malen door de Japanse soldaten onder vuur genomen. Gelukkig wist ik steeds, soms met behulp van een Indonesische tjikarbestuurder (een tjikar is wagen voorzien van twee houten wielen, die door ossen werd voortgetrokken), aan aanhoudingen te ontkomen. Ik verschoolde mij onder het gras, dat zij vervoerden. Het gebeurde wel eens dat een Japanse soldaat tijdens een controle zijn bajonet in het gras stak en mij rakelings miste. Wel werd ik een keer door een Japanse schildwacht afgevuurde en via een muur afgeketse kogel, in mijn rechter borst getroffen . De fragmenten van deze kogel konden gelukkig door een bevriende mantri (ziekenhuisverpleger) zonder verdoving worden verwijderd. Gedurende de Japanse bezettingstijd werden ik en mijn jongere broer Frans verplicht naar school te gaan. Wij kregen les in de Japanse taal in woord en geschrift. Daarnaast leerden wij Japanse commandos en marcheren. De Japanse bezetter had kennelijk de illusie, dat wij hierdoor te zijner tijd konden worden ingezet voor hun doeleinden. Naar “school” gaan had een voordeel. Wij beriepen ons, als wij werden opgepakt of ondervraagd, op de opdracht om boodschappen te moeten doen voor de schoolleiding.

Gedurende deze periode werden ik en andere jongeren als proefkonijn gebruikt. Ik was verplicht eens per maand verdund zoutzuur te drinken. Mijn gebit werd met jodium bewerkt. Welk doel deze proef had is voor mij altijd onduidelijk gebleven. Het resultaat van de jodiumtest was, dat mijn gebit, na nagenoeg één jaar testen, van alle tandglazuur was ontdaan. Bij het nuttigen van warm of koud eten en drinken, ontstond er telkens een ondragelijke gebitspijn.

Het drinken van zoutzuur had tot gevolg dat ik tot en met de dag van vandaag, medicijnen (maagzuurremmers) moet slikken om geen “verbrande” slokdarm als gevolg van deze proeven over te houden. Ook had ik problemen met een plotseling wegvallende stem. Deze problemen zijn, direct na de Tweede Wereldoorlog, gemeld aan een team van het Nederlandse Rode Kruis. Voor nader onderzoek en behandeling werd ik verwezen naar het Centrale Bataafse Ziekenhuis (CBZ) te Batavia. Met de middelen en kennis die de medici toen hadden, kon de oorzaak van de overmatige maagzuurproductie niet worden vastgesteld. Ook latere onderzoeken in het VU Ziekenhuis te Amsterdam brachten geen bevredigende uitslagen over de oorzaak van het probleem, omdat de klachten al tientallen jaren geleden waren ontstaan. Ik werd verwezen naar een logopediste. Na maandenlange behandeling trad er geen verbetering op aan het wegvallen van de stem. Ik werd verder onderzocht door via mijn keel en slokdarm een sonde in mijn maag te brengen waarmede röntgenopnamen van mijn maag en keel werden gemaakt. De KNO arts van de Vrije Universiteit Amsterdam verklaarde, dat hij het oorzakelijke verband van maag-, keel- en stemproblemen niet kon achterhalen. Vast stond dat de slijmvlieshuishouding was aangetast en dat de verbinding tussen maag en slokdarm poreus was. Hij besloot het onderzoek met de woorden: “Wees maar blij, dat u dit alles heeft overleefd”.

eINDE VAN DE jAPANSE BEZETTING.

 

De atoombombardementen op Hiroshima en Nagasaki lijden het einde van de Japanse bezettingsperiode en hun capitulatie in.

Op 14 augustus 1945 te 12.00 uur werd een boodschap van de Japanse Keizer via hun radiozenders uitgezonden, die het volgende inhield:

dat na diep nagedacht te hebben over de toestand in het Japanse Rijk besloten is tot een oplossing te komen door het nemen van een buitengewone maatregel;

 

Dienaangaande is aan de regering opgedragen de regeringen van de USA, Groot Britagne, China en de USSR ter kennis te geven, dat het Japanse Rijk de voorwaarden van hun gemeenschappelijke voorwaarden aanvaard;

 

Zou de strijd voortgezet worden, dan zou dit slechts leiden tot een totale verdelging van de menselijke beschaving;

 

Alle Japanners moesten door het ondragelijke te dragen en het onduldbare te dulden de weg banen voor een duurzame vrede voor alle komende generaties.

 

Deze verklaring, waarin tot uiting kwam dat Japan door zijn eigen daad de wereld redde, was een handige wijze om aan hun gezichtsverlies te ontkomen. Deze verklaring maakte een einde aan de Tweede Wereldoorlog in Azië. Japan heeft echter nimmer met zoveel woorden hun capitulatie toegegeven.

Iedere Japanner die de boodschap begreep huilde en maakte een buiging in de richting van hun Keizer. In Indië uitte een groep Japanse militairen hun ongenoegen door geweldplegingen. Sommige Japanse officieren pleegden als uiting van hun nederlaag, op rituele wijze, zelfmoord. (“Harakiri”).

 

De ondertekening van het zogenaamde Instrument of surrender” vond plaats op 2 september 1945 in de baai van Tokio aan boord van het USA slagschip “Missouri”. Als Nederlandse afgevaardigde was aanwezig de Indische Vlootvoogd : Admiraal Conrad E.L.Helfrich.

 

Reeds toen het einde van de Japanse bezettingsperiode naderde, veranderde het gedrag van de Japanse bezetters. Ik heb zelf gezien, dat enkele Japanse officieren uit schaamte voor hun nederlaag en capitulatie in het openbaar “harakiri” pleegden. Dit vond onder andere plaats voor het Kempetai gebouw te Poerwokerto. Zij spreiden een matje en gekleed in rituele kleding knielden zij erop. Na het doen van enkele rituelen, staken zij zich met een verkort Japans mes (naar het model van hun zwaard) in hun buik, om het vervolgens met een draaibeweging naar de borst omhoog te trekken, daarna voorover te buigen en met het hoofd op de mat steunend dood te gaan. De manier waarop deze Japanse officieren een einde maakten aan hun leven om de schaamte van capitulatie, gevangenschap en de waarschijnlijkheid om als oorlogsmisdadiger voor het gerecht te moeten verschijnen, was in mijn ogen bewonderenswaardig.

 

In 1927 richtte Soekarno reeds “de Patai National Indonesië” op. Zijn politieke aspiraties leverden hem jarenlange verbanning en verblijf in gevangenissen op. Latere republikeinse leiders waaronder Drs. Hatta, Sultan Sjahrir en journalist Salim werden jaren lang in de gevangenis te Boven Digoel op Nederlands Nieuw Guinea gevangen gezet.

Soekarno zelf was reeds sinds zijn jeugd geobsedeerd door de boeken van de Nederlander . Douwes Dekker. Hij liet zich onder andere inspireren door diens radicale politieke koers. Soekarno zag intussen wel kans aan de Universiteit te Bandoeng op Java af te studeren en de titel van ingenieur bouwkunde en architectuur te halen.

 

De Japanners hebben zich, zoveel als in hun vermogen lag, wel ontfermd over de Nederlanders en andere Europese buitenlanders. Later hebben zij aan extremistische Indonesiërs wapens geleverd die van het K.N.I.L. en de politie in beslag genomen waren.

Dit blijkt onder druk van de extremisten te zijn gebeurd. Doordat er in het zuidelijk deel van Java geen geallieerde troepen aanwezig waren, werd de macht al heel snel overgenomen door de Indonesische extremisten. De huizen en pandjeshuizen van de Nederlanders werden, van het kleine beetje dat er nog over was, door Indonesische extremisten beroofd (gerampokt). Ditzelfde was al eerder door de Japanners gedaan.

 

Al zeer snel werden bijna alle Nederlanders en andere Europeanen, ongeacht hun functie of geloof, bijeengedreven door de Indonesische extremisten en in voormalige Japanse kampen en gebouwen vastgezet. Vele Nederlanders, waaronder ons gezin, werden in Poerwokerto tijdelijk weer in het Kempetai gebouw aan de Grote Postweg geïnterneerd.

Op straffe van doodgeschoten te worden verboden de Indonesiërs ons het gebouw te verlaten. Dagelijks werd er twee keer appèl gehouden, net zoals onder het Japanse bewind. Dagelijks vonden er martelpraktijken plaats. Er was nagenoeg geen eten en geen medicijnen. Onder de groep aangehoudenen bevonden zich ook geestelijken en artsen. Na een verblijf van enkele weken in het Kempetai gebouw, werden de mannen en vrouwen met de kinderen opnieuw van elkaar gescheiden. De mannen werden per geblindeerde trein naar kamp Bojong, en de vrouwen met de kinderen naar kamp Klampok getransporteerd. Deze kampen waren voorzien van een prikkeldraad omheining en voor het zicht van de buitenwereld met matten van gevlochten bamboe (gedèk), afgesloten.

Wachtposten, bemand door gewapende militairen werden geïnstalleerd. Deze militairen schoten gericht bij vluchtpogingen. De gebouwen van de bedrijven

waarin wij geïnterneerd werden waren niet gemeubileerd. Iedereen moest zich maar een plek verschaffen en een slaapplaats op de koude vloeren zien te vinden. Gelukkig hadden wij, naast onze schamele kleding, rieten matten (tikars) meegenomen. In de kampen heerste een zelfde regime als in kampen van de Japanse bezetters. Na het dagelijkse appèl moest corveewerk worden verricht. Er werd een centrale keuken ingericht, waar dagelijks rijstepap in gamellen werd gekookt. Bij hoge uitzondering was er een beetje smaak aan de rijstepap door de toevoeging van wat zout. De porties verstrekte voeding waren echter heel klein. Al heel gauw werd er in het kamp door de bewoners gejaagd op alles wat er aan dieren rondliep of vloog. Ook werden bladeren van bomen gerukt om af en toe ook eens “groenten” te kunnen eten. Te pas en te onpas werd er in het kamp door de wachtposten geschoten. Door ziektes zoals dysenterie, diaree, schurft, malaria, kinkhoest, enzovoorts, vielen er geregeld doden te betreuren. Deze doden werden in twee jute zakken (een zak werd van de hoofdzijde en een vanaf de voetenzijde van de dode getrokken) gedaan en met touw omwonden. Het kwam voor, dat begraven van overledenen niet binnen de daarvoor gebruikelijke termijn kon plaats vinden, omdat de Indonesische bewakers vonden, dat de weg naar de begraafplaats onveilig was.

Het was mensonterend om dergelijke taferelen met de daarbij behorende ontbindingsstank, mee te maken.

Ondanks dat Indië al in 1945 door het geallieerde leger was “bevrijd” heeft onze gevangenhouding tot omstreeks maart 1947 voortgeduurd. Het Nederlandse leger, vergezeld door een Rode Kruis team heeft ons bevrijd. De geïnterneerden uit het mannenkamp te Bodjong werden in het vrouwenkamp te Klampok verenigd.

Dit was voor ons een verademing. Voor velen onder ons was het een tijd van blijdschap, gepaard gaande met hulpeloosheid en verdriet. De gehele kampbevolking was vel over been en waren vaak gehuld in versleten kleding of pyjama’s. Een enkeling was nog in het bezit van afgetrapte schoenen of sloffen. Het geheel doet denken aan de taferelen van de joden in de concentratiekampen van nazi Duitsland.

 

Wederom vond er een registratie plaats en moesten wij verslag uitbrengen over onze belevenissen. Daarna werden wij per geblindeerde trein overgebracht naar Batavia.

Daar aangekomen, werden wij in een loods geleid waar een DDT verstuivings- installatie stond. Nadat wij er doorheen waren gelopen en zogenaamd ontsmet waren, werden wij via het opvangcentrum “kamp Tjideng “ naar het kamp “Kramat” te Batavia overgebracht.

Na het nemen van een bad en het eten van legerrantsoenen, bestaande o.a. uit gedroogd cornedbeef, konden zij die familie hadden vertrekken.

Van echte opvang en steun was geen sprake. Velen werden aan hun lot overgelaten en moesten zich maar zien te redden. Een jongere zus van mijn moeder, E.L.Berretty -van der Palm, die in Batavia woonde, zorgde er uiteindelijk voor dat wij snel een paviljoen aan het Petodjoplein te Batavia konden bewonen. Het plein lag dichtbij een ijsfabriek. In de nabijheid van deze ijsfabriek waren twee kazernes, een van de Koninklijke Marechaussee en een van de militaire politie. Recht achter de ijsfabriek lag kerkhof “Tanah Abang”. Aan de achterkant van het plein en onze woning lagen de kampongs (Indonesische woongebieden). Later werden de kampongs door de extremistische Darul Islam strijders als uitvalsbasis gebruikt voor aanvallen op het Nederlandse leger en Nederlandse burgers.

 

Mijn vader ging zo snel mogelijk weer aan de slag bij de PTT. Mijn moeder deed, ondanks haar zwakke gezondheid, de huishouding. Wij kinderen, probeerden onze leerachterstand, onder druk van onze ouders, in te halen. In het begin kwamen wij op de zogenaamde “herstelklas scholen” terecht. Deze telden twaalf klassen.

Afhankelijk van de leeftijd en het leervermogen, werd men om de drie maanden naar een hogere klas verwezen. Ik zelf was in twee jaar klaar met de lagere school. Toen al was ik er van overtuigd dat de door de oorlog opgelopen leerachterstand niet kon worden ingehaald. Na de lagere school heb ik met bijlessen, een soort HBS gevolgd, die ik, hoe onbegrijpelijk ook, toch heb voltooid. Achteraf gezien was het peil van de leerstof wel van een zeer laag niveau.

 

Mijn oom, Paul Messack, kwam na het vervullen van zijn militaire dienstplicht weer in beeld.

Na zijn demobilisatie werd hij ambtenaar bij de PTT en werkte hij bij het expeditiebedrijf waarvan mijn vader chef was. Het leven was in deze periode, vergeleken met de kampperiode, goed. Vanaf begin 1949 verslechterden de levensomstandigheden enorm. Mijn vader werd op weg naar zijn kantoor, dat op het haventerrein van Tandjoen Priok was gelegen, geregeld door Indonesische extremisten beschoten. Ook ons gezin is bij daglicht door een gewapende bestuurder van een“Betjak” (een 3-wielig trapvoertuig voor passagiersvervoer) met de dood bedreigd. Een neef van ons, Chris van der Palm, die bij kapitein Westerling diende, bevond zich op dat moment met onze hele familie op de veranda van ons huis. Door zijn slagvaardig handelen werd voorkomen, dat er onder ons doden en/of gewonden vielen. Chris doorzag het gevaar, trok onmiddellijk zijn wapen en schoot de “betjak” bestuurder, nog voordat hij zijn wapen kon trekken, dood. De gealarmeerde marechaussee stelde een uitgebreid onderzoek in, waarvan het resultaat voor ons onbekend is gebleven.

 

Door al deze gebeurtenissen vond mijn vader de situatie voor zijn gezin niet veilig. In die periode was de “Darul Islam” beweging zeer actief. Deze beweging stelde zich ten doel, door aanvallen op Nederlandse militairen, de politie en op burgers, de Indonesische onafhankelijkheid te versnellen. Mijn vader versterkte het paviljoen door een extra houten wand aan te brengen. Verder bewapende hij zijn twee oudste zonen met vlijmscherpe kapmessen, terwijl hijzelf over een jachtgeweer beschikte.

Mijn jongere broer Frans en ik gingen geregeld met een oom, Marinus Berretty,

op jacht in het gebied Tangerang. Al heel snel waren wij zeer bedreven in het omgaan met het schiettuig en het herladen van het wapen met de daarbij behorende jachtmunitie. Vader maakte met ons de afspraak dat indien nodig, wij ons in het paviljoen zouden terugtrekken. Via de telefoon zou hij dan de politie en militairen alarmeren, terwijl wij elke vreemdeling die onze woning wilde binnendringen met onze kapmessen te lijf zouden gaan. Op een nacht in februari 1949, het was ongeveer vier uur, werd ons huis door een twintigtal Darul Islam strijders omsingeld. Mijn moeder en de jongere kinderen trokken zich onmiddellijk terug in een kamer onder de bedden. Mijn broer Frans en ik posteerden ons, nadat alle sloten waren gecontroleerd, elk bij een raam. Mijn vader posteerde zich bij de voordeur, vanwaar hij alles kon overzien en eventuele indringers met zijn jachtgeweer kon uitschakelen. Intussen alarmeerde hij per telefoon de tegenover ons gelegerde militairen. Door hun snelle komst trokken de Darul Islam strijders zich terug, waardoor bloedvergieten voorkomen werd.

 

In het begin van 1949, nog voordat de overdracht van Nederlands Indië plaats vond, werd mijn vader door zijn chef opgedragen PTT materieel naar Nederlands Nieuw Guinea te verzenden. Kennelijk kwam, de nog niet bevoegde, Indonesische regering in ballingschap achter deze verzendingen. Mijn vader kreeg via via te horen, dat het doorgaan met de verzendingen het leven van hem en zijn gezin kon gaan kosten.

Mijn vader informeerde onmiddellijk zijn chefs. Men besloot gezamenlijk niet te zwichten voor deze bedreigingen en gingen door met de zendingen per KPM boten en met landingsvaartuigen (LST) van de Nederlandse Marine.

Doordat deze eerder geuite bedreigingen toenamen, besloot mijn vader nog voordat de militaire missie en het koloniale bestuur ophield te bestaan, samen met zijn gezin onder te duiken. Geregeld veranderden wij van verblijfplaats. Tijdens een dergelijke verandering van verblijfplaats viel mijn zus Joyce met haar oog tegen een scherp voorwerp. Dit ongeval vond plaats nog voordat de officiële overdracht van Indië aan Indonesia plaats vond. Jarenlang werd zij aan dit oogletsel in verschillende ziekenhuizen in onder andere te Batavia en in Nederland behandeld. Het gevolg van haar oogletsel was, dat het zicht met haar zieke oog nog maar 25% was. Mijn vader informeerde de Nederlandse ambassade over de bedreigingen. Zij zagen de noodzaak van ingrijpen kennelijk niet meteen of waren niet in staat beschermende maatregelen te nemen. Na ongeveer ruim twee jaren rondgezworven te hebben was ons laatste adres waar wij onderdoken waren, een garage aan de Petodjo Oedik straat te Batavia. De ingang van deze garage hebben wij met een extra gemetselde muur geblokkeerd en omgebouwd tot een ware vesting. De Petodjo buurt stond met het gebied Tjideng, Tanah Abang, Meester Cornelis, Pasar Ikan, Tandjung Priok enzovoorts, bekend als broeinesten van de extremistenbeweging “Darul Islam”.

 

HET VERTREK NAAR NERDERLANDS NIEUW GUINEA.

 

Direct na de soevereiniteitsoverdracht van Nederlands Indië werd de toestand erg nijpend. Mijn vader werd in omstreeks begin 1951 in de gelegenheid gesteld zonder zijn gezin naar Nederlands Nieuw Guinea te vertrekken. Daarna kreeg ook zijn gezin de kans om met een K.P.M. boot, de “Van Riemsdijk”, naar Nieuw Guinea te vertrekken. Het Nederlandse ambassadepersoneel bracht ons onder, in de op het eerste achterdek gelegen ziekenboeg, zodat ons vertrek niet zou opvallen. Hoewel wij via diverse Indonesische havens en de Molukken naar Sorong op Nieuw Guinea reisden, verliep onze tocht voorspoedig. Nadat wij door de douane en de emigratiedienst op Nederlands Nieuw Guinea werden gecontroleerd zetten wij onze reis voort naar de hoofdplaats van Zuid Nieuw Guinea, Merauke. Deze plaats was gelegen nabij de haven, ongeveer twee kilometer stroomopwaarts van de Maro-rivier. Het verschil tussen eb en vloed bedroeg ongeveer zes á acht meter. Wij debarkeerden op de enige aanwezige wiebelende steiger met een lengte van circa vijftig meter.

Merauke bestond toen uit een kleine stadskern waar het stadsbestuur zetelde. Verder werd deze kern door een ongeveer acht meter brede, mulle zandweg verbonden met de tien kilometer verderop gelegen luchthaven. Deze luchthaven diende tijdens de tweede wereldoorlog als vliegveld voor de geallieerde luchttransporten en luchtverbindingen met Australië. Langs de weg naar de luchthaven woonde de bevolking.

Na verenigd te zijn met mijn vader werden wij ondergebracht in een legertent zonder elektriciteit en stromend water. Wij sliepen op door het leger ter beschikking gestelde veldbedden. De eerste dagen kwamen wij zowat om van de muskietenbeten. Wij besloten al heel snel alles te doen om onze levensomstandigheden te verbeteren.

De jongste kinderen gingen naar school. De oudste kinderen hielden zich bezig met de handel, de jacht op herten en varkens en met de zeevisserij om aan geld te komen. Wij schaften ons paarden en visnetten aan en gingen aan de slag. Onze activiteiten vonden hoofdzakelijk ’s nachts plaats. Zodra wij thuis kwamen zorgde onze jongere broer Rolf, dat hij het geschoten wild en/of de gevangen vis verkocht aan onder ander ziekenhuizen en overheidsinstellingen die tot onze vaste afnemers behoorden. Na onze dagelijkse slaapperiode begonnen wij aan de bouw van een huis en probeerden tussendoor ook nog een beetje aan tuinbouw te doen voor ons dagelijkse voedsel. Na een jaar hadden wij onze plannen enigszins verwezenlijkt. Ons huis was bewoonbaar en wij hadden ons dagelijks voedsel.

 

Mijn vader kreeg de kans om als technicus in het ziekenhuis te Merauke aan de slag te gaan. Hierdoor beschikte hij over een vast inkomen. Intussen breiden wij onze activiteiten uit. Wij beschikten, voorzien van de nodige vergunningen, over een viertal geweren en een pistool. Wij schaften enkele paarden aan voor vervoer. Naast het verbouwen van groenten begonnen wij, na adviezen van en het afkijken bij Javaanse inwoners van Merauke, een “sawah” (rijstveld) aan te leggen om rijst te verbouwen. Al na twee jaar konden wij volledig in onze eigen onderhoud voorzien. Met de circa veertig meter lange sleepnetten, die wij bij vloed al lopende in zee langs de stranden sleepten, vingen wij dagelijks in enkele uren behalve vissen ook veel garnalen. Wij zagen kans, met hulp van Javaanse gidsen uit het dorp Koeprik, dagelijks twee tot vier herten te schieten die wij verkochten. Koeprik werd uitsluitend bewoond door nakomelingen van in de koloniale tijd gedeporteerde anti-Nederlandse Javanen. De Javanen beloonden wij met wilde koeienvlees of herten, die wij op hun verzoek extra schoten. Als tegenprestatie adviseerden zij ons over de rijstteelt en het bouwen van huizen met lokaal aanwezige materialen. Zij beschikten mede over houtzagerijen, die wij mochten gebruiken om de wanden voor onze huizen te fabriceren. Het overschot van vlees en vis werd ingezouten en gedroogd. Wij ontwikkelden een tactiek waardoor het jagen op herten, enzovoorts, gemakkelijker werd.

Als wij een kudde herten tegen kwamen, werd de hele kudde door ons te paard van de bosrand afgeschermd. Wij dwongen de herten rondjes hard te lopen in het open grasterrein. Zodra de herten vermoeid raakten en bij onze nadering nagenoeg stil bleven staan, bepaalden wij het aantal af te schieten herten en de afmetingen daarvan. Wij schoten nooit meer wild, dan wat wij dagelijks konden verwerken en verkopen. Dit gold in zekere mate ook voor de vissen die wij met netten vingen. Onze activiteiten breidden wij met de tijd ook uit door op krokodillenjacht te gaan. Deze jacht vond altijd ’s avonds plaats. Wij verplaatsten ons dan per uitgeholde boomstam, die wij geluidloos voort roeiden. Aan boord hadden wij een “Toembak”, een soort bamboespeer. Aan het einde daarvan plaatsten wij in de holte van de bamboe stok een stop met een ijzeren speer. De speer was voorzien weerhaken, waaraan ongeveer twintig meter touw en een drijver was bevestigd.

Met zaklantaarns zochten wij, na het intreden van de nacht, al schijnend de rivieren af. Zodra het licht op krokodillenogen scheen glinsterden deze op.

Zonder ook maar een geluid te maken werd de krokodil vervolgens benaderd tot

ongeveer twee meter afstand. De afstand tussen de twee ogen was bepalend voor de afmeting van de krokodil. Had de krokodil de juiste afmeting dan werd het dier gespietst. Zodra de weerhaken van de speer, die met een houten dop op de voorzijde van de bamboe speer zat, in de huid van het dier drong, raakte de speerpunt van het overige deel los. Het ongeveer twintig meter lange touw met de daaraan vastgemaakte drijver werd in de rivier gegooid. Deze drijver was vrij groot van omvang en maakte het zoeken van de drijver met gespietste krokodil bij daglicht eenvoudiger. Daarna konden wij zolang het nodig was onze jacht op andere krokodillen voortzetten. Aan het einde van de jacht werd de drijvers opgezocht. Zodra de boei met krokodil bij daglicht werd gelokaliseerd, werd deze zo dicht mogelijk naar de uitgeholde boomstam (prauw) getrokken en boven water gehaald. Van ongeveer twee meter afstand kon de krokodil de genadesteek worden toegediend. Dit gebeurde met een “tirak” (een soort bijl die loodrecht op de plaats van de speerpuntplaats was aangebracht). Door met dit voorwerp de nekwervel van de krokodil te beschadigen kon het dier zonder gevaar voor ons naar de wal worden gebracht. Daar werd het dier van zijn vel ontdaan. De krokodillenhuid werd vervolgens met gebruik van zout en salpeter geconserveerd . Per avond werden ongeveer vier á zes krokodillen gevangen. De verzamelde opbrengst van ongeveer drie maanden aan krokodillenhuiden werd samen met de ingezouten en gedroogde vis (gerèh) en vlees (dèndèng) aan handelaren uit Singapore verkocht. De handel in genoemde producten was zeer winstgevend. Het kwam voor, dat het krokodillenvlees door liefhebbers werd geconsumeerd. De verkoop van onze producten werd door een aangetrouwd familielid en handelaar, Marinus Berretty, georganiseerd. Hij emigreerde met zijn gezin samen met ons naar Merauke. Hij was de persoon, die de groothandel voor zijn rekening nam. Dit was in Indië ook al zijn specialiteit. Deze krokodillenjachten werden toen ook uitgevoerd door de jagers Oppatja en Tourton Bruijns.

Omdat onze jongere broers en zussen taken overnamen waren wij in staat onze activiteiten uit te breiden. Mijn broer Rolf specialiseerde zich later in de jacht en visserij. Het gebied waarin wij werkzaam waren werd uitgebreid tot de bestuursplaats Okaba, nabij de Bian rivier. Door gebrek aan transport mogelijkheden, werd de circa honderd kilometer lange afstand tussen onze woonplaats en het werkgebied Okaba te voet afgelegd. In verband met de hitte van de zon overdag, vond de reis bij voorkeur gedurende de nacht plaats. Het kwam wel eens voor dat wij een ”lift” per zeilboot werden aangeboden. De reis was dan veel aangenamer, of er moest een “tungara” wind opsteken. Deze wind kwam meestal vanuit het zuidoost en en ging gepaard met windsnelheden tot ongeveer twee honderd km. per uur én met harde regenbuien. Deze tropische storm zag men soms een half uur van te voren als een donkere wolk naderen en ging met oorverdovend gedonder en bliksem gepaard. In een dergelijke situatie werden direct alle zeilen gereefd en vastgebonden. Iedereen moest van dek af en zich schuil houden in het laadruim. De kapitein (Juragan) bleef aan dek, maar bond zich vast met een touw aan het roer.

Het anker werd uitgegooid maar mocht de bodem van de zee niet raken. De golven konden een hoogte van dertig meter bereiken. De kapitein(juragan) liet het schip met de kop op de golven drijven totdat de storm geluwd was. Indien een golf op het achterdek van de zeilboot zou terechtkomen, dan zou deze onmiddellijk zinken. Een dergelijke storm duurde meestal twee á drie uur. Daarna werd de zee weer kalm. Dit verschijnsel doet zich in de zee tussen Nieuw Guinea en Australië slecht enkele malen per jaar voor.

Ons bestaan kende zodoende enorme lichamelijke en psychische ontberingen. Wij sliepen gemiddeld slechts vier á vijf uur per etmaal.

Omstreeks 1953 kreeg ons gezin te maken met een enorme tegenslag. Mijn vader kreeg van het gemeente bestuur te Merauke te horen dat de Nederlandse nationaliteit ons was ontnomen en wij onze paspoorten moesten inleveren. In plaats daarvan werden aan ons enkele vreemdelingen paspoorten verstrekt. Opvallend was dat in deze paspoorten werden vermeld dat wij van geboorte Nederlander waren! Tevens was de datum van onze aankomst in Nederlands Nieuw Guinea blijkbaar niet bekend. De desbetreffende ambtenaar plaatste daarom maar de aantekening: “aankomst voor 1953”. Dit bericht was voor ons, maar vooral voor mijn vader een enorme teleurstelling. Hij had ruim 30 jaar bij de PTT gewerkt en wist niet beter, dan dat hij en zijn familie al vanaf hun geboorte de Nederlandse nationaliteit hadden. Gelukkig kwam er in dat jaar een staatsecretaris van de VVD uit Nederland een inspectiebezoek brengen. Mijn vader raakte met hem in het ziekenhuis te Merauke in gesprek en legde hem het probleem voor. Hij beloofde bij terugkeer in Nederland de zaak aan het desbetreffende ministerie voor te leggen. Het gevolg was dat wij omstreeks eind 1953 de Nederlandse nationaliteit terug kregen. Andere, inmiddels ex Nederlanders met buitenlandse namen, waren verplicht opnieuw te kiezen voor de Nederlandse nationaliteit. Vanwege de ambtelijke procedure nam dit veel tijd in beslag, waardoor de aanvragers onnodig lang in onzekerheid verkeerden.

De Nederlandse overheid scheen hardleers te zijn. Voorheen gebeurde zoiets dergelijks in Nederlands Indië. Zoals al vermeld, werden Nederlanders met Duitse namen kort voor de Japanse aanval in 1942 gevangen gezet. Zij werden na de capitulatie door de Japanners vrijgelaten (bevrijd).

 

In 1954 kreeg ik op mijn zeventiende jaar voor het eerst de kans om op eigen benen te staan. Ons bedrijfje kon door mijn vader en mijn jongere broers en zussen zonder mij worden voortgezet. Ik solliciteerde bij de Algemene Politie van Nederlands Nieuw Guinea. Na gekeurd en aangenomen te zijn, startte ik te “Base G” in Hollandia de opleiding voor hoofdagent. Mijn jongere broer Frans vertrok kort na mij eveneens naar Hollandia en volgde daar de opleiding voor stuurman aan de scheepvaartschool. Mijn politieopleiding duurde ruim anderhalf jaar. Naast de vakken strafrecht, strafvordering, staatsinrichting, het opmaken van processen verbaal, etc. volgde ik een opleiding V.P.T.L. (Voorschrift Politionele Taak voor het Leger). Dit was een basisopleiding van het leger. De onderdelen van deze opleiding waren het nemen van een stormbaan, schieten met automatische wapens, vastbinden en vervoeren van gevangenen en bouwen van tenten.

Er werd vooral belang gehecht aan patrouilletechniek zoals de manier van lopen, bescherming van én dekking geven aan de patrouille. Deze militaire technieken en tactieken kwamen mij later gedurende mijn loopbaan bij de politie op Nieuw Guinea en Amsterdam goed van pas. In de avonduren en overige vrije tijd volgde ik cursussen die verband hielden met woningbouw, houtbewerking, tuinbouw, verpleegkunde, verloskunde, en radiotechniek. Inbegrepen in de cursus radiotechniek was het herkennen van storingen bij zendapparatuur van de “Becker” ontvanger en zender. Deze zendinstallatie werd aan boord van de patrouillevaartuigen en bij de politie op Nederlands Nieuw Guinea gebruikt om lange afstandcontacten te kunnen onderhouden. Ik leerde ook het bedienen van het Oerlikon snelvuurkanon. Dit bestond uit schieten, onderhoud en reparatie. Dit snelvuurkanon werd door de politie aan boord van haar schepen gebruikt. Daarnaast leerde ik duiken, zeekaarten lezen en het uitstippelen van de te varen routes. Later kreeg ik de mogelijkheid om te leren vliegen met kleinere vliegtuigen (Chesna’s). Ik heb dus in deze leerperiode mijn kennis aanzienlijk vergroot.

Na de opleiding in Hollandia, welke ik cum laude afsloot, werd mijn eerste standplaats Merauke. Al snel werd ik postcommandant te Kimaam, een zeer drassig en vochtig eiland voor de zuidkust van Zuid Nieuw Guinea, ter hoogte van de Marianen Zeestraat. Dit eiland was zo moerassig dat looppatrouilles bijna onmogelijk waren. Het vervoer gebeurde per uitgeholde boomstam (prauw), die voor een groot deel niet varend, maar duwend met bamboestokken (tokongen) werd voortbewogen door de ondiepe vaargeulen. De patrouille bestond meestal uit vijf man politie die met vier Mausergeweren en een Duitse pistoolmitrailleur gewapend waren. Ieder patrouillelid droeg vijftig patronen munitie. Door de drassige grond was het eiland een broedplaats voor muskieten. Tijdens de patrouilles werden wij gevolgd door zwermen muskieten. De politietaak bestond uit het onder controle houden van het gebied en de bevolking. Doelstellingen van de overheid werden uitgevoerd. De patrouille verleende hulp bij medische campagnes die bedoeld waren om uitbreiding van framboesia, lepra, enzovoorts te voorkomen. Daarnaast werden de verzoeken en klachten van de bevolking aan het centrale bestuur te Marauke doorgegeven. Ook hielp de patrouille bij de bouw van woningen en de aanleg van sanitaire voorzieningen. Soms werden arrestaties verricht wegens zware mishandelingen of andere zware delicten. Hoewel het niet tot de politietaak behoorde werd door de patrouille soms na radiografisch overleg met het bestuur, bemiddeld bij afkoopregelingen tussen de bewoners. Deze afkoopregelingen hielden verband met overspel of andere lichte vergrijpen. De beheerder, Tony Molt, van het “Decca” station in het dorp Kimaam gaf mij onderricht in het Decca peilsysteem. De toepassing van dit het voor schepen gebruikte peilsysteem beheerste ik foutloos .

 

Als commandant van verificatiepatrouilles werd ik diverse malen ingezet tijdens vermeende Indonesische parachutistenlandingen in gebieden van de districten Okaba en Kaimana op het vaste land van Zuid Nieuw Guinea. Onze opdracht was het lokaliseren van de gelande parachutisten en het inventariseren van hun sterkte en bewapening. Deze informatie werd zo spoedig mogelijk per radio doorgegeven aan de politiecommandopost te Merauke. De politieleiding zorgde voor verder te nemen maatregelen. Meestal werden bij deze patrouilles geen wapens meegenomen, omdat het gebruik van vuurwapens onze positie zou kunnen verraden. De politieagenten die werden ingezet voor deze taak, moesten de plaatselijke taal en het Indonesisch goed beheersen. Na mijn Kimaam periode werd ik als sub detachementcommandant in de plaats Okaba gestationeerd. Ik beklede deze functie zes maanden. Dit gebied kende ik goed uit de tijd, dat ik nog als visser en jager actief was. De werkzaamheden waren ongeveer hetzelfde als in Kimaam.

 

DE ASMAT PERIODE.

 

Na de verdwijning van de zoon van Rockefeller in het Asmat gebied, werd ik als detachementcommandant in de hoofdplaats Agats gestationeerd. Deze positie was zeer interessant. De bevolking was nog actief met koppensnellen en kannibalisme. Zelfs het Japanse leger was niet in staat geweest dit gebied binnen te dringen.

Het Asmat gebied werd gevormd door de kuststreek die gelegen is tussen de Digoel-rivier en de grens met Kaimana, die gemarkeerd werd door de Tjemara rivier. Dit gebied eindigde ongeveer honderd á honderdvijftig kilometer landinwaarts. De gebiedsgrenzen waren moeilijk vast te stellen. Meestal werden deze grenzen door het taal- of stamgebied bepaald.

Deze regel ging niet altijd op, omdat de jachtgebieden vaak veel omvangrijker waren.

De rivieren in zo’n gebied waren over het algemeen meer dan honderd kilometer in lengte en hun oorsprong lag veelal in het achterliggende bergland. Wat als een klein beekje ontsprong eindigde aan de kust in een kilometerbrede monding. Het verschil tussen eb en vloed was ongeveer zes tot acht meter. Dit verschil beïnvloedde de stroming van het water in de rivieren enorm. Aan de kust bedroeg het verschil van de vloedlijn bij eb en vloed op verschillende plaatsen een á twee kilometer zee inwaarts.

 

Na aanstelling en stationering in het Asmat gebied stelde ik mij ten doel het gebied, de mensen en hun taal, goed te leren. Het Asmat gebied is voor vreemden een gevaarlijke omgeving. De bewoners van Agats waren bekend met buitenlanders en de Nederlandse overheid. In Agats zelf werd er dan ook geen koppen gesneld of mensenvlees gegeten. De autochtone bevolking liep er wel naakt rond. De mannen wilden wel eens een peniskoker dragen, die middels touwtjes achterlangs de balzak en halverwege hun lijf om het middel werd gehangen. Jongens liepen naakt rond totdat zij geïnitieerd waren. Het dragen van een peniskoker was geen vaste regel. Het had soms de functie van “deftig gekleed gaan”. Vrouwen (jonge meisjes) droegen pas een rietenrok als zij ongesteld waren geworden en dus geslachtsrijp waren. De rieten rok werd om het middel gedragen. De uiteinden van de rok werd vanaf de voorzijde tussen de benen door achter in de band om het middel gestoken.

 

De stadskern zelf werd bewoond door de allochtonen. Het bestuur, de politie en kerkgenootschappen hadden daar hun zetel. Het politiedetachement bestond uit tachtig tot honderd politieagenten, waar ik de commandant van was. De behuizing was, net als in andere tropische landen, een kazerne. Aanvankelijk was er geen elektriciteit. Ongeveer een jaar na mijn komst werd een stroomaggregaat geleverd, die heel Agats van stroom kon voorzien. De aanleg van het elektriciteitsnet werd onder andere door mij verzorgd. Het bestuur bestond uit andere delen van Nieuw Guinea en uit Nederland afkomstige allochtonen.

Aan het hoofd stond het Hoofd van Plaatselijk Bestuur (H.P.B). Deze functionaris was altijd een Nederlander, die in Nederland een academische studie had voltooid. Het H.P.B. was tevens rechter in civiele- en strafzaken. Als het H.P.B. afwezig was, werd de politiecommandant theoretisch verantwoordelijk voor het nemen bestuurlijke beslissingen. Als de politiecommandant afwezig was, dan was het H.P.B. verantwoordelijk voor het functioneren van de politie. Deze functies werden onderling in goede harmonie en overleg uitgeoefend. Ook aanwezig in het gebied waren een Nederlandse katholieke missie en een protestantse missie bestaande uit Amerikanen van de C.A.M.A. Op geneeskundig gebied was een, door de katholieke nonnen beheerde, kliniek operationeel. Regelmatig kwam een arts of tandarts in het Asmat gebied op bezoek om de noodzakelijke geneeskundige tandheelkundige hulp te bieden. Geregeld werden dan ook besprekingen gevoerd en kennis uitgewisseld over de door ons bezochte gebieden in de Asmat. De verhoudingen onderling waren zeer goed. De overheid onderhield een noodverbinding met de buitenwereld door gebruikmaking van kleine watervliegtuigen (“Beavers”) van de “Kroonduif”. In bijzondere gevallen was de in het Asmat gebied werkzame NNGPM (een oliemaatschappij) met haar “Catalina” watervliegtuigen en helikopters bereid het vervoer te verzorgen. De helikopters werden wel eens voor vleesvoorziening gebruikt. Een jager zat dan, vastgebonden op een zogenaamde vlonder, buiten de cockpit. Het was even wennen, maar de angst verdween snel bij het zien van het wild.

Na mijn aanstelling heb ik mij omringd met Indonesisch sprekende Asmat bewoners die de Asmat taal en gewoonten goed kenden om mij over alles, maar vooral de gewoonten van de autochtone bevolking, te informeren. Daarnaast heb ik de agenten opgeleid om goed samen te werken. Wij huldigden het principe: “Een voor allen, allen voor een”. Dagelijks werden er stormbaan oefeningen gedaan. Drie keer per week waren er schietoefeningen. Technieken, die ik uit het VPTL-boekje had geleerd werden toegepast. Er waren drie maanden besteed aan het drillen van het

politiepersoneel. Ondanks dat wij in de “bush” leefden werd er veel aandacht besteed aan kleding en discipline. Uitvoering van dienstroosters en opvolging ervan. Het correct lopen van de bewakingsdiensten, enzovoorts., werd streng gecontroleerd.

Ondertussen “dook” ik in alle aanwezige rapportages over het Asmat gebied.

Aanvullende informatie kreeg ik van de selecte groep van politie en burger Asmat informanten. Een bezoek van een politiepatrouille, onder leiding van twee commissarissen van politie, aan het dorp Otjenèp gelegen aan de Casuarinen kust

liep uit op een fiasco. Het doel van de patrouille was uit te zoeken wat er met Rockefeller Jr. was gebeurd. Hij was in het gebied als vermist en waarschijnlijk dood opgegeven.

Deze patrouille werd door, naar schatting vijfduizend of méér strijders van de Casuarinen kust in het dorp Otjenèp opgewacht om vervolgens met een regen van pijlen en speren te zijn bestookt. Om bloedvergieten te voorkomen heeft de patrouille zich teruggetrokken. Hierdoor liep het onderzoek stuk. Uit latere ontvangen informatie bleek, dat de bevolkingsgroep, bestaande uit bewoners van alle dorpen langs de Casuarinenkust, zich “superieur” achtte en geen politiepatrouilles meer tot hun woongebieden toestonden. Ook vernam ik van Asmat informanten, dat de zoon van Rockefeller niet in het gebied van de Eilandenrivier door krokodillen was opgegeten. Men vermoedde dat Rockenfeller jr., door toevallig tegen het lijf gelopen Otjenèppers werd ontvoerd en mogelijk in het dorp Otjenèp werd vermoord, onthoofd (ge-koesbassakam) en opgegeten.

Na drie maanden besloot ik het Asmat gebied te verkennen. Voor deze tocht selecteerde ik tien politieagenten die goed met vuurwapens konden omgaan en bovenal bereid waren ten koste van alles het dorp Otjenèp weer onder het bestuurlijke gezag te brengen. Zodra wij een politiepatrouilleboot voor een routinepatrouille ter beschikking kregen, besloot ik in Otjenèp poolshoogte te gaan nemen. Vroeg in de ochtend vertrokken wij in de richting van de Casuarinenkust . De reis ging via de Asmatrivier, de Eilandenrivier (waar de zoon van Rockenfeller mogelijk zou zijn vermoord) en verder over zee naar de Casuarinenkust. Enkele mijlen voor de riviermonding van het dorp Otjenèp werd het anker uitgegooid. Ik selecteerde vier agenten die met mij het dorp Otjenèp zouden bezoeken. De overige agenten bleven aan boord. Ik gaf de kapitein (Joeragan) van het schip opdracht, dat indien ik voor donker niet teruggekeerd was, hij via de boordradio de politiecommandopost te Merauke moest alarmeren. De afstand tussen Merauke en Otjenèp was ongeveer drie honderd mijl. Na ons plan te hebben doorgenomen en de wapens en munitie te hebben gecontroleerd, vertrokken wij omstreeks 04:00 uur per, door ons meegesleepte, uitgeholde boomstam (prauw) in de richting van de riviermonding. Roeiend zouden wij ruim een uur nodig hebben om het dorp Otjenèp te bereiken. Zonder dat wij iemand tegenkwamen waren wij, omstreeks 06:15 uur, het dorp op twee honderd meter genaderd. Wij hoorden bij het naderen van Otjenèp het ritmisch slaan op trommen (tifa’s). Aan de hand van het ritme kon agent Pakanamtjis bepalen dat de Otjenèppers een oorlog of overval aan het voorbereiden waren. Bij het krieken van de dag, zagen wij, dat de bevolking van Otjenèp zich in “oorlogstenue” had uitgedost en dat er geen vrouwen en kinderen in het dorp aanwezig waren. Geregeld werd er door de Asmat krijgers in alle richtingen met pijlen geschoten. Hieruit trokken wij de conclusie dat zij onze aanwezigheid niet hadden opgemerkt.

Echter, toen het licht werd veranderde de situatie en werd deze veel spannender. Enkele keren werden er in onze richting pijlen afgeschoten door, naar wij achteraf taxeerden, tussen vijf duizend en zes duizend krijgers.

Kennelijk had zowat de gehele mannelijke bevolking van de Casuarinenkust zich bij elkaar verzameld. Als een wolk kwamen de pijlen in onze richting. Wij hadden echter niet de indruk dat de krijgers onze aanwezigheid en onze positie wisten. Terugtrekken, had onze dood kunnen betekenen. Het was dag en ons vertrek had niet onopgemerkt kunnen plaatsvinden. Vanwege hun terreinkennis waren de Otjenèppers in het voordeel. Zij konden ons namelijk via hun sluiproutes gemakkelijk insluiten. Wij besloten onze uitgeholde boomstam achter oude achtergelaten en half onder water verdwenen boomstammen in een sagobosje te verbergen. Dit bosje lag op circa dertig meter afstand van de rand van het dorp. Via de rivier was ons zicht op het dorp volkomen vrij. Dit gaf ons de mogelijkheid om de situatie goed te overzien. Wij konden in onze directe omgeving dan ook niets verdachts waarnemen. Wij plaatsten onze doorgeladen wapens binnen handbereik in de uitgeholde boomstam, terwijl wijzelf tot over ons middel in water stonden en ons achter onze boomstam schuil hielden. Ik was blij dat onze groep maar vijf man sterk was. Een grotere patrouille zou meer geluid hebben veroorzaakt. Terwijl het aantal agenten, tegenover de overmacht die wij aantroffen, weinig uitmaakte. Als er zich een geschikte kans presenteerde, zouden wij ons terugtrekken. Door de manier waarop de Otjenèp krijgers met hun pijl en boog om zich heen schoten, hadden wij het vermoeden dat zij ons nog steeds niet hadden opgemerkt. Onderons was de spanning en de angst te snijden. Als een en twintig jarige commandant, werd ik geacht geen angst tonen. De agenten had ik zelf getraind en zij vertrouwden mij blindelings. Ik voelde mij verantwoordelijk als het tot een schietpartij zou komen. Wij waren aanzienlijk in de minderheid en bovendien had ik agenten bij mij die vrouwen en kinderen hadden. In de loop van de ochtend zagen wij dat er ongeveer zeven groepen Otjenèp krijgers werden gevormd. Deze groepen kwamen overeen met de zeven clans, die dit dorp telde. Bij elke groep waren er twee en soms drie “hoofdmannen”. Dit was te zien aan de manier waarop ze waren uitgedost. Volgens de verhalen waren deze hoofdmannen de krijgers met ervaring op gebied van het overvallen van dorpen en snellen van koppen. Ik besloot dat, in het uiterste geval, ieder lid van onze patrouille met enkele salvo’s de opperhoofden zou neerschieten. Tevoren bepaalde ik wie van ons welke opperhoofden voor zijn rekening zou nemen. Ikzelf zou het sein geven als er geschoten mocht worden. Wat mij betrof zou dit niet éérder gebeuren totdat de Otjenèp krijgers ons tot tien of twintig meter waren genaderd. Na de salvo’s zouden wij, in de verwarring die zou ontstaan, naar het dorp rennen en vervolgens zoveel mogelijk huizen in brand steken. Wij bevonden ons onder de windrichting, waardoor de geluiden die wij eventueel maakten niet direct gehoord konden worden.

Indien nodig, zouden wij ons, op een van te voren afgesproken teken van mij, onmiddellijk terugtrekken naar onze uitgeholde boomstam en naar onze patrouilleboot varen. Een dergelijk scenario had ik aan boord van onze patrouilleboot al doorgenomen. Het was een beslissing, die ik nooit zal vergeten.

Persoonlijk had ik zeker al tienmaal eerder besloten om tot schieten over te gaan. Elke keer veranderde de situatie en elke keer hoopte ik, dat alles met een sisser zou aflopen. De tijd drong, omdat wij, als het lukte, ten minste voor donker aan boord terug moesten zijn. Wij stonden, zonder iets gegeten of gedronken te hebben en onder een intense spanning, inmiddels ruim twaalf uur in het water. Omstreeks vier uur of iets later roeiden enkele vrouwen uit het schuildorp in onze richting. Hun geschreeuw zorgde ervoor, dat de hele “meute” onze richting uitkwam. Toen de krijgers met kalk begonnen te gooien (om zichzelf onzichtbaar voor de vijand te maken) was voor mij de tijd gekomen om het bevel te geven het vuur te openen. Kalm en weloverwogen gaf ik het seintje, dat ik het vuur ging openen. De rest van de patrouille legden aan. Ik drukte iedereen op het hart, dat zij de juiste opperhoofden in het vizier moesten hebben. Als de operatie mislukte dan zou het onze dood betekenen. Ik schoot toen de door mij geselecteerde opperhoofden die op nog geen vijftien meter van mij verwijderd waren, in drie salvo’s van drie á vier schoten uit mijn pistoolmitrailleur neer. Direct volgden de salvo’s van de andere vier agenten. Wij zagen mensen vallen. Wij stormden vervolgens al vurend het dorp in en staken huizen in brand. In de kortst mogelijke tijd stond, mede door hulp van de wind, het halve dorp in brand. De krijgers vluchtten, maar niet eerder dan nadat ook zij onze schoten met een pijlenregen hadden beantwoord, in het aan de rand van het dorp bevindende bos. Van deze gelegenheid hebben wij gebruik gemaakt om ons met onze uitgeholde boomstam uit de voeten te maken. Ik verzorgde met mijn Pistool Mitrailleur voor de dekking, terwijl de andere vier politieagenten voor hun leven naar de monding van de rivier roeiden. De kapitein (juragan) van onze boot had, conform de afspraak, onze afwezigheid al aan de commandopost in Merauke doorgegeven. De patrouilleboot kwam in onze richting varen en trok ons snel aan boord. Ik besloot direct naar Agats terug te varen en daar op assistentie te wachten. Bij het aan boord gaan stonden de agenten te schreeuwen en huilen van geluk. De onderdrukte spanning kwam tot een hoogtepunt en leidde tot een uitbarsting. Als commandant kon ik mijn emoties niet de vrije loop laten gaan. Neem gerust van mij aan dat ik ook bang was geweest en de ontlading bij mij pas in de kazerne te Agats kwam. Na verslag te hebben uitgebracht aan politiecommandant van de provincie Zuid Nieuw Guinea te Merauke en het H.P.B. te Agats, heb ik mij in de kazerne teruggetrokken met een fles jenever.

Drie dagen hierna arriveerde per patrouilleboot een politiepatrouille met een sterkte van ongeveer twintig tot de tanden gewapende agenten onder leiding van een commissaris van politie. Na onze strategie te hebben doorgesproken vertokken wij,

versterkt met nog 10 agenten van het detachement Agats, wederom naar het dorp Otjenèp. Wij arriveerden tegen het aanbreken van de dag. Na inscheping in de door ons meegenomen bootjes roeiden wij de honderden meters naar het dorp via een kronkel riviertje dat stroomopwaarts lag. Bij nadering van het dorp verspreiden wij ons langs de rivierbedding, maakten een omtrekkende beweging om het dorp en trokken het, van de rivier afgekeerde zijde, binnen. In het dorp troffen wij geen levende bewoners aan.

De negentien lichamen, van de overleden dorpshoofden en enkele andere krijgers als gevolg van het vuurgevecht, werden door ons geborgen om hen later aan de bevolking terug te geven. Terwijl de uit Merauke overgekomen politiemacht in Otjenèp bleef, vertrok de tien man sterke politiepatrouille van het detachement Agats onder mijn leiding naar de schuildorpen van de bevolking van Otjenèp. Na uren gelopen te hebben troffen wij de eerste tekenen van leven aan. Enkele vrouwen en kinderen sloten wij in. Een viertal van hen lieten wij weer vrij met de opdracht de krijgers uit Otjenèp over te halen ongewapend naar het schuildorp terug te keren, om met het bestuur de gebeurtenis te bespreken en tot een overeenkomst te komen. Wij wisten dat de mannen, die zich in de nabijheid van het schuildorp bevonden, als deze het nodig vonden hun vastgehouden vrouwen en kinderen zouden bevrijden en verdedigen. Binnen een uur hadden wij contact met enkele ongewapende krijgers. Wij bespraken de schietpartij en ik verklaarde me bereid, nadat het grootste deel van de krijgers ongewapend naar het schuildorp waren teruggekeerd, tot een afkoopregeling. De betaling bestond uit de door ons medegenomen kralen, spiegels, kapmessen, bijlen en tabak. De afkoopregeling was ter compensatie van het hun aangedane leed en de verwoesting van hun woningen. Omstreeks drie uur in de middag was er een respectabel aantal krijgers, vrouwen en kinderen aanwezig in het door ons bezochte schuildorp. Om onze kracht te demonstreren schoten wij met Mauser geweren enkele trossen kokosnoten (klappers) uit de bomen. Daarna verzochten wij het opperhoofd om circa één dozijn schilden achter elkaar te plaatsen. Vervolgens verzochten wij het stamhoofd, met pijl en boog vanaf een afstand die hij verkoos, op de schilden te schieten. Deze stamhoofd slaagde er niet in een schild te doorboren. Een van de politieagenten kreeg daarna dezelfde opdracht. Vanaf vijftig meter schoot de agent met zijn Mauser geweer (Amman-tjes) op de schilden. Het resultaat was, zoals verwacht, dat de kogel alle vijftien opgestelde schilden doorboorden, waarvan er verschillende zelfs openspleten. Deze demonstratie maakte op de groep Asmat krijgers enorme indruk. Immers zij hadden een knal gehoord maar geen kogel zien gaan, terwijl toch alle schilden werden doorboord en waarvan enkelen ervan dus zelfs openspleten. Na het leed en hun verlies aan de krijgers afgekocht te hebben met bijlen, enzovoorts beloofden wij na enkele dagen terug te komen om de bevolking te helpen bij het herbouwen van de verbrande woningen. Ik werd “gebombardeerd” tot medeopperhoofd van Otjenèp. Omdat ik de namen van de door mij omvergeschoten opperhoofden wist te noemen zijn hun zielen, naar de Asmat gewoontes, in mij overgegaan. Ik nam daarmee hun taken over en was verder veilig in hun gebied. Ik kreeg de Asmat naam : Jokmen Jepits , wat evenveel betekende als gevaarlijke of boze man. Deze naam straalde kennelijk ook gezag uit. Nadat wij diezelfde dag terugkeerden en de gedurende de daarop volgende dagen aan alle formaliteiten en rapportages hadden voldaan en doorgepraat, vertrokken wij twee weken later voor onze volgende politiepatrouille naar Otjenèp.

Ons verblijf verliep zonder problemen en we werden zelfs als helden binnengehaald. Het heeft een maand geduurd voordat de situatie genormaliseerd was en de verbrande woningen weer waren opgebouwd.

 

Het feit dat ik een opperhoofd (jokmen jepits) was heeft de politie vele voordelen gebracht. Ik was één van hen en had daardoor ook het recht om bij alle geheime bijeenkomsten aanwezig te zijn. Ik leerde hoe de strategische plaatsing van de mannenhuizen (jeu’s) werd bepaald. In deze mannenhuizen werden alle plannen die betrekking hadden op de bevolking voorbereid en besproken. De plannen hadden betrekking op te voeren oorlogen, het maken van wapens, het bouwen van vervoermiddelen (in de vorm van uigeholde boomstammen), de initiatie van de jongens die dan de status van man kregen, de feesten, koppensnellen, ontvoeringen van kinderen en vrouwen uit andere dorpen, enzovoorts. Een mannenhuis (jeu) was op ongeveer twee meter hoge palen gebouwd en het had aan de voorzijde, afhankelijk van de lengte ervan, twee of meerdere in- en uitgangen. Als er meerdere mannenhuizen in het dorp waren (het aantal was afhankelijk van de hoeveelheid clans), dan werd één mannenhuis aan de ingang van het dorp gebouwd. Het tweede mannenhuis was tevens het laatste huis in het dorp, terwijl tussen de andere huizen in en grenzend aan de bosranden de andere mannenhuizen stonden. De in- en uitgangen werden voorzien van een loopstok met inkepingen of een stam met daarop gebonden stukjes hout Dit is vergelijkbaar met de loopplank van een schip.

S’-avonds kon men deze planken innemen. Het mannenhuis werd in hoofdzaak bewoond door mannen. Er bevonden zich verschillende vuurplaatsen. Op een uit palen bestaande houten bodem werd een dikke laag modder aangebracht. Op deze laag kon men zonder gevaar voor brand een vuur aanmaken. Het vuur gebruikte men om het voedsel klaar te maken, zich bij kou te verwarmen, en als verlichting. Deze vuurhaarden werden, indien nodig, met vochtige bladeren bedekt waardoor een enorme rookontwikkeling ontstond. Deze rook vrijwaarde de bewoners van het mannenhuis van muskietensteken. Bij deze vuurplaatsen waren tevens palen aangebracht waaraan de schedels van hun overleden opperhoofden werden bevestigd. Deze schedels waren ongeschonden. De eigenaren ervan werden na hun dood in een bast gewikkeld en voor hun mannenhuis op een stelling geplaatst, waar zij bleven totdat zij helemaal verteerd waren en niet meer stonken. Als sluitstuk werden de schedels met as gepoetst. Deze kregen dan een plaats waardig voor een opperhoofd aan een paal bij de vuurplaats in het mannenhuis. Op sommige momenten gebruikte de familie van zo’n overledene, de schedel wel eens als nekkussen tijdens het slapen. De overige botten werden op een, voor de bevolking, “heilige plaats” onder een boom gelegd. Een tweede paal bij de vuurplaats in het mannenhuis hing vol met schedels van gekoppensnelde mensen. Deze laatste groep schedels was te herkennen aan het opengewerkte slaapbeen. Via deze openingen werd de inhoud van de schedel verwijderd. Als ook deze schedels ontdaan waren van alles wat maar kon rotten, werden ze op dezelfde manier opgehangen als de schedels van hun opperhoofden.

Deze schedels dienden nooit als nekkussens. Het waren trofeeën die men tijdens het vertellen van oorlogsverhalen opnieuw bekeek. In woord en gebaar werd verteld op welke wijze het opperhoofd zo’n vijand besloop om hem tenslotte te vermoorden. Waar hij de persoon met zijn pijl en boog of speer trof. Het gebaar dat de verteller gebruikte ter verduidelijking van zijn daad was als volgt:

Hij demonstreerde met een gebaar hoe hij zijn pijl en boog spande, richtte, de pijl afschoot (de verteller maakte dan met duim en middelvinger een knippend geluid).

Als de pijl het lichaam van de vijand trof dan werd er met de rechter of linkerhand een vuist gemaakt en bij de plek van inslag werd de gebalde vuist met de duimzijde tegen de inslagplaats getikt waardoor een licht geluid ontstond. Hoe de vijand vervolgens reageerde werd dan ook uitgebreid uitgebeeld. De duur van het lijden of de lengte waarover een afstand werd afgelegd werd kenbaar gemaakt door met de rechterhand een vuist te maken met de duimzijde naar boven. Daarop werd met de andere hand ritmisch getikt. Hoe langer dit gebaar duurde, hoe langer het lijden duurde of hoe verder de afgelegde afstand was. Hoe men de vijand de keel doorsneed werd ook uitgebeeld. Dit gebeurde met een bamboemes. Het mesje werd vervaardigd van de huid van een bamboestam. De buitenkant was heel hard van structuur. Een stuk van circa twintig centimeter van deze bast werd dun- en vrijmaakt. Het ontstane voorwerp, had de eigenschappen van een mes. De gewonde vijand werd vervolgens eerst naar het dorp van zijn opponent overgebracht. Daar werd hem, terwijl hij zat of lag de keel doorgesneden. Tijdens deze procedure werd gevraagd tot welke clan hij behoorde, hoe hij heette en uit welke gemeenschap hij afkomstig was. Gek genoeg gaf degene die dit allemaal onderging soms roggelend nog antwoord, niet tegenstaande dat hij wist dat hij even later onthoofd zou worden. Zodra alle informatie bekend was werd de volgende fase van het koppensnellen ingeluid. Men sneed (met een zaagbeweging) dan werkelijk diep in de keel en nek. Tenslotte werd met een flinke draai aan het hoofd een nekwervel gebroken en daarmee was het gebeurd met de vijand. Indien de gewonde vijand op de plaats waar het gevecht plaatsvond dreigde dood te gaan, dan vond het ritueel daar plaats. Men was er stellig van overtuigd, dat met de verkregen informatie na de dood van de vijand, zijn ziel over zou gaan in de ziel van diegene door wie hij was gekoppensneld. Als de koppensneller zich naar het dorp van de gekopsnelde vijand begaf en hij de hem verkregen informatie bekend maakte, dan was hij van alle gevaar gevrijwaard en werd hij door de familie als familielid beschouwd. Immers men geloofde dat de ziel in de dader was overgegaan. De botten van het dijbeen met heupgewricht werd omgebouwd tot een steekwapen met een bloedgeul. De ronde heupkogel werd versierd met een net waaraan kralen werden gehangen. Het dijbeen zelf werd op circa dertig centimeter lengte voorzien van een scherpe punt. De lege holte onder de punt, waar aanvankelijk het merg in zat, diende als bloedgeul. Het steekwapen werd met een bamboeband om de opperarm bevestigd. Het werd gedragen tijdens het feesten en koppensnellen. In geval van oorlog droeg elke krijger twee van deze steekwapens. Deze steekwapens werden ook van het opperbeen van de kasuaris loopvogel gemaakt. De overige beenderen van de gedode vijand werden weggegooid.

Het vlees werd in stukken gesneden en verdeeld. Het snijden gebeurde met het bamboemes of met de scherpe zijde van een schelp. Ondertussen werd een vuur aangemaakt. Men nam een stuk hard hout, waarin men een putje met een klap van een stenen bijl maakte. Daarna werd een tak met een middenlijn van ongeveer één á drie centimeter en een lengte van circa dertig centimeter gehaald. Daaraan werd een punt gemaakt. Nadat men het “houtwol” van het stuk hout met een schelp had geschraapt werd de tak met de punt in het putje in de balk geplaatst. Door draaiende bewegingen, die men met de punt in het putje in de balk met de puntige stok draaide, ontstond er tussen deze stok en het putje in de balk zoveel wrijving, dat er warmte en vervolgens een sprankje vuur ontstond. Direct werd deze minuscule vuurhaard bedekt met het geschraapte houtwol. Door erop te blazen werd de vuurhaard vergroot. Na toevoeging van eerst takken en daarna stukken hout ontstond er een enorme vuurhaard. Het hele proces nam ongeveer vijf of tien minuten in beslag. Daarna werd op de feestplaats een groot gat in de grond gegraven. Dit gat werd met hout gevuld en werd in brand gestoken. Op dit hout werden stenen geplaatst. Zodra de stenen roodgloeiend waren, werd het mensenvlees erop gelegd en met bladeren afgedekt. Daarop werd weer aantal gloeiende stenen geplaatst. Zodra het vlees gaar was nam elke dorpsbewoner zijn deel en werd het, onder het vertellen van hun oorlogsfeiten, opgegeten. Zoals eerder vermeld werd het koppensnellen, de berovingen, de feesten enzovoorts bedacht en ontwikkeld in de mannenhuizen.

                                                

De Asmat krijger ging niet zomaar kopsnellen of oorlogvoeren. De reden van een koppensnelpartij was meestal een oude en niet goed afgekochte regeling tijdens een vorig wapenfeit. Een andere reden was vrouwen en kinderen uit een ander dorp of andere streek te roven om het tekort, vooral van vrouwen, in de eigen gemeenschap aan te vullen. Indien in een gevecht een vijand werd verwond, of men meende iemand te herkennen met wie men nog iets te vereffenen had, dan werd deze persoon gevangen genomen en meegenomen om uiteindelijk de kop te worden gesneld en te worden opgegeten. Gedurende de perioden van een tekort aan vrouwen gedroegen de in het mannenhuis verblijvende niet gehuwde mannen en jongelingen zich als homoseksuelen. Tijdens feesten en met name een “geestenfeest”, waarbij enkele mannen zich in daarvoor geknoopte kleding als geest verkleden, werden de dorpelingen op het hoogtepunt van zo’n feest opgezweept door tromgeroffel. De vrouwen uit het dorp werden ”bang” en vluchten vervolgens de bossen in, gevolgd door de “tijdelijke homoseksuele” mannen. De vrouwen werden dan in de bossen door de mannen overrompeld, waarna met hen de geslachtsdaad werd gepleegd. Ook bij bezoeken van vreemdelingen werd er na hun vertrek op grote schaal de geslachtsdaad gepleegd, waarbij al te vaak de vrouwen uit het dorp een willekeurige partner namen. Dit gebeuren noemt men “papish bombari” en dient om door vreemden meegenomen geesten en ziekten te verdrijven.

Zulke gebeurtenissen hadden een vierledig doel. Ten eerste kwamen de niet gehuwden “legaal” aan hun trekken. Ten tweede voorkwam het inteelt. Ten derde kwamen de vrouwen van opperhoofden (elke hoofdman had afhankelijk van het aantal koppen die hij had gesneld , eenzelfde aantal vrouwen), ook aan hun seksuele trekken. Ten slotte konden de mannen van de overrompelde vrouwen (de opperhoofden) zonder gezichtverlies verder gaan met hun leven. Seksueel contact buiten deze “geesten verdrijf feesten”, kunnen vanwege gezichtverlies van de betreffende mannen, zware mishandelingen en zelfs moordpartijen tot gevolg hebben. Ongeveer negen maanden later was er een geboortegolf.

 

Over het algemeen bevielen de vrouwen

nooit thuis. Ik vermoed dat daar te weinig privacy voor was. De woningen hadden geen kamerindeling. Iedere bewoner liep zonder aankondiging in en uit. De vrouwen die moesten baren verlieten, soms vergezeld van een oudere vrouw (moeder of andere bekende), in een uitgeholde boomstam het dorp en roeiden naar een zijtak van een rivier waar over het algemeen weinig of geen verkeer was. Vaak leek het, alsof bepaalde rivierarmen speciaal werden gebruikt door vrouwen die moesten bevallen. Daar aangekomen, stapte de vrouw op de wal in afwachting van de weeën Was de tijd daar, dan stapte ze het water in totdat haar onderbuik er net in verdween, daarna kon het baren beginnen. In de meeste gevallen werd het kind heel snel ter wereld gebracht, want over het algemeen hadden vrouwen geen probleem met kinderen baren. Zij beschikten daarvoor over goed ontwikkelde spieren en hadden daar een geweldige controle over. Tot het moment van baren waren ze met alle gewone dagelijkse werkzaamheden bezig. Ze roeiden zelf naar de plaats waar haar kind ter wereld zou komen. Indien ze slechts één kind baarde, dan was het voor haar een zegen. Baarde zij meer als een kind, dan stond zij voor een moeilijke taak. Deze primitieve mensen geloofden dat het tweede kind door een “geest” was

verwekt en moest dan verdwijnen en werd onmiddellijk gedood. Als de geborenen twee jongens waren, dan moest ze op het oog (misschien ook met haar hart) kiezen, wie ze zal behouden. De op het oog zwakste baby werd dan door de moeder bij de benen gepakt en met het hoofd tegen een boom geslagen. Daarna werd het ter plaatse in het gras of in de bosjes weggegooid. Indien zij moest kiezen tussen een meisje of een jongen, dan was de keus niet moeilijk. Het meisje werd op eerder beschreven wijze uit de weg geruimd. Indien de moeder moeilijk van een kind afscheid kon nemen, dan probeert zij de pijn voor haar en het kind te verzachten door het in het water ondergedompeld te houden totdat ze zeker wist dat het kind dood was. Daarna werd het lichaampje van het kind weggegooid. De vrouw stapte daarna met het kind wat ze had behouden weer in de uitgeholde boomstam en peddelde huiswaarts. Misschien ging ze daarna met minder energie en kracht weer aan de slag, maar haar dagelijkse werkzaamheden vonden gewoon weer doorgang alsof er niets was voorgevallen.

Over het algemeen bepaalde de vader de naam van een jongen. Als het een meisje was dan kon moeder over de naam meebeslissen. Natuurlijk waren de ouders blij met hun kind. Men beschikte niet over een wieg of iets dat daarop leek. Het kind werd gewoon op “een nest” van gedroogde bladeren gelegd. Warmte kreeg het kind, doordat de moeder het tegen zich aan hield. Overigens was ook de vader en andere vrouwen uit het dorp bij de opvoeding van het kind betrokken. Als de moeder het huis verliet om te werken, dan werd het kind naakt in een gevlochten net gedaan wat de moeder om haar hoofd hing. Hierdoor kwam het kind op de rug van de moeder te hangen. De kinderen werden op natuurlijke wijze gevoed en kregen vaak tot het tweede jaar borstvoeding. De ouders hadden geen beperkingen met de manier van omgaan met hun kind. Als een ouder kind teveel huilde, dan werd het tot rust gebracht door te spelen met het geslachtsdeel door een van de ouders.

Deze manier van sussen van het kind werd door beide ouders gedaan. Men zag er ook geen kwaad in. Het gebeurde in het openbaar en zonder bijbedoelingen. Zij gingen ervan uit dat wat de ouders lekker vonden, het kind ook lekker vond. Deze manier van sussen van een kind werd gedaan tot het kind ongeveer twee jaar oud was. Het kwam voor dat als de moeder genoeg moedermelk produceerde, zij naast haar kind ook de biggetjes van haar zeug mee voedde. In het Asmat gebied en ook bij andere Papoea volkeren die in het bergland woonden, was de waarde van een varken zo hoog dat men er een vrouw voor kon kopen.

 

Als in het Asmat gebied een opperhoofd kwam te overlijden, dan werd hij in een mannenhuis opgebaard ter hoogte van de vuurplaats. Bij deze vuurplaats stonden de twee palen met schedels van de gekopsnelde vijanden en van de overleden opperhoofden. Naast het lichaam van het opgebaarde opperhoofd werden zijn pijlen, bogen en ander oorlogsmateriaal neergelegd. Mannen en vrouwen namen, ten teken van rouw, in de rivierbedding een modderbad waarbij zij van top tot teen onder de modder kwamen. Zij bleven in deze toestand totdat het opperhoofd in een omhulsel van boombast met bladeren op een takkenstellage (para-para) was geplaatst. Op deze stellage verteerde hij totaal. Dit verteringsproces kon maanden duren. Daarna werd, zoals eerder beschreven, zijn schedel met as gepoetst en bijgezet aan de paal bij de vuurplaats in zijn mannenhuis. De rest van zijn botten werden bij een, voor de bevolking, heilige boom geplaatst. Als een vrouw of ander lid van de bevolking kwam te overlijden, dan werd het lichaam in het huis en soms in het mannenhuis van de familie opgebaard. Zij die hun rouw wilden tonen, namen een modderbad. De met modder besmeurde lichamen en hoofden bleven in die staat totdat de rouwperiode achter de rug was. Deze periode kon voor iedereen anders zijn en soms één a twee weken duren. Intussen werd er op een willekeurige plaats in het dorp een gat gegraven. Het lijk werd onbedekt, en indien mogelijk nog vóór de avond in het gegraven gat geplaatst en met zand of modder bedekt. Daarna werd de plaats met bladeren gemarkeerd. Zodra de bladeren verteerd of weggetrapt waren, wist niemand meer waar het graf was en werd deze plaats weer onderdeel van de dorpsgrond.

 

Er werden in het Asmat gebied jaarlijks vele feesten gehouden. Ik zal sommige beschrijven.

Het totempalenfeest (bish-pok-m-boe) werd georganiseerd ter ere van de voorvaderen. Vanaf het kappen van de boomstam, waarbij de luchtwortels voldoende breed moesten zijn om er een beeld van te kunnen maken, totdat de paal van al het nodige houtsnijwerk was voorzien en het grote feest een aanvang kon nemen, werd er dagelijks enige uren gefeest. Meestal werden er een dozijn van deze totempalen gemaakt. Een totempaal stond als hij gereed is, ondersteboven. De brede wortels werden voorzien van houtsnijwerk en figuren. De bovenzijde van de stam deed dienst als onderkant.

 

Het prauwenfeest (tji pok-m-boe) begon op dezelfde wijze. Het feest begon bij het uitzoeken van een geschikte boom met de juiste lengte en omvang. Deze stam werd

dan met kalk gemarkeerd en van bladerkransen voorzien. Na het omgekapt te hebben werd het uiteindelijk naar het dorp getransporteerd en aan de waterkant, bij voorkeur onder een boom, geplaatst. Met een soort hakbijl, gemaakt van een aangescherpte steen die dwars was bevestigd aan een eind hout, begon men bij toerbeurt de stam uit te hollen. Afhankelijk van de lengte van de stam, duurde het uithakken wel drie á vier maanden. De boeg en achterzijde van dit vaartuig werden gemaakt als de stam was uitgehold en verfraaid met een beeltenis en houtsnijwerk. Om de uitgeholde stam waterdicht te maken en enigszins te conserveren, werden de binnen- en buitenkant van de stam met vuur (aangebrand) bewerkt. Het vocht trok dan uit het hout, waardoor het ontstaan van barsten kon worden voorkomen. Meestal bouwde men zes tot tien van deze vaartuigen tegelijk. Elk vaartuig moest plaats kunnen bieden aan tien tot twintig staande roeiers.

 

Het maken van pijlen en bogen (aman- tjes- pok-m-boe). De bogen werden gemaakt van de bamboestam. De breedste kant (het midden van de boog) was ongeveer vijf tot zeven centimeter breed. De lengte van de boog bedroeg ongeveer één meter zestig tot één meter tachtig. De snaar, die de twee uiteinden van de boog verbond, werd van de huid van een bamboestam gemaakt. Wanneer de snaar de twee uiteinden verbond was de boog zeker een meter zestig hoog. De boog was nu gereed voor gebruik. De pijlen werden gemaakt van gedroogde rietstengels. Deze stengels werden boven een vuurtje verwarmd en vervolgens rechtgebogen. Op de stengels werd dan een pijlmunt aangebracht. Deze punt kon bestaan uit een stuk bamboe met een breedte van twee á drie centimeter. De lengte van deze punt was circa twintig centimeter. Een aangescherpte bamboepunt kende geen weerhaken en werd meestal gebruikt voor de jacht. De holte onder de bamboepunt kon door haar vorm het bloed van het geschoten dier sneller doen afvloeien. Voor gevechten tegen andere stammen gebruikte men een pijlpunt van hardhout. Meestal werd hiervoor de stam van een palmsoort (die in Indië bekend staat als de pinangpalm) gebruikt. De lengte ervan is eveneens circa twintig centimeter. Deze punt werd aan beide zijden voorzien van weerhaken, waardoor de pijl na het binnendringen van het lichaam, dit alleen in een richting kon verlaten. De pijl moest dan door het lichaam (of het lichaamsdeel) worden getrokken. Deze oorlogspijlpunten werden in de oorlogjes die men voerden soms voorzien van gif, om het uitschakelen van de vijand te versnellen.

Speren werden vervaardigd van hardhout, waaronder teak of ijzerhout. De speren waren aan de bovenkant van een speerpunt voorzien al dan niet met weerhaken, terwijl de onderkant een roeispaan was. Uiteraard bestonden er ook gewone speren. De lengte van de speren was tussen de één meter tachtig en twee meter. De speren waren meestal rijkelijk van houtsnijwerk voorzien.

 

Het maken van schilden was een zeer langdurige bezigheid. Na het vinden van een geschikte stam moest deze worden gespleten, waardoor het mogelijk werd meerdere schilden uit een stam te maken.

Men gebruikte voor de schilden niet al te hard hout om de kans dat het tijdens een gevecht zou splijten te verkleinen. Daarna werd het schild in model gemaakt. Een schild was ongeveer één meter veertig hoog

en vijftig á zestig centimeter breed. Aan de achterzijde werd het voorzien van een handgreep waardoor de vingers konden worden gestoken. Als het schild dik genoeg was begon men aan de voorkant figuren uit te kerven. Deze tekens hadden de vorm van non figuratieve diersoorten of symbolen die zij ook op “bishpalen” hadden aangebracht ter ere van hun voorouders. De decoraties besloegen het gehele schildoppervlak. Het uitkerven van de symbolen en figuren gebeurde in het mannenhuis. Zij gebruikten daarvoor snij- en krabinstrumenten van aangescherpte zeeschelpen. Het geheel werd afgewerkt met door het te beschilderen met de kleuren zwart, wit en rood. De samenstelling van de “verf” bestond uit roet, kalk van schelpen en roodkleur uit de mangrove boombast vermengt met mensenbloed.

 

Het huwelijk. Een Asmatter was niet erg monogaam. Door het veelvuldige tekort aan vrouwen was een man een deel van zijn leven vrijgezel. De hoofdmannen hadden afhankelijk van het aantal gesnelde koppen, hetzelfde aantal vrouwen. De tekorten werden snel aangevuld door roofpartijen op vrouwen en kinderen uit andere dorpen. Veel kinderen overleden op zeer jonge leeftijd. Elke beschikbare vrouw was daarom heel kostbaar. Zoals eerder vermeld liepen jongens en meisjes naakt rond. Zodra een meisje menstrueerde, werd zij geslachtsrijp en droeg zij een rietenrok. Om eigenaar van een vrouw te kunnen zijn moest er een huwelijksschat worden betaald. De inhoud van de huwelijksschat varieerde. Gewoonlijk bestond de schat uit pijlen, bogen, schilden, maar ook uit één of meerdere varkens. Nadat de schat overhandigd was werd het huwelijk voltrokken en werd er gefeest. Het hele dorp nam hieraan deel. De mannen dosten zich uit, door zich te beschilderen, met kleuren van dezelfde samenstelling als die van de schilden. Deze drie kleuren waren tevens de drie hoofdkleuren die de hele Papoea bevolking kende.

De gaten in oorlellen en door het neustussenschot werden versierd met botten of schelpen die in de vorm van een enorme krulsnor waren geslepen en die door het doorboorde neusschot werden geplaatst. Deze gaten werden op jonge leeftijd aangebracht door de oorlellen en het neustussenschot te doorboren met een scherp bot. De gaten werden groter gedurende de groei van het kind door er steeds grotere ronde, aangescherpte stukken hout in aan te brengen. Deze opgerekte openingen hadden uiteindelijk een diameter van anderhalf á twee centimeter. Om het hoofd droeg men band waar veren, bij voorkeur van de paradijsvogel, kroonduif of de kaketoe werden ingestoken. De mannen droegen dan een speciaal versierde en opvallend grote peniskoker. Het dansen gebeurde op het ritme van de trommen. Mannen en vrouwen staan in het begin op weg naar het dorpsplein, met tweeën tegenover elkaar en vormen een soort erehaag. Aan het einde van deze erehaag stonden de vrouwen naakt en wijdbeens. Het echtpaar, moest vervolgens eerst door de haag en vervolgens tussen de benen van de naakte vrouwen kruipen om op het feestplein te komen. Doel hiervan was de vruchtbaarheid te stimuleren. Mannen vormden vervolgens om de dansplaats een kring.

De vrouwen stonden achter de mannen. Het dansen bestonden uit het ritmisch bewegen van de benen. Wijdbeens staande werd met de armen gezwaaid terwijl de knieën op het ritme van de trommen, enigszins naar elkaar toe en weer naar buiten werden bewogen. Deze bewegingen waren gedurende de hele dans hetzelfde en kon tot de volgende ochtend voort duren. De gebruikte trommen (in de Molukken noemt men deze tifa’s) zijn verschillend van toonhoogte. Dit toonverschil werd bereikt door het leguanenvel, dat om het houtenframe van de trom was gespannen, te voorzien van stukken honing vermengd met kalk. Zodra deze substantie was opgedroogd kon op de trom worden geslagen. Het aantal bolletjes honing op het vel, bepaalde de toonhoogte van de trom.

 

De voorbereiding op een (schijn)oorlog tegen andere stammen.

Gemiddeld twee keer per jaar werd er in het dorp geoefend om aanvallen van indringers af te slaan. Mannen zorgden dagen tevoren dat hun wapens, zoals pijlen, bogen, schilden en bamboehulzen met kalk, in gereed werden gebracht. Op de dag van de “aanval” waren alle mannen in oorlogstenue uitgedost. Aan de armen droegen ze, zoals vermeld, steekwapens. In een hand droegen ze een boog met enige pijlen en het schild. De rechterhand was vrij om de boog te kunnen spannen en de pijlen op het pees aan te brengen. De lichamen waren totaal beschilderd en de hoofden waren voorzien van een vogelverentooi. Door het gat in hun neusschot waren beenderen gestoken. Het geheel zag er indrukwekkend en gevaarlijk uit. Elke hoofdman voerde de krijgers van zijn clan aan. De tromgeluiden zorgden ervoor dat het grimmig overkomt. De trommelgeluiden dienden ook om de krijgers op te zwepen. De krijgers werden in twee groepen verdeeld. De aanvallers trekken zich terug in het bos, terwijl de verdedigers in het dorp op strategische plaatsen staan opgesteld. Met een signaal gegeven via een snelhoorn, begon de oefening. Vrouwen en kinderen renden naar de schuildorpen, die kilometers landinwaarts in sagoplantages waren gelegen. Oude vrouwen stelden zich ongeveer twintig meter achter de verdedigers op. Hun taak was de afgeschoten pijlen te verzamelen en die bij de verdedigers aan te voeren. Zodra de aanval werd ingezet, ontstond er een commotie. Trommels werden in een bepaald ritme geslagen, terwijl de verdedigers en aanvallers elkaar met hun pijlen begonnen te beschieten. Uiteraard werd er bewust mis geschoten Om de tegenpartij het zicht te belemmeren werd er kalk uit bamboekokers gestrooid. Zodra men elkaar dicht was benaderd, werd op elkaar ingeslagen. Tijdens een dergelijke oefening was het normaal dat er gewonden vielen. Het ging er realistisch aan toe. Na de oefening keerde de rust weer. ‘s Avonds werd feest gevierd op de goede afloop en keerden de vrouwen en kinderen uit de schuildorpen terug.

 

Een soortgelijke oefening werd op het water gehouden met de uitgeholde boomstammen (prauwen). De krijgers zijn in oorlogstenue uitgedost. Elke boomstam werd bemand door een twintigtal krijgers. De krijgers stonden in de boomstam. De eerste krijger hield zijn gecombineerde speerroeispaan naar rechts, de tweede krijger naar links, enzovoorts.

De krijgers stonden met een halve meter tussenruimte achter elkaar. Pijlen, bogen en kalkvoorraden lagen tussen de benen van de roeiende krijgers. Het oefening begon door zo dicht mogelijk langs de beide oevers van de rivier te varen. Gedurende het roeien gingen de krijgers licht door de knieën, trapten naar voren tijdens de roeibeweging, en tegelijkertijd trokken zij hun roeispaan naar achter. Hierdoor bewogen de roeiers zich gelijktijdig. Door deze roeitechniek kunnen de uitgeholde boomstammen in een korte tijd (over honderden meters) snelheden bereiken van tien á vijftien kilometer per uur. Zodra er een groep naar het midden van de rivier roeide, was dit het teken dat de aanval werd ingezet. De verdedigers probeerden de aanvallende partij zo snel mogelijk in te sluiten door rondjes om de aanvaller te varen. Gedurende de steeds kleiner wordende kring, probeerden de krijgers zich in de meest voordelige positie te manoeuvreren voor de aanvang van het “gevecht”. Wanneer de krijgers elkaar dicht genoeg genaderd waren werd met kalk gestrooid waarna het schijngevecht onder luid geschreeuw werd uitgevochten. Met de speerkant van de roeispaan werd naar de tegenstander gestoken. Het kwam voor dat er tijdens de schijngevechten gewonden vielen. Terug in het dorp werden de oorlogsverrichtingen onder het nuttigen van het sap van een verdovende plant (wati) geëvalueerd.                                             Voor feesten of andere belangrijke gebeurtenissen werd er door een groep vrouwen uit het dorp een brouwsel gemaakt van de Watiplant ( wortels,stengels en bladeren), vermengt met sputum. Deze plant heeft, naar men zegt, een bedwelmende werking maar kan ook door het sap te drinken een geestverruimend effect hebben. De groep vrouwen vormden een kring, en elke vrouw nam een mond vol van de Watiplant en kauwde het fijn. De sappencombinatie van hun spuug en het vocht van de watiplant, werd, na zorgvuldig fijnkauwen, in een kokosnotennap uitgespuugd. Dit gebeurde net zo vaak, tot er voldoende gevulde nappen waren om de mannelijke bevolking van het elixer te voorzien. Daarna vormden de mannen, meestal in het mannenhuis, een kring. Gedurende het vertellen over hun belevenissen ging zo’n nap gevuld met het wati-elixer rond. Elke man nam een slok van het “drankje”. Dit ritueel ging net zolang door, totdat er geen drank meer was. De meeste mannen werden high. Voor anderen viel de drank verkeerd. Zij vielen dan languit op de vloer en sliepen hun roes uit.

 

NB. Watiplant was de benaming die de Marindstam in Zuid Nieuw Guinea gebruikte.

In het Asmat gebied had de plant een andere naam. Het resultaat was hetzelfde.

 

Door op een snelhoorn te blazen werd start van een koppensnelpartij, oorlog of andere speciale gebeurtenis aangekondigd. Deze hoorn werd gemaakt van een grote tritonschelp of van een stuk bamboestam. De punt van de schelp werd opengewerkt, en er werd een gat in gemaakt tot aan het breedste deel van de schelp. Van een stuk van de bamboestam, het gedeelte tussen twee schotten in, kon ook een snelhoorn worden gemaakt. Een schot werd geheel verwijderd. In het midden van het overgebleven schot werd een gat met diameter van ongeveer een á twee centimeter gemaakt. Bij beide hoorns werd op het mondstuk geblazen. Er ontstond een geluid dat vergelijkbaar is met dat van een (mist)hoorn. Dit aandacht signaal werd meerdere malen geblazen.

Het kwam voor dat tijdens de oefening één of meerdere strijders diepe, open wonden opliepen. Ik heb wel eens gezien, dat een strijder in de buikstreek werd verwond en dat zelfs zijn darmen zichtbaar waren. In dat geval werd de gapende wond bij elkaar gedrukt, er kwam as overeen en het geheel werd met een genezende bladsoort overdekt. Daarna werd alles met een gevlochten touw van een palmsoort bij elkaar gebonden. Deze “operatie” onderging het slachtoffer zonder een krimp te geven. Bij een bezoek, dat wij maanden later aan het dorp brachten was het slachtoffer genezen. Het is verbazingwekkend dat deze natuurmensen een zodanige hoge overlevingskans hebben. De echte gevechten vonden op dezelfde manier plaats.

Het is opmerkelijk dat deze oefeningen dezelfde basiseigenschappen hebben als bij de militaire oefeningen van “geciviliseerde volken”

Ook tactieken werden na het oorlogvoeren verbeterd of aangepast.

 

Hoewel in realiteit een dorp het andere dorp had overwonnen in een gevecht, werd er op den duur tussen de dorpen vrede gesloten. Dit kon alleen na forse onderhandelingen over en weer tot stand waren gekomen, en nadat de schade was bepaald en de vergoeding was voldaan. Meestal waren de geroofde kinderen volwassen en hadden de geroofde vrouwen kinderen van hun nieuwe echtgenoot. Tussen deze dorpen ontstond dan wel een vriendschappelijke band. Het betalen van de schadevergoeding vond plaats met varkens, pijlen, bogen, enzovoorts. Sinds het Nederlandse bestuur haar intrede heeft gedaan werden voor deze afkoopregelingen naast de gebruikelijke inheemse voorwerpen ook tabak en handbijlen en messen gebruikt. De beschreven voorvallen en/of koppensnelpartijen vonden overigens in 1954 en 1956 plaats. Het Nederlandse bestuur was toen al enige tientallen jaren in het gebied actief. Gedurende de vermelde periode werd er wel gekoppensneld, maar in veel mindere mate.

 

Tijdens het beschreven vuurgevecht, een gevolg van het onderzoek naar de mogelijke doodsoorzaak van Rockefeller Jr. in het dorp Otjenèp, (naar mijn mening was hij een Asmatslachtoffer), was één van de Otjenèp leiders, behalve vertrouweling van de Katholieke missie, ook aanvoerder van de “volksopstand”. Koppensnellen en het veroveren van een schedel is voor de Asmat mannen een hele eer. Per gesnelde kop kon men aan een éxtra vrouw komen en verwierf men aanzienlijke status.

Maanden na het vuurgevecht in Otjenèp, werd onze patrouille bij het voorbijvaren van het dorp Amanamkai, gelegen nabij de kruising tussen de

Asmat rivier en de Eilandenrivier, door ongeveer een veertigtal uitgeholde boomstammen omsingeld en ingesloten. Dat de groep oorloggezind was, bleek uit hun uitdossing. Wij vuurden met onze wapens enige waarschuwingssalvo’s, wat helaas geen enkel effect had. Wij besloten toen een doorbraak te forceren door met onze politieboot dwars over enkele prauwen te varen.

De krijgers schrokken van onze actie en bliezen de aftocht. Wij konden het niet bij deze actie houden daar wij bekend waren met de gewoonten van de Asmat krijgers. We besloten naar Amanamkai te varen. De bewoners en de krijgers waren echter al gevlucht. Na een looppatrouille van bijna een week, slaagden wij erin de bevolking te vinden. In hun schuildorp hebben wij een demonstratie van onze vuurkracht gegeven. Daarbij werden tientallen schilden

stuk geschoten en enige varkens gedood. Na het doel van onze komst te hebben uitgelegd en hun aanval op onze boot te hebben veroordeeld werd alles bijgelegd. Wij betaalden hun verlies met tabak, handbijlen en messen. Wij maakten de mannen duidelijk dat als een dergelijk incident zich weer zou voordoen, wij alle hoofden en een deel van hun krijgers gevangen zouden nemen en voor straf langdurig in de hoofdstad van het gebied te laten werken.

Wij wisten uit ervaring, dat de Asmat bevolking duidelijk gemaakt moest worden dat de overheid het voor het zeggen heeft. Volgens hun oergewoonten kon de overheid alleen baas over hen zijn, indien zij zich onderworpen (de mindere) voelden. Het was noodzakelijk dat er voorbeelden werden gesteld. Doodschieten van Asmatters hielp niet omdat dit alleen een contrareactie tot gevolg zou hebben. In geval van een conflict, was de overheid verplicht haar onoverwinlijkheid te tonen door niet bang te zijn en de Asmatters net zo lang te achtervolgen totdat ze geen uitweg meer wisten dan zich over te geven en zich naar de wil van de overheid te schikken. Demonstraties met schiettuig en de gevolgen van een kogel hoorden bij de “intimidatiemethoden”. Bestuurlijke regels bestonden na de tweede wereldoorlog tot de verdwijning van de zoon van Rockefeller slechts uit het uitdelen van vermaningen en in het ergste geval veroordeling van diegene die een kop gesneld had of zich aan ernstige mishandelingen had schuldig gemaakt. De straffen waren voor de verdachten van eerder beschreven strafbare feiten, onbegrijpelijk. Immers zij werden voor het koppensnellen en/of plegen van ernstige mishandelingen beloond met bijvoorbeeld een extra vrouw. Het gevolg was, dat de koppensnellers door gingen met hun praktijken. Incidenteel werden politiepatrouilles zelfs gedwongen zich “tijdelijk” terug te trekken en, soms ter voorkoming van moeilijkheden, een dergelijk koppensnel gebied, nooit meer te bezoeken.

 

De middelen van bestaan van de Asmat bevolking.

De sagopalm is een palmsoort waarvan de kern verwerkt werd tot sagomeel. De bladstengels werden gebruikt voor de wanden van de inheemse tropische hutjes/huizen. De bladeren werden aan elkaar geregen over een deel van de bladstengel om te kunnen dienen als dakbedekking. De kruin van de sagopalm had een zachte kern waaruit de nieuwe bladeren uit ontsproten. Dit deel werd in stukken gehakt en was direct als delicatesse consumeerbaar. Voor het bereiden van sagomeel werd de sagopalmboom eerst geveld. Zodra de boom was geveld werd die ontdaan van bladstengels en bladeren. Over de lengte van de stam werd aan de bovenkant de bast verwijderd over de lengte van de stam. De stam was zeer hard en taai, terwijl het inwendige van de stam vrij poreus en zacht was.

De inhoud van de stam werd fijn geklopt en/of gehakt met een stenenbijl. Het zachtere deel van de stam (de kern) werd met een soort “bijl” bewerkt waarvan op het einde een klopper van een bamboesteel nabij het schot was geplaatst. Dit deel van de bamboestengel/schot werd met de opening aan de onderkant van de houtensteel geplaatst, waardoor het uitkloppen van de zachte inhoud werd vergemakkelijkt. Als de inhoud van de sagostam verpulvert is, vangt de tweede bereidingsfase aan. Er werd een afvoergoot gemaakt van een holle stam en vervolgens werden drie of meerdere schragen onder de afvoergoot geplaatst. De schragen werden verankerd voor stabiliteit. Aan het einde van de holle stam werd een geïmproviseerde filter geplaatst die samengesteld uit bladvezels. Onder de uitmonding van de holle stam, die aan de bovenzijde open was, werd een vergaarbak geplaatst. De vergaarbak werd van modder gemaakt en was bekleed met vele lagen bladeren. Hierna werd met de sagomeel productie begonnen.

De tot pulpgeslagen inhoud van de sagopalm werd aan het begin van de opengewerkte holle stam geplaatst, met veel water overgoten en gekneed. Gedurende de behandeling scheidde het sagomeel zich in vloeibare vorm af van de pulp restanten. De substantie vloeide via de holle buis en de aan het einde aangebrachte vezelfilter in de vergaarbak. Het overtollige water liep over, waardoor als de vergaarbak vol was er een papperige substantie van sagomeel overbleef.

Deze massa werd uitgeschept en in een van sagobladeren vervaardigde manden, met een hoogte van ongeveer veertig centimeter met een diameter van ongeveer twintig centimeter, gedeponeerd. Het restwater droogde daarin op, waarna een vrij hard stuk sagomeel koek achterbleef. Voor voedselgebruik werd een brok van het meel vermengd met water en in de vorm van een grove pannenkoek op een smeulend houtvuur gelegd om gaar te worden. De pannenkoek had een flauwe smaak en rook naar een mengsel van meel, water en de geur van houtskool.

 

Voor de proteïnevoorziening kweekte de Asmat bevolking sagorupsen. De sagopalm werd geveld en van bladeren en stengels ontdaan. Er werden een of meerdere openingen in de harde huid van de sagostam gemaakt waarin sagolarven werden geplaatst. Deze larven ontwikkelden zich al snel tot rupsen. Binnen enkele maanden was de sagostam en de inhoud ervan veranderd in een grote sagorupsen gemeenschap. De lengte van een volwassen rups was ongeveer acht centimeter. De rups had een zwarte kop en de inhoud én huid van de rups was gelig- crèmekleurig . Deze,voor de Asmat bevolking, delicatesse werd rauw gegeten. De kop werd tussen duim en wijsvinger vast gehouden en de rups, nadat deze in de mond was geplaatst afgebeten. Vervolgens werd erop gekauwd en daarna doorgeslikt.

 

Naast het bovenstaande at de Asmat (Papoea) bevolking ook knollen (casave) en de wortels van lompong en gajong (Colocasia Esculenta). Een deel van het bos werd ontbost en platgebrand. Met houten stokken met aan een kant een punt werd de grond omgewoeld en beplant met de eerder genoemde knolsoorten.

Hun tuinen beveiligden ze tegen dieren met een hek van houten staken of staken waaraan stammetjes werden gebonden.

 

De Asmat krijger joeg op wild met zijn speer en met zijn pijl en boog. Het wild werd tot op enkele meters beslopen en met pijl en boog of speren afgemaakt. De jagers waren in staat om geluidloos vanaf de onder de windkant, tot enkele meters afstand hun prooi te benaderen, waardoor zelfs de mensengeur door dieren niet geroken werd. Er werden ook vallen gebruikt voor de voedseljacht. In het loopspoor van de dieren groef men een gat van ongeveer anderhalve meter diep, twee meter lang en één meter breed. Er werd gezorgd dat de wanden steil bleven. Het gat werd gedicht met enkele houten stammetjes waarover een dunne laag klei en veel bladeren werden gelegd. Er was geen verschil te zien tussen de plek van het gat en de omgeving. Wanneer een varken, hert of loopvogel (casuaris) op de mat van het gat stond viel het erin, waarna het werd afgemaakt. Ook werd met behulp van een jonge, ongeveer drie meter lange boom een val geplaatst. De kruin werd naar de grond getrokken en verankerd aan een houten haak. De stam werd doormiddel van inheems gemaakt touw verbonden aan een lijn, die dwars over het looppad van wilde dieren werd gespannen. Wanneer het dier tegen het dwars gespannen touw aanliep, werd de val van de haak ontkoppeld en kwam het wild in de lucht te hangen. Meestal werden alle vallen om de twee á drie dagen gecontroleerd.

 

Vissen werden gevangen door een smal rivier gedeelte van tien á twintig meter af te dammen met klei, boomstammen en bladeren. De dam werd niet helemaal afgedicht. Enige honderden meters stroom op- of afwaarts stapten bijna alle bewoners van het dorp in de rivier en verjoegen de vissen door geschreeuw en met stokken op het water in de richting van de dam te slaan. Wanneer de dorpsbewoners daar waren aangekomen werd het gat in de dam gedicht. Het afgedamde riviergedeelte werd daarna bewerkt met het sap van planten die een bedwelmende werking hadden. De bewoners stampten door het afgedamde gedeelte. Hierdoor werd het water troebel en zuurstofarm. De vissen kwamen binnen het afgedamde riviergedeelte naar boven drijven en konden worden vergaard.

 

Zowel de sago pannenkoek als het vlees van wild en vis werden gaar gemaakt door een vorm van grillen. Ik heb nog nooit gezien, dat de oer Papoea bevolking voedsel met water kookte c.q. verwarmde.

Ook werd wel eens honing aan hun voedselpakket toegevoegd. Men zocht een honingraad op. Zodra men dit aantrof werden de bijen uitgerookt. De honingraad werd, zodra de bijen verdwenen waren, in stukken gehakt en onder de aanwezigen verdeeld. Daarna werd de brokstukken leeggezogen.

 

Aan mijn stationering in het Asmat gebied kwam een einde toen ik voor een periode van zes maanden naar het Oksibil gebied werd overgeplaatst.

DE OKSIBIL PERIODE

 

Oksibil was een districtplaats gelegen in een langgerekt dal tussen twee bergruggen in, nabij het Sterngebergte in centraal Nieuw Guinea. Er was daar een politiepost en een vliegveldje.

Het doel van de politiepost was als tussenstation te fungeren voor een expeditie van wetenschappers bestaande uit diverse disciplines. De expeditie was begonnen in Merauke en zou via Tanah Merah in het Digoel gebied en de Moejoestreek naar Oksibil komen. Daarna zou de expeditie via het Sterngebergte, richting de noordkust van Nederlands Nieuw Guinea gaan. De politietaak bestond uit vooraf het traject te verkennen, contacten te maken met de bevolkingsgroepen langs de uitgestippelde route, het aanleggen van helikopter landingplaatsen, en de bescherming van de expeditie tegen eventuele aanvallen van de bevolking. De bevolking in dit gebied was nog nooit in aanraking geweest met vreemdelingen.

Het gebied langs de route was zeer ruig en onherbergzaam. Langs de uitgestippelde routes waren doorgaans geen looppaden. De bevolking bestond uit kleine groepen berg-Papoea’s die in dalen langs de bergen woonden. Het waren mensen van gemiddeld één meter vijftig á één meter zestig in lengte. Ook hier droegen de mannen peniskokers en de vrouwen rietenrokjes, die om hun middel met een band waren bevestigd, maar waarvan het riet verder los langs hun onderlichaam hing. Hun voedsel bestond, indien er in het gebied sago was, uit sagomeel en/ of uit knollen (majong). Het gebied was te koud voor vruchtenbomen. Er was wel wild in de vorm van zwijnen, een soort marmot, en vergelijkbare diersoorten. De woningen waren rond van vorm met paaltjes en bladeren als wanden. Het dak dat eveneens rond van vorm was bestond uit een combinatie van takken, bladeren en riet. Elke woning had een vuurplaats. ‘s Avonds was het koud (tussen de 1 en 5 graden Celsius boven nul). Overdag liep de temperatuur op tot 15 á 18 graden Celsius, als de zon scheen. In de Oksibil vallei zelf kon de zon overdag tot ongeveer twee uur in de namiddag tot de grond doordringen. Daarna was de vallei bedekt met een wolkendek, waardoor men met vliegtuigen niet kon landen. Dit wolkendek hing op ongeveer vijfhonderd meter hoogte als een soort “plafond” boven het gebied. Alle af- en aanvoer met vliegtuigen vond daarom ook vóór 14:00 uur plaats. Naast de normale politietaken werd door ons twee maal per dag het weerbericht voor het civiele vliegverkeer doorgegeven. Hiervoor had ik een summiere meteorologische opleiding gevolgd. Wij onderhielden het vliegveld en verleenden bijstand aan medische teams, die in het Oksibil gebied bevolkingsonderzoeken deden naar o.a. lepra en framboesia. Tevens verleenden deze medische teams primaire medische hulp. Doordat het gebruik van antibiotica bij de oer papoea bevolking nooit was toegepast, heelden wonden en genazen zieken, na inspuiting ervan, als bij toverslag. Het Nederlandse bestuur was niet vertegenwoordigd. De bevolkingspopulaties waren zeer klein . Elk dorp werd slechts door ongeveer honderd mensen bewoond. Er waren opmerkelijk weinig kinderen. De voor de tropen extreme koude en beperkte voedsel voorraden waren daar, naar mijn mening, de oorzaak van. Hun doden werden over het algemeen begraven.

Hun geliefde leiders werden na hun dood gemummificeerd. Dit gebeurde door hun lichamen in hurkhouding te roken. Zij kregen daarna een plaats bij de vuurhaarden. Het leek dan alsof, de mummies tijdens hun bijeenkomsten toekeken. Deze gewoonte is, naar men zegt, in de oksibil min of meer in ongebruik geraakt. Deze wijze van mummificeren komt echter in de Wisselmeren onder de kapoukoe bevolking vaker voor.

Onze patrouilles ontdekten, dat vergeleken met de kustgebieden en onze maatstaven, er weinig onrecht gebeurde. Incidenteel was er wel eens een stammenoorlog. Deze werden na afspraak (dit gebeurde na schelden en over en over en weer geschreeuw) op een van de weinige vlakten die er waren uitgevochten. Het gevecht begon dan met zonsopgang en eindigde met zonsondergang. Tussen het pijlen schieten door werd er over en weer bij de strijdende partijen schreeuwend geïnformeerd naar gewonden en/of dodelijke slachtoffers. Bij het intreden van de avond werd de strijd gestaakt. Zodra de zon opkwam en het licht werd, werd de strijd weer hervat. De strijd ging soms dagen door totdat de verliezen nagenoeg gelijk waren. Over de geschillen werd dan onderhandeld en de schadebetalingen geregeld.

De bewapening van de bergpapoea’s waren identiek aan die van de overige papoea bevolking op Nieuw Guinea. De lengten van speren, bogen en pijlen waren echter aan hun persoonlijke lengtes aangepast.

 

Na ruim zes maanden verliet ik het gebied weer een ervaring rijker.

 

Mijn volgende standplaats was Genjem, nabij Hollandia. Het H.P.B. Mr. Max Lapré was een oude bekende van mij. Hij was met mij betrokken bij het beschreven incident te Amanamkai in het Asmatgebied.

Kort voor mijn overplaatsing naar Genjem was in een nabijgelegen dorp een Administratief Ambtenaar (AA) van het Nederlandse bestuur vermoord. Deze moord werd in verschillende Nederlandse bladen beschreven. Na een voorbereidingstijd van twee maanden zou ik een expeditie naar dit dorp leiden. De expeditie ging niet door.

De firma “NIGIMY” NV, een onderdeel van de firma “Hagemijer” in Nederland, bood mij buitengewoon aantrekkelijke werk aan. Na een proeftijd van een jaar, gedurende welke ik magazijnmeester, boekhouder en kassier was, werd ik met een Europees contract aangesteld als kantoorbeheerder te Nabure, een plaats tussen Sorong en Biak, op Nieuw Guinea. Een dergelijk contract was, omdat ik als lokale kracht bij de overheid werkte, in die periode bijna ondenkbaar. Bovendien verdiende ik zeker twee maal meer dan de politie mij betaalde. Voor mijn vertrek naar Nabire trad ik in het huwelijk met Nelly van den Berg. Ik heb haar in het Asmat gebied leren kennen toen zij als tandartsassistente met een tandarts het gebied bezocht voor het verlenen van de jaarlijkse tandheelkundige hulp aan de bewoners.

In Nabire verzorgde ik voor de “NIGIMY” de verkoop, aan- en opvoer van goederen naar de Wisselmeren, een gebied ongeveer tweeduizend meter boven de zeespiegel met als hoofdplaats Enarotali. Alle opvoer van goederen naar genoemde hoofdplaats, vond plaats met kleine vliegtuigen (Chesna’s). De aanvoer van goederen vanuit Biak gebeurde met vrachtschepen. Mijn baan bij de firma “NIGIMY” was veel minder avontuurlijk, maar in die tijd maakte geld veel goed. In de periode, omstreeks negentien een en zestig was er geregeld sprake van Indonesische parachutisten landingen. De overheid adviseerde daarom de vrouwen en kinderen van de Nederlandse bewoners naar Nederland te laten repatriëren. Onder de gerepatrieerden bevonden zich ook mijn echtgenote en onze twee kinderen Gaby en Glen.

 

DE KWESTIE NIEUW GUINEA

De Kwestie Nieuw Guinea dateert al sinds de soevereiniteitsoverdracht van Nederlands Indië. Het standpunt van de voormalige Indonesische president Soekarno was dat Indonesië bestond uit een gebied dat begon bij het eiland Sabang bij Singapore en eindigde bij Merauke in Zuid Nederlands Nieuw Guinea. Door parachutisten landingen op Zuid Nieuw Guinea trachtte hij dit standpunt te rechtvaardigen.

Het standpunt van Nederland was echter, dat Nederlands Nieuw Guinea niet tot Indonesië behoorde. Volgens Nederland verschilde de Papoea bevolking etnologisch, qua taal, uiterlijk, gewoonten, etc. volkomen van de Indonesiërs. Hierdoor behoorden de Papoea’s eerder bij de Australische Aboriginals of de Maorie en de Melanesische bevolking. Bovendien had Nederlands Nieuw Guinea al sinds het jaar zestien honderd en zestig een aparte status en was het ondergebracht bij het sultanaat Tidore. De sultan had een autonome status en was namens de Verenigde Oost Indische Compagnie (VOC) bevoegd het noorden en westen van Nederlands Nieuw Guinea te besturen.

Verschillende presidenten van de V.S. hebben getracht hun invloed uit te oefenen om deze kwestie op te lossen. De V.S. vertrouwde de Indonesische president Soekarno niet. De V.S. steunde aanvankelijk het Nederlandse standpunt. Op aandringen van minister Luns van Buitenlandse Zaken ging Minister Dulles van de USA zelfs zover, dat hij op 17 oktober 1958 schriftelijk beloofde, dat als Nederlands Nieuw Guinea door Indonesië zou worden aangevallen, dit hetzelfde zou betekenen als een aanval op Formosa . Dit eiland is het Chinese Nationalistische eiland voor de kust van het vaste land van China. De V.S. had met Formosa een veiligheidsovereenkomst afgesloten. Nederland dacht dat indien Indonesië, het Nederlands grondgebied Nieuw Guinea zou aanvallen zij op steun kon rekenen van haar NAVO/NATO lid, de V.S. Doordat de USA haar handen vol had met problemen onder andere in Korea, China en Vietnam verleende de USA, om Indonesië gunstig te stemmen en de problemen te stabiliseren, aan dat land hulp in de vorm van financieringen en militair materieel voor binnenlandse doeleinden. Gebruikmakend van de situatie wendde Indonesië zich tegelijkertijd tot de Sovjet Unie die Indonesië in haar invloedsfeer trachtte te brengen. De Sovjet Unie verleende financiële en militaire steun aan Indonesië. De militaire steun bestond uit wapen leveranties en opleidingen van personeel.

 

De V.S. ondernam verschillende politieke initiatieven om het tij te keren. Dit mislukte.

Minister Dean Rusk stelde onomstotelijk vast, dat kwestie Nederlands Nieuw Guinea, gezien vanuit het V.S. standpunt onderdeel vormde van de totale confrontatie met het communistische blok. Dit hield eigenlijk in, dat ingeval van een confrontatie over de Nieuw Guinea kwestie, steun van de V.S. vermoedelijk zou uitblijven. De Nederlandse regering hield ten aanzien van de kwestie Nieuw Guinea aanvankelijk het been stijf.

De Indonesische parachutisten landingen gingen echter gewoon door. Ook vond er een confrontatie plaats tussen Nederlandse marineschepen en Indonesische kanonneerboten. Nadat de Indonesische schepen door een Nederlandse Neptune marine verkenningsvliegtuig ter hoogte van de vlakke hoek werden ontdekt, greep de marine in met haar schepen HMS “Kortenaer” en HMS “Evertsen”. Zij slaagden erin een Indonesisch schip waarop hun marine commodore zich bevond, tot zinken te brengen. De bevelvoerende officier sneuvelde en vijfenveertig matrozen werden gevangen genomen. De Gouverneur Generaal van Nieuw Guinea en zijn militaire staf gaven er de voorkeur aan de overige Indonesische marineschepen te laten ontvluchten.

 

Later werd in de Humboldbaai en/of de Jautefabaai nabij de hoofdstad Hollandia een Sovjet onderzeeër gesignaleerd. Ook toen gaf de legerleiding er de voorkeur aan de onderzeeër te laten ontvluchten. De president van de V.S. besloot, om escalatie te voorkomen, de kwestie Nederlands Nieuw Guinea voor goed de wereld uit te helpen. Er volgden moeizame besprekingen te Middleburg in de USA. Tijdens deze besprekingen was Nederland zich niet bewust, dat een sterke Indonesische troepenmacht van ongeveer dertig duizend militairen, gesteund door een Sovjet vloot waaronder zes onderzeeërs, nabij het Noordelijk deel van het eiland Celebes gereed stonden voor een invasie op Nieuw Guinea. Deze legermacht zou onder de codenaam ”Djajawidjaja” opereren. Nederland zou hier slechts een aanzienlijk kleinere troepenmacht tegenover kunnen stellen. Zonder steun van de V.S. zou een oorlog, gelet op de lange aanvoerlijnen, voor Nederland onbegonnen werk zijn.

De V.S. was op de hoogte van deze troepenmacht en de Indonesische bedoelingen.

U2 spionage vliegtuigen schaduwde deze invasiemacht voortdurend. De CIA ontdekte dat de invasie tussen 2 en 15 augustus 1962 zou plaatsvinden.

De voorzitter van de Verenigde Naties, Oe Tant, waarschuwde de Indonesische autoriteiten, dat uiteindelijk het bonafide recht op zelfbeschikking van de papoea bevolking ook voor Indonesia noodzakelijk was.

Uiteindelijk sloten Indonesië en Nederland onder druk van de V.S. en de VN een compromis. Nederland zou Nieuw Guinea (vermoedelijk om gezichtverlies te voorkomen) overdragen aan een interim Verenigde Naties bestuur, de UNTEA.

In mei 1963 zou Nieuw Guinea onderdeel worden van Indonesië. Het Indonesische leger (TNI) zou tot die datum onder het gezag van de VN komen, waarbij de rechten van de Papoea bevolking ten aanzien van vrije meningsuiting zou worden gegarandeerd.

De Papoea’s zelf bleven uiteindelijk met lege handen staan. Geen steun van Nederland, dat hun vrijheid had beloofd en al een bestuursorgaan (de Nieuw Guinea Raad) voor de Papoea’s had opgericht en geïnstalleerd. Onder andere, N. Jouwé en Kaisjèpo

zouden de leiders worden. Kortom, onder druk van de wereldpolitiek en de daarmee gepaard gaande belangen waren de Papoea’s uiteindelijk “de klos”.

 

Het recht op medezeggenschap werd door Indonesië ontnomen. De bodemrijkdommen worden thans door en ten gunste van “het buitenland” ( i.c. Indonesië) geëxploiteerd. Kleine groepen slecht bewapende Papoea’s proberen hun idealen alsnog te verwezenlijken. Realisatie ervan lijkt vooralsnog onbereikbaar.

 

Het einde van de Nederlandse kolonie in Oost Indië betekende, dat de sinds 1949 gestarte repatriëring van Indische Nederlanders z’n slotfase inging.

Tussen 1949 en 1963 vertrokken ongeveer 380.000 Nederlanders naar Nederland.

Na de overdracht van Nederlands Nieuw Guinea aan de Untea en vervolgens aan Indonesia vertrokken nog eens 20.000 Nederlanders naar respectievelijk Nederland,

Australië en de USA.

Deze laatste repatriëring werd aan de vertrekkende repatrianten opgedrongen, omdat de Nederlandse Overheid na beschreven overdracht, niet langer garant kon staan voor het leven en welzijn van beschreven bevolkingsgroep.

De overtochtkosten alsmede de kosten van verblijf in de ruimste zin van het woord voor de eerste jaren in Nederland, werden verstrekt op basis van Overheidsvoorschotten, die terug moesten worden betaald. Ondanks dat deze gerepatrieerde Nederlanders zich moesten scholen (alle in Indië behaalde diploma’s en werkervaringen hadden geen waarde), werken, integreren en assimileren, geschiedde de terugbetaling van bedoelde voorschotten over het algemeen, in het geheel.

 

In Indonesia verblijven thans nog ongeveer 6000 Indische Nederlanders, die onder druk van het Werner rapport en om sociale en persoonlijke motieven “Warganegara Indonesia” (Indonesisch Staatsburger”) waren geworden. Zij leven over het algemeen onder erbarmelijke en soms onder mens onterende omstandigheden.

Naast deze groep is een zeer grote groep van ongeveer 500.000 personen, die door toedoen van hun Nederlandse verwekkers soms wel zijn geschoold maar nooit zijn erkend. Velen van hen weten soms waar hun verwekkers en hun familie in Nederland wonen.

Zij vormen daarom onder andere een belangrijke eenheid, die vooralsnog tegen normalisering van de verhouding tussen Nederland en Indonesia zijn.

 

Tekstvak: .


 

  Asmat begrafenissen. Zie pagina’s 26 en 27 in pdf.  
 

 

 


Repatriëringen naar Nederland

 

Na jarenlange onderhandelingen tussen de United States of America (USA), Nederland en vertegenwoordigers van de Verenigde Naties (UNO) over de status van Nederlands Nieuw Guinea en vele militaire schermutselingen tussen Indonesia en Nederland, kwam onder druk van de USA, UNO en Australië een einde aan de laatste Nederlandse kolonie in Oost Indië.

 

Reden van repatriëring naar Nederland.

 

De eerste groepen Nederlanders repatrieerden reeds direct na de capitulatie van Japan in 1945 uit Indië naar Nederland. Het Engelse leger onder leiding van Generaal Mounthbatten was de eerste geallieerde strijdmacht die op Java voet aan wal zette. Er ontstonden direct daarna conflicten met de naar vrijheid hunkerende Indonesische extremisten. De druk op het Engelse leger werd zo groot, dat de Engelse legerleiding de garantie voor de veiligheid van de Nederlanders niet kon garanderen.

Nederlandse militairen werden aanvankelijk door de Engelse legerleiding op Java geweerd, omdat de Nederlandse regering weigerde met de naar soevereiniteit hunkerende Indonesische leiders te onderhandelen..

Daarna volgenden ongeregeldheden die uiteindelijk uitmonden in regelmatige vuurgevechten tussen ongeveer 80.000 door Japan getrainde en bewapende extremistische Indonesiërs en het aanzienlijk kleinere Engelse leger. De legerleiding besloot daarom vele uit kampen bevrijde Nederlanders en andere Europeanen naar Singapore,Thailand (Siam) en deels naar Nederland te repatriëren.

Na de soevereiniteitsoverdracht van Indië aan Indonesia, volgde om eerder gemelde reden vanaf eind 1949 een tweede golf van repatrianten naar Nederland, waarvan ongeveer 20.000 Nederlanders hun heil zochten op Nederlands Nieuw Guinea. De meeste jongeren vertrokken als werknemers van de Dienst Economische en Technische Assistentie (DETA) naar Hollandia. Een ander deel kon voor de stichting “Vincentius” te Manokwari aan de slag. In de periode 1952 tot 1962 volgden een reeks van schermutselingen plaats tussen het Nederlandse- en het Indonesische leger. Indonesië lanceerde zelfs een aanval met kanonneerboten. Na onderschepping van deze boten werd een kanonneerboot door de Nederlandse Marine tot zinken gebracht. Een hooggeplaatste Indonesische commandant liet daarbij het leven. De overige Indonesische kanonneerschepen kregen de kans te ontvluchten. De overlevenden van de tot zinken gebrachte boot werden gered, gevangen genomen en later met hun gesneuvelde commandant aan Indonesië uitgeleverd. Indonesië dropte een korte tijd daarna een parachutisten afdeling nabij stad Mimika op Zuid Nieuw Guinea. Ook deze groep werd door een gecombineerde leger en politie eenheid gevangen genomen en later eveneens naar Indonesië gedeporteerd. Vanaf 1960 werden de vijandelijkheden ernstiger en kwamen parachutistenlandingen vaker voor. De Nederlandse koloniale overheid achtte het daarom raadzaam om veiligheidsmotieven vooral de Nederlandse ouderen, vrouwen en kinderen naar Nederland te repatriëren.

Omstreeks 1963 verlieten ongeveer veertien duizend Nederlanders voorgoed Nederlands Nieuw Guinea. Een deel vond onderdak in Australië, in de V.S. en Canada. Het overgrote deel repatrieerde op aandringen van de koloniale overheid naar Nederland. Nederland kon het leven en welzijn van de Nederlanders, na een eventuele overdracht van Nieuw Guinea aan Indonesië, niet langer garanderen. Door deze repatriëring verloren vele landgenoten hun huis en haard. Verkoop van bezit aan de niet kapitaalkrachtige achterblijvende bevolking was niet mogelijk.

Kort voor de overdracht van Nederlands Nieuw Guinea aan Indonesië, bracht ik een bezoek aan het hoofdkantoor van de “ Nieuw Guinea Im-en Export Maatschappij” (NIGIMY) te Biak, (toen mijn werkgever). Bij aankomst werd ik verwelkomd door een ambtenaar van het plaatselijke bestuur te Biak. Hij liet mij een lijst zien (zg. zwarte lijst) waarop mijn naam prijkte. Hij stelde mij namens de koloniale overheid voor, onmiddellijk naar Nederland te vertrekken of op Nieuw Guinea onder eigen verantwoording te blijven. Daar mijn gezin al eerder op advies van de koloniale overheid naar Nederland vertrokken was, werd de keuze voor mij niet moeilijk. Gedwongen door de omstandigheden en door de plaatselijke Nederlandse overheid (zij konden naar hun zeggen, gelet op mijn politieverleden, mijn leven en welzijn na de overdracht van Nieuw Guinea aan Indonesië niet waarborgen), verbrak ik met medewerking van de directie van de firma “NIGIMY” te Biak mijn buitenlands contract. Ik verloor hierdoor al mijn opgebouwde rechten (een riant salaris en goede vooruitzichten) bij deze firma. Of de keuze juist was? Gelet op mijn werkverleden, ging het op dat moment over het kiezen tussen leven en dood. Met achterlating van al mijn bezittingen en na inlevering van de sleutels van mijn woning bij de plaatselijke politie, vertrok ik een dag later met de op het vliegveld “Mokmer” te Biak gereedstaande DC 8 van de KLM. Onze reis liep langs de Noord route via Tokio en Anchorage naar Nederland.

 

Aankomst in Nederland

 

Na aankomst in Nederland werd onze groep repatrïanten door de ter plaatse aanwezige ambtenaren van het Nederlandse Rode Kruis en de Dienst Maatschappelijke Zorg (DMZ) opgevangen. Ik deed op hun verzoek verslag van mijn overhaast vertrek uit Nieuw Guinea en het doel van mijn komst in Nederland. Ik gaf aan dat ik op Nieuw Guinea al mijn bezittingen had moeten achterlaten. Mij werd door ambtenaren van de Dienst maatschappelijke Zorg medegedeeld dat mijn verklaring zou worden genoteerd. Zodra de verhoudingen tussen Nederland en Indonesië weer genormaliseerd waren, zou ik over mijn verlies/schade bericht ontvangen. Deze toezegging is tot de dag van vandaag nimmer nagekomen. Ikzelf werd na met DDT ontsmet te zijn, door vertegenwoordigers van de Nederlandse overheid naar de Willem de Zwijger kazerne te Wezep vervoerd in afwachting van de twee dagen later plaatsvindende hereniging met mijn vrouw en kinderen. Na onze hereniging vertrokken wij naar Oosterbeek in Gelderland waar wij in het contractpension “Dennenoord” werden ondergebracht.

 

Opvang in contractpensions

 

Er volgde een vervelende tijd. De Dienst Maatschappelijke Zorg (DMZ) probeerde elke cent die men had te registreren.

Wij werden gehuisvest in een kamer van vier bij vijf meter en moesten er met vier en later met vijf personen in wonen. Deze situatie, nagenoeg “zonder privacy”, heeft ongeveer twee jaren geduurd. Het eten kwam uit een soort gaarkeuken en was toen voor ons nauwelijks eetbaar. Wij kregen een kledingvoorschot. Dit geld werd onder geleide van een DMZ ambtenaar besteed bij door de DMZ vastgestelde winkels. De contactambtenaar bepaalde min of meer wat wij aan kleding moesten inkopen. Vanwege onze onbekendheid met de situatie en de Nederlandse gewoonten, accepteerden wij alles wat ons werd aangepraat. Achteraf bleek wat ons “aangesmeerd” was, oude voorraden waren. Van ons zakgeld en andere inkomsten waren wij verplicht maandelijks 60% aan de ambtenaar van de DMZ af te dragen als compensatie van de kosten voor inwoning en voeding.

Wij voelden ons tussen de 4 muren van onze kamer gevangenen. Ik probeerde zo snel mogelijk deze ongelukkige leefomstandigheden te veranderen. Ik kreeg op mijn verzoek een psychologische test. De uitslag was, dat ik leraar moest worden. Gelukkig kreeg ik via kennissen de kans in Amsterdam bij de Gemeente Politie te solliciteren. Van deze gelegenheid heb ik dankbaar gebruik gemaakt, mede omdat ik reeds in het bezit was van diverse politiediploma’s.

 

Politieopleiding in Amsterdam

 

Ik werd in april 1963 aangenomen en werd bij de gemeentepolitie te Amsterdam als aspirant politieagent aangesteld. De opleidingschool bevond zich in de derde Oosterparkstraat te Amsterdam. De opleiding duurde ongeveer een jaar. Mijn politiewerkverleden (ik was detachementcommandant) en de in Indië en Nederlands Nieuw-Guinea behaalde diploma’s werden in het geheel niet erkend. Er bestond in die tijd geen gelijkstellingwet voor het onderwijs. Ondanks dat Nederland sinds de afloop van de Tweede wereld oorlog al te maken had met repatrianten, heeft de politiek nooit haar plichten en wettelijke regelingen aangepast. Hierdoor kwamen de honderdduizenden uit Indië en Nederlands Nieuw Guinea gerepatrieerde Nederlanders voor de zoveelste keer letterlijk en figuurlijk in de kou te staan. Dankzij mijn politie ervaring en andere gevolgde opleidingen en cursussen heb ik gelukkig nooit echt veel hoeven te “blokken” om mijn Nederlandse politie AA en later B en vervolgopleidingen met de daarbij behorende diploma’s te halen. Het enige dat ik echt heb moeten leren was fietsen. Wij hadden tijdens onze politieopleiding een directeur van de school, die achteraf gezien, mogelijk door de leiding van de politie op een “zijspoor” was gezet. Toen ik drie maanden op school zat, kreeg ik een uniform aangemeten. De directeur genoot ervan om te controleren of het uniform wel correct werd gedragen. Zodra men voor hem verscheen begon hij aan het uniform te rukken en te trekken waarbij hij geregeld een afkeurende blik toonde. Op de vraag wat hij van het uniform vond, gaf hij nimmer een adequaat antwoord. Het leek er soms op, dat hij “homoseksuele neigingen” had. De directeur gaf les in staatsinrichting en praktisch politieoptreden, maar had totaal geen idee wat lesgeven inhield. Hij deed niets anders dan de artikelen uit het wetboek voor te voorlezen. Toen ik hem verzocht de artikelen toe te lichten, werd ik de klas uitgestuurd met de mededeling dat ik zijn lessen nooit meer mocht volgen. Ik heb daarna nooit meer verzocht zijn lessen te mogen bijwonen. Mijn afwezigheid bleek geen enkel probleem op te leveren. Zijn lessen betreffende praktisch politieoptreden waren helemaal beneden peil. Terwijl hij zogenaamd met een fiets kwam aanrijden moesten wij hem om de beurt door middel van een stopteken laten stoppen. Hij was tijdens deze lessen altijd in uniform gekleed en had zijn hoofdinspecteurs pet op. Nadat hij ons had opgesteld kwam hij aanlopen en maakte met zijn handen een trappende fietsbeweging. Als men hem conform zijn opdracht een stopteken gaf, dan “fietste” hij door. Telkens deed hij hetzelfde en zei: “ Ik fiets toch lekker door” terwijl hij è..è.. riep.

Deze wijze van lesgeven begon mij de keel uit te hangen en ervoer ik als een kleinering. Zodra ik, als tiende man aan de beurt was, gaf ik hem het stopteken. Toen hij mij voorbij wilde “fietsen” trok ik hem van zijn zogenaamde fiets af en legde hem op de grond. Deze “truc” leverde een enorme hilariteit op. Het gevolg was dat ik ook deze lessen niet meer mocht volgen. Aan het einde van het schooljaar, slaagde ik als nummer twee.

Na mijn aanstelling en beëdiging als politieagent werd mijn gezin en ik in een pension aan de Willemsparkweg te Amsterdam gehuisvest. Mijn eerste officiële werkplek was aan het politiebureau aan de Singelgracht te Amsterdam. Ik had een mentor, die in Indië oorlogsvrijwilliger (OVW -er) was geweest. Hij was altijd keurig gekleed en had een ietwat hautaine houding. Hij heeft mij het praktische politievak in Nederland en vooral de gewoonten op het Rembrandtplein, bijgebracht. Ook leerde ik veel over de Amsterdamse mentaliteit. Helaas heb ik mij nooit het Amsterdamse dialect eigen kunnen maken. Dit vond ik een nadeel. Na het verrichten van mijn nachtdiensten was ik bij thuiskomst, gedwongen, door de slechte huisvesting in het contractpension, in het Vondelpark te slapen. Hierdoor werd ik, als Amsterdamse diender, één van de éérste zogenaamde “Vondelparkslapers”. In 1964 en de jaren daarna was het Vondelpark een geliefde plaats voor in de buitenlucht overnachtende provo’s, buitenlandse vakantiegangers, enzovoorts. Deze nare omstandigheden duurden ongeveer één jaar. Daarna werd mijn gezin een huis toegewezen in tuindorp Osdorp te Amsterdam West.

 

De executieve politiedienst uitoefening

 

Tijdens mijn diensten kwam ik er snel achter, dat er door de agenten heel wat werd bijgewerkt (bijgebeund of gebeunhaast). Ik had een chef, die “autohandelaar” was. De souschef was “horecaman” en/of “horecaklant”.

Verschillende agenten verdienden bij, door na diensttijd vrachtauto’s van vooral Chinese handelaren in het centrum van Amsterdam te lossen. Deze voorvallen waren voor mij, op z’n Amsterdams gezegd, behoorlijke “afknappers”.

In die tijd, (omstreeks 1964) was kennelijk alles mogelijk. Ik had geen hoge pet op van de politieopleidingen in Nederland en van de mentaliteit van sommige Nederlandse agenten. Van hun gedrag “zakte als het ware mijn broek af”.

Op Nieuw Guinea werd een hoofdagent uit Nederland meteen bevorderd/”gebombardeerd” tot inspecteur. Hij kreeg extra goede huisvesting in de plaats waar hij te werk werd gesteld. Hij was meteen chef over een politieafdeling. Na wat ik in Amsterdam had gezien en meegemaakt, (en Amsterdam was echt niet de enige stad waar het er zo toeging), en in vergelijking met de opleiding en werkwijze op Nederlands Nieuw Guinea vond ik het niveau laag. Ik kon toen niet begrijpen, dat agenten met diploma A of AA op Nieuw Guinea direct na hun aankomst tot Inspecteur van Politie werden bevorderd. Zulke voorvallen waren kenmerkend voor het peil waarvoor wij in Indië geboren en opgeleide Nederlanders, onterecht werden ingeschat. Achteraf gezien was deze wijze van bevorderen, pure discriminatie van mede Nederlanders.

De salarissen waren in Nederland tot eind 1963 ver beneden peil. Als beginnend agentje (ik was ongeveer 30 jaar) met een gezin, bestaande uit vier personen, verdiende ik ƒ 188,- per maand. Met dit bedrag moest alles bekostigd worden. De Nederlandse overheid dwong door deze lage salarissen haar personeel, in belang van hun gezin, te beunhazen. Aan deze omstandigheden kwamen gelukkig een einde na verschijning van “het rapport Boot”. Omstreeks eind 1964 of begin 1965 kwam ik voor het eerst, met voor de toenmalige omstandigheden, een redelijk salaris van ƒ 440,- thuis.

 

Na de periode dat ik aan bureau Singel dienst deed, kreeg ik de kans bij de Amsterdamse motordienst geplaatst te worden. Deze afdeling hield zich in hoofdzaak bezig met het verkeer en verkeersopleidingen van politiepersoneel. Bij deze dienst heb ik ruim 35 jaren naar tevredenheid gediend.

Naast het dagelijkse politiewerk werden wij vanaf begin1965, toen de provobeweging actief werd, geregeld bij de Mobiele Eenheid (ME) ingezet. Onze taak was dan rellenbestrijding en waar het nodig was de relschoppers uiteendrijven. Tijdens de vele charges die wij met motoren met zijspan in opdracht uitvoerden, werden wij vaak met stenen en andere voorwerpen bekogeld. Het kwam wel eens voor, dat voorwerpen als oude wasmachines, kachels en koelkasten vanaf daken van flats naar ons toe werden geworpen. Gelukkig vielen er toen weinig gewonden onder het personeel van de Mobiele Eenheid van de politie, waartoe wij behoorden.

Door de Mobile Eenheid en daarin geïntegreerd de Motordienst werden vanaf 1964 tot in de 80-ger jaren onder andere de volgende rellen bestreden:

  • studenten rellen in het Maagdenhuis;

  • Provorellen op het spui;

  • Kroning van Prinses beatrix in Amsterdam,

  • En nog vele andere rellen.

    Gelukkig waren naast het bestrijden van rellen ook aangenamere en zinvollere werkzaamheden, zoals:

    Alle begeleidingen van leden van het Koninklijk huis, bezoeken van hoogwaardigheidsbekleders van andere landen, bezoeken van astronauten aan Amsterdam, zwaar vervoer- en transporten van gevaarlijke stoffen, vervoer van ernstige zieken ten gevolge van calamiteiten, enzovoorts, en uiteraard werden daarnaast alle voorkomende politiewerkzaamheden verricht.

    Ik was naast mijn werkzaamheden als politiemotorrijder, mede belast met rijopleidingen van politieagenten in Amsterdam . Rijvaardigheden werden met diverse bij de Amsterdamse politie in gebruikzijnde voertuigen geoefend. Hiertoe behoren surveillance auto’s, tweewielige- en driewielige motorfietsen, kraanwagens, waterwerpers, pantservoertuigen, enzovoorts.

    Geregeld werden stadskennis, rijvaardigheid en theoretische kennis van politievoertuigenbestuurders, getoetst. Naast de normale rijopleiding werden op tankbanen en racebanen, alsmede op slipbanen in en om Amsterdam geoefend. Rijvaardigheid op het hoogst mogelijke niveau was vereist onder andere in verband met het volgen van verdachten in, en door speciale groepen, zelfs buiten Nederland, enzovoorts.

    In een later stadium heb ik dienstgedaan bij het bureau Verkeersadvisering. Dit bureau hield zich bezig met verkeersadviezen naar de gemeente toe en voor elke dienst die er belang bij had. Het ontwikkelen en het adviseren van plannen bij verkeerscirculaties en verkeerssituaties. Het adviseren van invalidenparkeervergunningen, het adviseren bij precariovergunningen waarbij op of aan de openbare wegen terrassen en/of verkeersborden werden geplaatst, alsmede het verwijderen van overtollige verkeersborden. Omstreeks 1980 werden er in het centrum van Amsterdam zo’n 5.000 verkeersborden verwijderd. In plaats van het bos aan verkeersborden waardoor bestuurders de bomen niet meer konden onderscheiden, werden verkeerscirculatiesystemen bedacht, waardoor het verkeer beter verliep en er minder ongelukken voorkwamen. Door het afschermen van voet- en fietspaden met paaltjes (zogenaamde Amsterdammertjes) en het extreem verhogen van sommige stoepranden, waren stoepen en voetwegen voor auto- en ander verkeer- parkeervrij gemaakt. Behalve aan onderhoudskosten, scheelde dit soort veranderingen met de daarbij behorende fysieke maatregelen, de gemeente een enorm grote som aan geld, onderhoud, mankracht, agentenmanuren en de daarbij behorende loonkosten. Ook werd daardoor de inzetbaarheid van het politiepersoneel voor andere politietaken enorm vergroot. De verkeersdienst had naast de normale verkeerstaken bovendien de controle over de ringwegen om Amsterdam. Voor dit werk werden speciale snelle voertuigen ingezet.

    In omstreeks de tachtiger jaren werd door de verkeersdienst ook in andere landen binnen Europa aan verkeerscongressen deelgenomen, waardoor verkeersregelingen en de daarmee samenhangende problematiek ook over de grenzen konden worden vergeleken, besproken en waar nodig konden worden overgenomen. Ik had het genoegen aan deze buitenlandse bijeenkomsten deel te kunnen nemen.

    In 1960 beëindigde ik mijn werkzaamheden bij de Amsterdamse politie. Gelukkig is dit korps thans aanzienlijk verbeterd en vervult het zelfs een belangrijke voorbeeldfunctie

    Anekdotes

    Hieronder volgen enige anekdotes uit de tijd dat ik bij de Amsterdamse politie diende.

    Er was een bareigenaar op het Rembrandtplein die er lol in had beginnende of nieuwe agenten van het bureau Singel een lesje te leren. Hij belde op naar de wachtcommandant, die het spelletje meespeelde, dat er in zijn etablissement een vechtpartij gaande was. Ik was de nieuwe agent, dus ik werd naar de plaats des onheil gestuurd. Toen ik de bar binnenkwam zag ik een dikke man zitten met twee aan een ketting vastgebonden bouviers naast hem. Dit bleek later de bareigenaar te zijn. Hij sommeerde mij meteen zijn pand te verlaten, anders zou hij de twee honden op mij af zou sturen. Ik vroeg hem of hij om assistentie gebeld had. Hij antwoordde daarop in onvervalst plat Amsterdams, ”Daar heb je geen centemakke mee te maken”. Door zijn dreigement zijn honden op mij af te zullen sturen werd ik echter kwaad. Ik deed alsof ik mij omdraaide, trok mijn pistool uit mijn holster en vuurde een schot in het plafond. Ik verzocht hem meteen zijn honden los te maken zodat ik die, desnoods als kadavers, de bar uit zou kunnen slepen. Hij schrok zo, dat hij onmiddellijk mij zijn excuses aanbood. Ik heb gedurende het jaar dat ik op het bureau Singel diende nooit meer last van hem gehad. Dit voorval heb ik nooit naar buiten gebracht.

    Een Joodse textielhandelaar had zijn bedrijf in het centrum van Amsterdam. Hij maakte er een gewoonte van zijn auto’s op verboden plaatsen te parkeren. Hij provoceerde de politieagenten die er iets over zeiden. Hij kende, volgens zijn zeggen, commissarissen van politie aan het politiebureau Warmoesstraat. Deze “kennissen” konden er voor zorg dragen dat de betrokken agent(en) zou(den) worden overgeplaatst c.q. gestraft. De meeste agenten hielden het, na dit dreigement voor gezien en dropen af. Gedurende mijn dienst kwam ik hem tegen. Ik sommeerde hem zijn foutgeparkeerde voertuigen weg te halen. Zijn eerder beschreven “bedreigingen” uitte hij vervolgens ook tegen mij. Ik vorderde hem nogmaals zijn voertuigen, in belang van het verkeer, te verplaatsen. Hij dreigde mij via zijn kennissen bij de politie te zullen laten ontslaan. Ik nam zijn twee auto’s in beslag, arresteerde hem en bracht hem in het openbaar, waaronder vele collega textielhandelaren, geboeid naar het politiebureau. Hierdoor leed hij gezichtverlies. Hij zweerde daarom wraak op mij te nemen. Enige dagen later werd ik door mijn chef, een hoofdinspecteur, ontboden voor een gesprek met de textielhandelaar, in tegenwoordigheid van mijn chef. Aan het begin van het gesprek dreigde de textielhandelaar dat hij er voor zou zorgen dat ik ontslagen werd. Hierop gaf ik mijn chef te kennen niet met deze onbeschofte handelaar te willen praten en vertrok. Dit voorval heeft de textielhandelaar, na later bleek, als een diepe belediging en persoonlijke nederlaag ervaren. Maar het foutparkeren was opgelost.

    In de hoerenbuurt moest ik op een dag vergezeld van een mentor (oudere agent) een onderzoek instellen bij een hoerenmadam. Na een korte discussie zag ik de madam in een lade grijpen waar haar geld werd bewaard.

    Gedurende het “verhoor” zag ik, dat een van haar handen in de zak van mijn mentor verdween. Kort daarop verlieten wij het pand. Op straat toverde mijn collega een geeltje uit zijn zak en wilde dit met mij delen. Dit heb ik afgeslagen. Blijkbaar was het in die tijd de gewoonte dat sommige agenten zich lieten af- of omkopen.

    Tijdens voetsurveillances langs de grachten, trof ik op een avond een fietser aan die geen licht voerde. Hij wilde de lamp niet laten repareren. Ik stelde hem voor de keuze of de ventielen van zijn banden zelf te verwijderen en dus hij niet meer kon rijden, of een “bon” te riskeren. Hij koos voor het éérste en wierp de ventielen in de gracht. Met deze student in de rechten heb ik later nog heel vaak gelachen als wij het over dit voorval hadden.

    Voor de “Cottonclub” nabij de Kloverniersburgwal/Nieuwmarkt werd, vooral in de spitsuren en op gevaarlijke wijze voor het overige verkeer, soms driedubbel geparkeerd. Dit scheen al jaren te gebeuren en geen “diender” die hierover iets zei.

    Toen er klachten kwamen, werd ik erheen gestuurd. In de “Cottonclub” kwamen in hoofdzaak negers. Toen ik in politie uniform binnenstapte werd ik verwelkomd met gejoel en met “blauwe” aangeduid. Dit was voor mij reden om op de bar te klimmen en mijn pistool te trekken. Ik loste enkele schoten in het plafond en sommeerde iedereen zijn auto te verwijderen en elke keer als de politie hierom verzocht, dit te doen. Hierna kwamen er geen klachten meer binnen en was er dagelijks, en zeker tijdens de spitsuren, een opgeruimde weg voor de “Cotton” club. Hun reactie; “Je bent een hartstikke gekke diender, de meeste dienders liepen weg als wij begonnen te joelen”.

    In de Kinkerstraat, een drukke winkelstraat in het centrum, gold tijdens de spitsuren een stopverbod. Een patser (pooier) gezeten in een ouderwetse auto van het ,merk: Chevrolet lokte de politie geregeld uit. Nadat hij zijn auto op de rijbaan parkeerde, opende hij de motorkap en verdween in een radio- en televisiezaak. Daar nam hij met de eigenaar van de zaak een strategische plaats in om te zien hoe de politie zou reageren. Dit gebeurde regelmatig. Ik lokte deze heren even van hun strategische plaats weg, verwijderde daarna snel de rotor van de motor van zijn auto, gooide dit onderdeel op de achterbank en plaatste een bekeuring achter de ruitenwissers. Even later verscheen het tweetal bij de auto en ze maakten op- en aanmerkingen over de bekeuring. De eigenaar zei dat zijn auto stuk was en hij door overmacht was gedwongen zijn auto daar te parkeren. Ik nam de bekeuring terug en verzocht hem zijn auto te laten verslepen. Ik vertrok zogenaamd, maar stond enkele tientallen meters verder op een hoek van een zijstraat het duo gade te slaan. Zij kregen de auto niet meer aan de praat en bestelden vloekend en tierend een kraanwagen die de auto op hun kosten naar een garage sleepte. Dit was trouwens de laatste keer, dat zij hun “truc” uitvoerden. In een later gesprek heb ik mijn daad bij hun opgebiecht. Zij hadden hun bedenkingen, maar konden er toch om lachen.

    Op de Overtoom was er garagehouder, die ondanks vele verzoeken van de politie, zijn handelsvoorraad auto’s, tijdens de spitsuren ondanks het stopverbod op de rijbaan bleef parkeren. Ik wist dat de sleutels altijd in de contactsloten zaten, zodat hij zijn personeel de opdracht kon geven de auto’s naar de garage te rijden zodra de politie aankwam. Toen ik dienst had in dat gebied, spoedde ik mij naar deze garage, nam alle contactsleutels uit de sloten en verborg de sleutels op de vloeren van de voertuigen. Ik sommeerde de garagehouder daarna zijn voertuigen ogenblikkelijk naar zijn garage te verplaatsen en de rijbaan vrij te maken. Ik vertrok en stelde mij op enige afstand in een portiek op. Het garage personeel kon geen sleutels vinden en de als maar bozer wordende garagehouder stond vloekend en tierend voor zijn bedrijf.

    Later heb ik het gebeuren bij de garagehouder opgebiecht. Hij dreigde aanvankelijk mijn chefs over het voorval te informeren en mij te laten disciplineren. Hij koos echter de wijste oplossing. Hij zweeg over het voorval en besloot vriendschap met de politie te sluiten.

    Gedurende een verkeerscontrole achter het centraal station, stopte ik de bestuurder van een personenauto en controleerde de staat van zijn auto. Ik constateerde dat de twee voorbanden glad waren. Ik zegde hem proces verbaal aan. Terwijl ik het proces verbaal uitschreef blokkeerde ik met mijn knie de rechtervoordeur van zijn auto. De echtgenote van de bestuurder begon mij uit te schelden. Zij probeerde vervolgens haar deur te openen om mij een lesje te leren. Toen dit niet lukte begon ze nog harder te schelden. Ik boog mij voorover, keek de bestuurder aan en vroeg hem: “Doe jij het of doe ik het”? De bestuurder gaf mij te kennen het varkentje zelf te zullen wassen en gaf zijn echtgenote een ongekend stevig pak slaag. Na het uitreiken van de bekeuring vervolgde ik weer de controles.

    Tijdens een dienstrit in Gelderland at de groep politieagenten, waarover ik de leiding had, het middagmaal in een café-restaurant. Op dat moment was, behalve onze groep, een zeer gespierde man met zijn vrouw in het restaurantcafé. De vrouw kwam naast mij zitten en er ontstond een gezellig gesprek. Toen dit naar het gevoel van de man te lang duurde, besloot hij zenuwachtig met korte tussenpozen naar het toilet te lopen. Dit deed hij om vrouw zijn ongenoegen te laten blijken. Zij reageerde niet. Toen het heen en weer lopen van de man zich constant herhaalde, waarbij hij steeds tegen mij aan liep, gaf ik de naast mij zittende collega een seintje, dat ik de man zou laten struikelen. Dit gebeurde even later. Mijn collega ving de vallende man op en nam hem in een wurggreep. Zodra hij blauw aanliep, liet mijn collega hem los, waarna hij naar adem snakkend op de grond viel. Toen hij weer bijkwam schreeuwde hij: “krijg de kolere. De ene diender versiert mijn eigen wijf en de andere diender maakt mij zowat dood”. Zijn echtgenote en alle andere aanwezigen barsten daarop in lachen uit. De man was zeer sportief. Hij gaf toe jaloers te zijn en dacht met zijn gespierde lichaam indruk op de “dienders” te kunnen maken. Hij nodigde ons later uit in zijn zaak in Almelo en op zijn kosten een drankje te nemen.

    Op een andere dag nuttigden wij onze lunch in hetzelfde café. Op deze dag was er ook een groep antiekhandelaren aanwezig. Ieder van hun had een verhaal, en de een nog een sterker dan de ander. Om de “herrie” te breken, vertelde ik aan een Amsterdamse ex- taxichauffeur, die inmiddels ook antiekhandelaar was, dat ik nog een zeer ouderwetse staander had die niet in mijn huis paste. Daarna ging ik door met de lunch. Even later kwam hij naast mij zitten en toonde veel interesse in de klok. Ik vertelde hem dat de klok zeker een eeuw oud was. Dit werd ook door de andere antiekhandelaren gehoord. Zij begonnen te bieden, zonder dat ik ooit een prijs had genoemd. In een stil moment verscheen de Amsterdammer weer bij mij, deed een bod en schreeuwde dat hij als koopgarantie tweeduizend gulden bij de kroegbaas zou deponeren. Hij voegde de daad bij zijn woord en gaf de tweeduizend gulden demonstratief aan de kroegbaas. Ik ging ermee akkoord en sprak met hem af dat ik hem zaterdag om twee uur op het politiebureau aan de Anne Frank laan zou ontmoeten. Hij diende een zo groot mogelijke aanhangwagen mee te brengen omdat de ouderwetse staander er anders niet in paste. Zaterdag verscheen de handelaar. Ik bracht hem naar de Westerkerk en wees naar de klok in de kerktoren en zei tegen de handelaar; “daar staat ie”. Vloekend en tierend droop hij af. Deze gebeurtenis was de volgende dag bij elke antiekhandelaar bekend. Toen ik weer eens in het eetcafé was begonnen de antiekhandelaren het verhaal weer op te rakelen. Ik bood de Amsterdamse antiekhandelaar aan zijn gestorte borg terug te geven. Hij weigerde dit pertinent. Hij zei dat het zijn eigen schuld was, omdat hij bij de deal toen onvoldoende geïnformeerd had en moet er nu maar voor boeten. De kroegbaas gaf ik in bijzijn van alle aanwezigen de opdracht de borgsom op te consumeren, zodat er geen cent van over bleef. Dit is inderdaad gebeurd. De Amsterdamse antiekhandelaar heeft geleerd nooit meer met een diender een handeltje te beginnen. Ik gaf hem in het openbaar te kennen dat ik nooit een klok had aangeboden. Ik had alleen verteld dat ik een ouderwetse staander had, die niet in mijn huis paste en meer dan een eeuw oud was. Enfin, dit verhaal zal zeker nog vele malen worden doorverteld en misschien zelfs voort blijven bestaan.

    Een groep agenten, die ik les gaf in motorrijden, raakte verzeild in Duitsland. Toen het tijd werd voor het middageten, besloot ik te stoppen bij een eetcafé. We reden het terrein van een riante villa op, waar veel auto’s geparkeerd stonden.

    Zodra wij binnenliepen, vlogen de deuren van de kamers open en renden mannen met broeken nog op de enkels het pand uit en verlieten snel het terrein in hun auto’s. Ik begreep, dat wij per ongeluk een sekstent waren binnen gelopen. Ik deed of er niets aan de hand was en bestelde bij de eigenares een lunch voor vijf personen. Een uur later werd onze lunch opgediend. Wij betaalden, vertrokken en deden of er niets aan de hand was. Ook dit verhaal was weken daarna aan de grenspost van de douane bij Aken bekend en er werd behoorlijk om gelachen.

    Gedurende een andere oefenrit raakten wij verzeild in een restaurant op de Veluwe. Nadat wij hadden plaats genomen, kwam de uitbater van het restaurant naar ons toe.

    Hij vertelde dat zijn vrouw ziek geworden was en in het ziekenhuis lag. Er waren twee bussen met oudere Duitsers gearriveerd die in Nederland op rondreis waren. Hij kon zonder zijn vrouw de bediening niet aan en vroeg aan mij of ik een oplossing wist.

    Ik vertelde hem dat wij anderhalf uur rusttijd hadden en moesten eten. Als hij kon zorgen dat wij en de overige klanten onze bestellingen op tijd zouden krijgen, dan zouden wij de oudere Duitsers reizigers bezig houden. De aanwezige klanten gingen met het voorstel akkoord. Al snel melden zich mensen, die bier konden tappen en best wel een uurtje in de bediening wilden. Wij hielden een oogje in het zeil en vermaakten de oudere klanten met spelletjes. Ik verzocht een sterk uitziende man naar voren te treden. Ik vertelde dat ik goochelaar was en in staat was een dienblad met twintig pilsjes erop, tegen het plafond aan te plakken zonder dat er schade zou ontstaan. Niemand geloofde dit. Ik ging op een stoel staan hield het mij toegeschoven dienblad met de twintig glazen pils tegen het plafond en duwde een meegenomen bezemsteel tegen de onderkant van het dienblad. Ik verzocht de sterke man mij even te assisteren. Ik gaf de bezemsteel aan de man, stapte van de kruk af en trok deze zover van de man weg zodat hij er niet meer bij kon. Binnen enkele minuten viel het dienblad met glazen pils naar beneden. Er ontstond een hele hilariteit. De hele vloer lag onder het bier en de scherven. Ik kan u verzekeren, dat de Duitse oudjes de dag van hun leven hadden. De schade werd door iedereen vrijwillig gecompenseerd en de uitbater had, ondanks zijn zieke vrouw, toch goed verdiend.

    Gelukkig is de situatie bij de Nederlandse Politie op alle fronten aanzienlijk verbeterd en beschikt men tegenwoordig over zeer modern materieel waardoor men efficiënter aan de slag gaan. Digitaal kan men alle info krijgen. Ook de verhoudingen met andere overheidsdiensten zijn goed te noemen.

    .

    Scholing, integratie en assimilatie in Nederland en onderwerpen waarin de Nederlandse overheid, naar onze mening, in tekort is geschoten.

     

    In Nederland waren met mij bijna alle gerepatrieerde Nederlanders “verplicht” dagen van 10 uren tot 16 uur per etmaal te maken. De uren na diensttijd moesten worden benut om scholingen te volgen, teneinde over de nodige diploma’s te kunnen beschikken om ons een plaats op de Nederlandse maatschappelijke ladder te kunnen verwerven. Voor vele oudere uit Indië afkomstige personen gold bovendien, dat zij uit de in 1942 en de tijd daarna opgelopen trauma’s, zonder hulp hebben moeten onderdrukken. Bij onze integratie werd ons, misschien niet opzettelijk, de nodige assistentie onthouden. Steun van de overheidsinstanties hadden wij niet. Een ieder van ons deed op eigen wijze z’n best om door het bos van regelgevingen te laveren.

    Hierdoor ontgingen ons vele wettelijke regelingen waar wij aanspraak op hadden kunnen maken. Een grote groep onder ons werd bijvoorbeeld nooit expliciet medegedeeld, noch werden wij persoonlijk benaderd voor de inkoop van AOW rechten.

    Het bestaan van bepaalde kostenvoorzieningen met betrekking tot volgen van opleidingen op kosten van de plaatselijke overheden was ons onbekend.

    Het bestaan van mogelijkheden voor erkenningen door oorlogscompensatie wetten zoals Wet Uitkering Vervolgingsslachtoffers (WUV), de Wet Uitkering Burger Oorlogsslachtoffers (WUBO), Centrale Algemene Oorlogsslachtoffer Registratie Indonesië (CAOR), enzovoorts, ontging ons evenzeer.

    Door deze opstelling van de Nederlandse overheid misten repatrianten vele kansen waar zij recht op hadden. De overheid beriep zich bij terzake ingediende klachten op het feit, dat iedere Nederlander de wet behoort kennen.

    Deze regel gold kennelijk ook voor mensen die zeer kort tevoren waren gerepatrieerd en zich moesten storten op en het verwerven van een plaats in de voor hun zo vreemde samenleving. Toen wij jaren later enigszins gesetteld waren en banen hadden, moesten wij werken en overwerken om de aan ons verstrekte voorschotten voor de verplichte repatriëring, meubels, eerste opvang in pensions, etc. terug te betalen, hetgeen geschiedde.

    Door al deze verplichtingen werden onze gezinnen zowel materieel als geestelijk benadeeld. Vele gezinnen hebben hun kinderen onvoldoende begeleiding en ouderliefde kunnen geven. Deze periode leek soms op de tijd dat wij in Indië in kampen waren geïnterneerd geweest.

    Deze beschreven situaties waren mede de oorzaak van het feit dat nu, ruim 60 jaren na de eerste repatriëringen, de repatrianten op hun AOW uitkeringen tot 10% of meer werden gekort.

    Daarnaast werden erkenningen door oorlogswetten, eerst jaren (soms tientallen jaren later) na de in werkingtreding van die wetten, aangevraagd. Niet iedereen wist van het bestaan van deze mogelijkheden af. Veelal waren getuigen reeds overleden of werden het natrekken van getuigen voor hun verklaringen via de gemeentelijke bevolkingregisters onmogelijk gemaakt door de inmiddels inwerking getreden zogenaamde “privacy” wetgeving en de wet die claimmogelijkheid inkortte tot 5 jaren.(tijdens regering Lubbers).

    De Stichtingen “Pelita” , 1940-“1945”, etc. waren de instellingen die behulpzaam behoorden te zijn bij het maken van de sociale rapportages voor de erkenningen door WIV. WUV, WUBO, etc. Echter de groep rapporteurs van genoemde stichtingen

    waren niet altijd in staat hun werk naar behoren te doen, omdat kennelijk de voor hun zo belangrijke opleidingen ontbraken of zij onvoldoende waren toegerust. Velen van de rapporteurs waren bovendien personen, die niets over de oorlog, de cultuur en ellende in Indië afwisten. Uit alles bleek, dat zij voor hun werk geen module psychologie hadden gevolgd. Het contact met aanvragers voor erkenning door Pensioen en Uitkeringsraad (PUR), verliep vaak uiterst moeizaam, omdat zij het contact met de aanvragers die uit een ander milieu en cultuur kwamen, nauwelijks goed tot stand konden brengen. Zij verzuimden door de korte tijd die zij ervoor beschikbaar hadden, hun cliënten op hun gemak te stellen door bijvoorbeeld een behoorlijk introgesprek aan de reportage vooraf te laten gaan. Bij vele verklaringen die tot een erkenning zouden moeten leiden, ontbraken vaak in de opgemaakte rapportages de meest essentiële punten die tot hun trauma’s hebben geleid. Oorzaak: aanvragers ervoeren de gesprekken met rapporteurs als verhoren waardoor zij niet vrijuit konden spreken. De aanvragers hadden bovendien de indruk, dat indien zij in een kamp geïnterneerd waren geweest er voldoende redenen waren om door een oorlogscompensatie wet zoals WUV of WUBO erkend te worden. In de rapportages ontbraken geregeld, dat aanvragers door oorlogshandelingen of andere gevolgen ervan mindervalide waren geworden of getraumatiseerd waren geraakt. Daarom is het van belang, dat beoordelaars en rapporteurs voordat zij tot hun taak overgaan voldoende over de cultuur en gewoonten van aanvragers worden geïnformeerd. Overigens bestaat de groep rapporteurs in hoofdzaak uit personen die niet in vast dienstverband werkten. Het waren over het algemeen personen die na hun normale werkzaamheden het rapporteren als bijbaan hadden.

    Wij Indische Nederlanders hebben geleerd nog meer Nederlander te moeten zijn dan de in Holland geboren Nederlanders. Dit moest desnoods ten koste gaan van normen en waarden, die ons met de paplepel waren ingegoten. Conform onze cultuur moesten wij bescheiden zijn en ons als zodanig opstellen. Wij moesten ons nooit opdringen en alle leed zoveel mogelijk zelf dragen. Wij moesten niet afhankelijk zijn van anderen. Doziel gedrag was een deugd.

    Dit was voor de Indische Nederlanders de reden, dat ondanks kun opgelopen oorlogstrauma’s zij (in belang van hun gezinnen) in Nederland direct aan de slag gingen en geen gebruik wilden of konden maken van bestaande sociale wetten. Alle trauma’s werden verdrongen uit angst dat zij geen goede plaats, in de voor hun vreemde nieuwe maatschappij, konden verwerven.

    Mede door hun cultuur zijn zij zo onafhankelijk mogelijk gebleven. Zij hebben alles opzij gezet om zo snel en geruisloos mogelijk, mede in het belang van vooral hun gezin, in de Nederlandse samenleving te integreren en te assimileren. Deze instelling heeft echter voor de meeste Indische Nederlanders tegen zichzelf gewerkt en werden, hoe gek het ook klinkt, hiervoor “gestraft”.

    Latere aanvragen voor erkenningen door de oorlogscompensatie wetten werden moeilijker. In de tijd werden, zoals reeds gemeld, nieuwe wetten waaronder de ‘privacywet’ en de wet die claimmogelijkheden tot vijf jaren beperkten, ingevoerd en van kracht. Deze wetten waren voor vele instanties waaronder ziekenhuizen, doktersconsultatiebureaus, etc. een reden om alle patiëntendossiers na 5 jaar (weg) te schonen. Hierdoor werd het claimen voor gemaakte fouten beperkt en was het niet mogelijk om de causaliteit tussen ziekten opgelopen tijdens de oorlog en ziekten die nu werden geconstateerd nog vast te stellen.

    Bij aanvragen voor oorlog compensatiewetten schijnt het ook nog van belang te zijn vast te stellen of men tot de eerste of tweede generatie oorlogsslachtoffers behoorde. Deze nuance schijnt voor betrokken beoordelaars en rapporteurs eveneens een grijs gebied te zijn.

    Uit de demografie van Indische Nederlanders tussen 1930 en 2001, welke onderzoek ook door het CBS werd gehanteerd is precies weergegeven wie tot de eerste of tot de tweede generatie oorlogsslachtoffers behoort. De onderzoekers van dit stuk zijn: G. Beets, E.van Imhoff en C.Huisman.

    De regels voor artsen van de Pensioen en Uitkeringsraad, die de aanvragers/patiënten fysiek en psychisch moesten onderzoeken op hun in- c.q. mindervaliditeit opgelopen tijdens gebeurtenissen in de Tweede oorlogsperiode en de tijd daarna, waren kennelijk te beperkt. De ruim twee uren die de artsen voor de totale onderzoeken uittrokken voor Nederlanders met een ander cultuur, was veel te kort. De uitkomst was dan ook niet meer dan een moment opname, die beslissend was voor de rest van het leven van een aanvrager voor een erkenning door de PUR. De praktijk wijst uit, dat het in beroep gaan tegen een beslissing van een arts, uitermate moeilijk is. Immers artsen onder elkaar vallen elkaar niet af, terwijl de autoriteit van een arts in zijn prognose binnen zijn vakgebied zo groot is, dat de personen/rechters die er over moeten beslissen al gauw geneigd zijn de artsen gelijk te geven. Indien contra expertise wel wordt toegestaan (dit komst zeer sporadisch voor), dan gebeurt dit veelal door een andere collega arts van dezelfde dienst i.c. de PUR. De relatief korte tijd, die een PUR arts dan nodig heeft om tot een bindende beslissing te komen, schijnt voor de arts “voldoende” en voor de PUR acceptabel te zijn.

    Een PUR arts bleek bij navraag naast zijn artsen studie slechts een module psychologie van drie maanden te hebben gevolgd om binnen twee uren gefundeerd tot zijn belangrijke en bijna onomkeerbare beslissingen in verband met aanvragers psychische toestand te komen. Over de keuringswijze en de artsenbeslissingen zijn vele aanvragers daarom diep teleurgesteld.

    Zij zouden graag zien, dat contra expertises, al was het maar om de schijn weg te nemen partijdig te zijn, niet door een andere PUR arts plaats vond of vindt.

    Natrekken van informaties via bestaande archieven duurden tot ongeveer tien jaren geleden, gemiddeld een half- tot één jaar. Het geringe aantal ambtenaren werkzaam bij bedoelde archieven waren, vanwege een bestaand convenant die zij met PUR tekenden, bijna uitsluitend voor deze dienst aan het werk. De aanvragers raakten daardoor vaak zeer gefrustreerd en lieten de aanvragen uit moedeloosheid, verlopen en haakten af.

    Vaak werd er totaal geen rekening gehouden, dat zeer jonge kinderen ook getraumatiseerd kunnen raken. Meestal hebben zij, als klein kind, hun ouders door de vijand zien mishandeld worden en raakten daardoor in een constante stress. Zij hebben hun ouders na de oorlog geregeld zien worstelen met hun opgelopen problemen zonder er zelf iets aan te kunnen veranderen, waardoor zij eveneens getraumatiseerd raakten. Hun begeleiding ontbrak vanwege “onbekendheid” met dit fenomeen, in het totaal. In tegenstelling tot het beschrevene worden thans zelfs militairen die naar zogenaamde “brandhaarden” worden gezonden , na hun terugkeer meteen door psychologen begeleid.

    De overheid i.c. de PUR doet thans sinds 2006 “gelukkig” hun best door in een laatste poging

    aanvragers voor erkenning door oorlogswetten gericht te benaderen. Een en ander vloeit voort uit de overheidsregeling naar aanleiding van protestbrieven van oudere Indische Nederlanders. Dit onderwerp werd besproken in de Tweede Kamer der Statengeneraal. Het verslag gedateerd op 15 mei 2007 onder nummer VWS-07-240 en werd vanaf 16 mei 2007 verspreid.

    In 2009 zullen de taken van de PUR overgaan naar de Sociale verzekering Bank (SvB).

    Het Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) blijft echter verantwoordelijk voor de goede uitvoering van de PUR verplichtingen. Opgemerkt moet worden, dat deze laatste pogingen naar aanleiding van besluiten anno 2005 en 2006, voor de Indische gemeenschap die alsnog voor erkenningen in aanmerken willen komen, een pleister op de wonde is. Immers velen (waaronder ook de getuigen) zijn reeds overleden. Ook blijkt dat beweringen van aanvragers voor erkenningen werden getoetst aan niet volledige Nederlandse archieven. Vele bestaande buitenlandse archieven in vooral Indonesië, de USA, Canada en Australië worden amper geraadpleegd. Verklaringen kort na aankomst in Nederland, afgelegd bij ambtenaren van de Dienst Maarschappelijke Zorg (DMZ) of het Nederlandse Rode Kruis worden kennelijk nimmer geraadpleegd. De basis voor de aangevraagde erkenning is altijd de door Pelita, etc. opgemaakte socialerapportage, die zoals eerder beschreven is, mede door “onkunde” van sommige rapporteurs, vaak onvoldoende informatie bevat.

    Naast de “privacywet” vormt de wet die verjaring regelt eveneens een struikelblok bij aanvragen voor erkenningen van oorlogswetten. Tenslotte wordt nog gemeld, dat de WUV en WUBO ten opzichte van elkaar zich als discriminerende wetten verhouden qua datum van ingang als qua eisen voor de erkenning. Zowel geïnterneerden als zogenaamde buitenkampers hebben in oorlogsperiodes met Japan en Indonesië evenveel geleden. Zij hebben allen materieel alles verloren, werden mishandeld, hadden nagenoeg geen voeding noch medicijnen, enzovoorts, terwijl de zogenaamde buitenkampers bovendien in beschreven periode vogelvrij waren. Velen van hen werden zonder aanwijsbare reden of oorzaken gemarteld, verminkt en zelfs vermoord. Deze voorvallen werden tijdens de debatten in de tweede kamer der Staten generaal in verband met de uitkering van het zogenaamde “gebaar”, door de regeringsvertegenwoordigers erkend. In de hele regelgeving terzake werden de Indische omstandigheden en feitelijke misdaden door de vijand, teveel in analoog getrokken met de omstandigheden in Nederland. In Nederland kon de vijand niet alle Nederlanders gevangen zetten of voeding ontzeggen. Qua uiterlijk waren alle Nederlanders ongeveer gelijk en dus als Nederlander herkenbaar.

    In Indië was de verhouding circa 120.000.000 Indonesiërs tegen ongeveer 450.000 (Indische)Nederlanders, die bovendien qua uiterlijk, opleiding en gewoonten sterk van de Indonesiërs verschilden. Hierdoor waren zij voor de Japanners en Indonesiërs direct herkenbaar met alle gevolgen van dien. Het verblijf in gevangenissen vertoonde toen geen verschil met internering in kampen. Vele (Indische) Nederlanders werden door de Jappen echter in gevangenissen ondergebracht, omdat deze vijand niet over voldoende interneringcapaciteit beschikte. Door gebrek aan onderzoek door de Nederlandse overheid werden vele gevangenissen als niet erkende kampen gekwalificeerd. Het is schandalig, dat door deze miskwalificatie er heel veel Indische Nederlanders de kansen voor erkenning door WUV, WUBO, enzovoorts, aan hun neus voorbij zagen gaan of tenminste in hun pogingen om erkenningen voor WUV,WUBO, enz. te krijgen, ernstig werden bemoeilijkt.

    Meer onrecht werd aangedaan aan de door de Japanse bezetter vermoorde Nederlands Indische jongens, die aanvankelijk in de gevangenis van Lowokwaroe op Java werden vastgezet wegens vermeende subversieve activiteiten tegen de Jappen en later in het dorp Dampit werden vermoord.

    Ook Nederlandse jonge militairen die als oorlogsvrijwilligers naar Indië vertrokken, daar de orde hebben proberen te herstellen waarbij velen hun leven verloren, werden na terugkeer in Nederland als moordenaars in eigen land binnengehaald.

    In beide beschreven gevallen moest op particulier initiatief en met particulier geld ter herinnering aan hun die voor Nederland stierven, een gedenkteken worden opgericht te Bronbeek en ergens in Brabant.

    Nederlandse overheid hiervoor past maar een woord: ”schande”!

    Ondanks dat verklaringen van Ministers verzekeren dat voor aanspraak op oorlogswetten altijd geld beschikbaar is, blijkt in de praktijk dat alle terzake ingestelde regelingen door de Nederlandse overheid gericht zijn op frustratie van aanvragers en het beperken van uitgaven voor deze wetten.

    Het zogenaamde gebaar of de “fooi” en de totstandkoming ervan

    Omstreeks na 2000 volgde er een “uitkering ter genoegdoening” voor: door internering en geleden schade tijdens de Japanse bezetting tussen 1942- 1945 en derving voor geleden onjuiste en koele ontvangst in Nederland voor ex Indië repatrianten, die de Japanse en Indonesische (vrijheids)oorlogen hebben meegemaakt en schade hebben geleden.

    Deze regeling kwam tot stand mede onder druk van de Joodse gemeenschap. Deze drong aan op een vergoeding voor Joods verlies tijdens de Tweede oorlog. Zij werden bijgestaan door de Joodse leden in de USA senaat. Zij dreigden het functioneren van de AMRO-bank in de USA te frustreren of zelfs tegen te werken. De Sigeunergroep Roma-Sante vergrote deze druk door aankondiging van mogelijke demonstraties of nog erger. De Indische Nederlanders sloten zich hierbij aan via het Indisch Platvorm.

    Het Indisch Platform (IP) is eigenlijk een creatie van ex. Premier Lubbers naar aanleiding was het zg. “rauw- ei incident”. Deze toen niet wettelijk geregistreerde vereniging werd onder leiding geplaatst van een generaal buitendienst.

    Het IP zocht voor zijn bestaansrecht slechts 19 Indische verenigingen uit voor het platform. Zij pretendeerde de hele Indische gemeenschap te vertegenwoordigen. Hun werkelijke ledental was maximum 19 X 2000 leden = 38.000 personen.

    Van de circa 340.000 Indische Nederlanders werden deze 38.000 IP leden door de Nederlandse overheid als meerderheid erkend en gekwalificeerd. Hieraan vooraf gaand werd tegen deze beslissing, door Indische Nederlanders van over de hele wereld, via onder andere brieven en internet geprotesteerd. Helaas zonder resultaat. Dit noemt men in Nederland democratie?.

    Ook bij het uitbetalen van de beschikbare som voor het gebaar was er sprake van discriminatie. De verhouding van uitkeringsgerechtigden was:

    Indische Nederlanders factor 8, Joodse gemeenschap factor 4 en Sigeunergroep Roma Santi factor 1. Bij uitbetalingen van het gebaar kreeg de Joodse gemeenschap ongeveer fl. 7.000,- Roma Santi circa fl. 4.000,- en de Indische Nederlanders fl. 3.500,-- per rechthebbende.

    Daarnaast zou er voor de Indische Nederlandse groep een nader onderzoek worden ingesteld in verband met eventuele claimmogelijkheden voor het verloren gaan van particuliere eigendommen in Indië. Dit onderzoek werd door de Nederlandse regering in omstreeks 2003/2004 afgeblazen wegens geldgebrek en is er nooit meer gekomen.

    Van de in 1966 gemaakte overeenkomst tussen de Nederlandse en Indonesische regering werd door ex. Mr.Luns een bedrag van fl. 600.000.000,- (S. E. & O) overeengekomen voor het kwijtschelding en het afkopen van wederzijdse schulden. Dit bedrag zou gefaseerd door Indonesia aan Nederland worden betaald. Dit bedrag kwam alleen ten goede aan grote bedrijven die in Indonesia schade hadden geleden en hoe kan het ook anders, aan de Nederlandse regering.

    De Nederlandse burger (kleine man) kreeg het nakijken. Nederland heeft nimmer moeite gedaan de geleden schades door burgers van Indonesia vergoed te krijgen. Overigens zijn van de gelden die Nederland van de Japanse regering toucheerde voor de Nederlandse krijgsgevangen, de Birma spoorwegwerkers, nabetaling van achterstallige lonen, etc. grote bedragen nimmer bij de rechthebbende burgers terechtgekomen. Voor door Indonesië geïnterneerden die in bersiapperiode eigendommen werden onteigend, is nooit een regeling gekomen. Ditzelfde geldt ook voor de verplichte repatrianten uit Nederlands Nieuw Guinea.

    Volgens Indonesische generaals en procureur generaals is door Nederland nooit met Indonesië onderhandeld over de in Indonesië achtergebleven archieven van Indische Nederlanders en andere Europeanen, met alle gevolgen van dien voor aanvragers voor erkenningen door oorlogswetten.

    Het doel van de IP was aanvankelijk maandelijks de regering te informeren over (het in de gaten houden van) de Indische gemeenschap. Lubbers kon geen verstoringen in zijn regeerperiode hebben. Later groeide het IP uit tot onderhandelaar met en gesprekspartner van de regering in verband met zogenaamde “Gebaar”. Vele protesten van Indische Nederlanders van over de hele wereld mochten niet baten. Frappant is, dat in verband met de uitkeringen van het zg. “Gebaar”. voor de Ambonnezen er een speciaal wetje is gekomen. Vele van deze Ambonnezen waren immers tijdens de Japanse bezetting in 1942 – 1945 en voor 1967 in Nederland, mede door de idealen die zij nastreefden, geen Nederlander.

    Kennelijk zat de angst voor rellen door deze groep er nog goed in. Gerefereerd wordt aan bezettingacties en treinkapingen in Nederland, waarbij doden vielen.

    Duidelijk is inmiddels dat de Nederlandse regeringen zwichten uit angst voor opstandjes en de gevolgen ervan.

    Deze vorm van “druk uitoefenen op de regering” wordt thans ook door vele allochtonen groepen met succes uitgeoefend en met alle gevolgen van dien.

    Opmerkingen over het Nederlandse regeringsbeleid

     

De regeringen, die de laatste tien jaren voor het zeggen hadden, schijnen uit leden te bestaan, die op politiek gebied weinig achtergrond hebben. De regeerders hebben stuk voor stuk (soms) veel universitaire kennis. Hun kennis sluit echter niet aan bij de realiteit van het leven. Daardoor straalt van deze regeerders angst en onzekerheid uit. Er bestaan teveel wettelijke regels, waardoor men door de bomen het bos niet meer ziet. Fouten worden daardoor niet uitgesloten en het aantal ontevreden burgers groeit. De leus, iedere Nederlander hoort de wet te kennen is een farce. Al te vaak blijkt dat ambtenaren die de wetten moeten uitvoeren, deze onvoldoende kennen. Bijvoorbeeld worden UWV regelingen al te vaak foutief geïnterpreteerd, waardoor zieken de dupe worden. Vele 50 plussers die niet kunnen werken, werden volgens de nieuwe regelingen van de UWV gekeurd, in welke categorie zijn eigenlijk niet horen. De uitkomsten van deze keuringen zijn derhalve strijdig met de terzake geldende UWV regelingen. De vraag blijft of deze fouten op initiatief van de UWV ambtenaren worden hersteld ?  

Er zijn gevallen bekend, dat zulke fouten via de rechter op initiatief van de (leek) betrokkene moet worden aangevochten. Zo’n beroepprocedure werd zelfs door de toenmalige Minister de Geus geadviseerd en door hem “de enige juiste weg” genoemd.

Dergelijke procedures nemen helaas veel tijd in beslag. Veelal raken benadeelden hierdoor (nog erger) in financiële problemen.

Kennelijk hoopt de overheid door vertragingstactieken het pleit te kunnen winnen.

Dit is het algemene gevoel, die de burger heeft. Ook weerhoudt het de burger een proces tegen de overheid te beginnen, omdat naast het bewijs van onvermogen die men als men daarvoor in aanmerking komt krijgt, de kosten voor eigen bijdrage te hoog zijn. Door hulpverlenende juristen worden per geval, de minimale bijdrage van € 50,- in rekening gebracht. Elk proces kent, naar het schijnt, soms een veelvoud van gevallen.

Ten slotte, hoe ironisch ook, op het internet was zelfs een site waarop te zien was welke missers de ambtenaren van UWV maakten en welke missers in de “top tien” gerangschikt waren!

 

Soms gaat partijpolitiek boven regeren.

Dit kwam onder ander tot uiting bij de beslissing inzake de kwestie Hirchi Ali.

Volgens de burger was de kern van de fout, het accepteren van Hirchi Ali’s asielaanvraag, zonder dat voldoende onderzoek was gedaan naar haar herkomst.

Immers zij kwam uit Kenia waar zij studeerde en waar geen gevaar voor haar leven te duchten was. Een asiel verzoek was toen derhalve niet op zijn plaats.

Voor het herstellen van het verstrekken van onjuiste informatie over haar naam, etc. en het verstrekken van het Nederlanderschap en paspoort, bleken achteraf meer “juridische mogelijkheden” aanwezig te zijn, waardoor de gemaakte fout te niet kon worden gedaan?. De regering heeft deze “juridische” kans dan ook met beide handen aangegrepen om Hirchi Ali haar paspoort te later behouden.

De regering en de verschillende regeringspartijen, waaronder de VVD, hebben daarmee hun gezicht kunnen redden. Men moet er niet aan denken, dat het kabinet met 149 in plaats van 150 reglementaire parlementsleden heeft geregeerd. De terzake gevoerde debatten in het parlement, waren overigens een genante vertoning.

 

De vraag is of kerk en staat in Nederland inderdaad gescheiden zijn.

Uitingen van geloof worden in openbare diensten bijna niet meer geweerd. Het dragen van hoofddoeken/ kapjes, enzovoorts, worden in openbare diensten normaal gevonden. Het zou best als kwetsend kunnen worden ervaren, als zieke moslims door een katholieke non met haar kap op in een ziekenhuis worden geholpen en gewassen?

Als mens moet je tegenover je medemens open zijn, en je aldus gedragen. Het zou gek zijn als iemand met een peniskoker achter de balie van een stadhuis zat of dat een Surinaamse Nederlandse met een donkere bril op achter de balie van een sociale dienst cliënten te woord staat. Immers oogcontact, herkenbaarheid en persoonlijke interactie zijn de basis voor een wederzijds vertrouwen. Personen die bij openbare diensten werkzaam zijn dienen verplicht een badge met hun naam of referentienummer erop te dragen. Nog al te vaak weigeren medewerkers van genoemde diensten hun naam te noemen. Kennelijk zijn zij niet zeker van hun juist functioneren.

De regering dient uit te maken, dat er voor haar ambtenaren kledingvoorschriften zijn. Dat er scholen komen, waar het geloof in het algemeen alleen onderwezen wordt buiten de normale lesuren.

Het zou te gek voor woorden en onwerkbaar zijn, als er tijdens les- of kantooruren elk lid voor zijn/haar bepaalde geloof, op het door hun kerk opgelegde tijdstipt, het werk kan en mag verlaten om te kunnen bidden. Het kan niet zo zijn, dat op vliegvelden daardoor vluchten stagneren of collega’s extra worden belast.

 

Kennelijk zijn de opeenvolgende Nederlandse regeringen door hun aarzelende opstellingen bezig het land onregeerbaar te maken!

De regering moet de baas zijn ! Zij schrijft, na overleg en goedkeuring, voor.

Het kan niet zo zijn, dat door weerstand vanuit de bevolking voorgeschreven zaken een wending krijgen.

Indien er iets noodzakelijk moet worden veranderd, voorbeelden zijn de UWV en Zorgwet, regulering van het verkeer, arbeidsplaatsen, enzovoorts, dan dienen vóór de in werkingstelling ervan, éérst uitgebreide voorlichtingscampagnes worden gehouden.

Daarna dienen pas de veranderingen, soms in fasen, worden ingevoerd. Door te snelle invoering kennen zelfs de ambtenaren de door hun uit te voeren wetten niet. Administraties lopen achter en veranderen in een chaos, waardoor men een ontevreden burgerbevolking overhoud.

Op internet bestond zelfs een site waarbij dagelijks een “top tien” van door UWV ambtenaren gemaakte fouten werden beschreven.

Vele burgers raakten door de invoering van de nieuwe Zorgwet en UWV zelfs in financiële problemen en moesten hun toevlucht zoeken tot schuldsaneringinstanties.

De UWV weet, dat er geen werk is voor alle Nederlanders. Desondanks werd een ieder, die in staat wordt geacht te werken, ook verplicht naar werk te solliciteren.

Er wordt voor ouderen (60-plussers) en zieken in eerste instantie geen uitzonderingen gemaakt.

Men gaat ervan uit, dat als men een uur voor eigen voeding kan zorgen, men ook een uur kan werken. Dat deze personen soms op zichzelf zijn aangewezen, daarnaar wordt niet geïnformeerd.

Met psychisch zieken, naar aanleiding van trauma’s uit de Tweede Wereldoorlog, worden ondanks doktersattesten geen rekening gehouden, waardoor deze categorie nog meer getraumatiseerd raakt.

De UWV laat zelfs na, bij de behandelaars informatie in te winnen naar de toestand van deze patiënten.

Psychisch zieken worden kennelijk alleen vrijgesteld van sollicitatie, indien men in een inrichting is opgenomen. Uitvoerenden hebben door deze onmenselijke houding van de overheid bij het naleven van de bepalingen van de UWV ertoe bijgedragen, dat verschillende (getraceerde) patiënten zelfmoord hebben gepleegd. (zie TV uitzendingen en rapportages van “Nova” c.q. ”Zembla”). Het werkelijke aantal zelfmoord gevallen of pogingen daartoe kunnen best hoger liggen.

 

De benadeelde Nederlands Indische groep en hun grieven.

 

De grootste groep benadeelden zijn de Indische Nederlanders. Er is tot op de dag van vandaag bijna niets voor de gewone Nederlands Indische burger gedaan waardoor zij zich als gelijkwaardige burger op kunnen stellen.

 

Tijdens bezoeken aan Indonesië, vanaf omstreeks 1987, werden vele kampen waarin Nederland Indische gezinnen geïnterneerd waren, te weten: het Kempetai gebouw (verhoor en selectiekamp) te Poerwokerto en de kampen Bodjong, Klampok, Ambarawa, enzovoorts, bezocht.

Van een bevriende generaal en een procureurgeneraal (Soewadi) kreeg ik te horen, dat alle oude Indisch Nederlandse archieven naar een centraal punt in Jakarta waren overgebracht of alsnog zullen worden overgebracht om vernietigd te worden.

Hierdoor konden eventuele schadeclaims worden voorkomen. Het een en ander vond plaats in opdracht van wijlen president Soekarno.

 

Nederland is in gebreke gebleven, de belangen van Indische Nederlanders te waarborgen. Zij heeft nagelaten, de voor de Indische Nederlanders zo belangrijke, bescheiden naar Nederland over te brengen of hun achtergelaten bezit te doen registreren. Deze nalatigheid geldt ook voor particulier bezit van Nederlanders in ex. Nederlands Nieuw Guinea.

 

Vooral voor de Nederlands Indische niet-geïnterneerde burgerbevolking werd bij Japan, noch bij de Indonesiërs iets ondernomen om persoonlijke claims achteraf mogelijk te maken. Er kan worden gesteld dat deze groep, ondanks dat geïnterneerden (kampers) en niet-geïnterneerden (“eigenlijk verplichte”buiten kampers omdat Japan geen interneringscapaciteit had) en in verband met het zogenaamde “gebaar ” waren gelijkgesteld, totaal aan hun lot werden overgelaten. De overheid vergeet, dat dankzij de niet geïnterneerden in de oorlogen tegen Japan en Indonesië, er aanzienlijk meer Nederlanders hebben kunnen overleven door hulp van de zg. buitenkampers. Zij deelden het kleine beetje dat ze hadden met hun lotgenoten in kampen. Dat de Nederlandse overheid zich aan haar verplichtingen heeft onttrokken bleek voorts uit het onderzoek in verband met “het Gebaar”.

De commissie die zich omstreeks 2001 daarmede belaste kwam in haar rapportage al heel snel tot de conclusie, dat alleen Nederlanders uit de “hogere klasse” bezittingen in Indië hadden en dat het bezit van het overige deel van de Nederlanders Indische bevolking te verwaarlozen was.

 

De roof uit de zogenaamde “pandjeshuizen” in Indië waaronder die te Batavia (waar in hoofdzaak de “ kleine man” zijn bezit met een totaal van miljoenen door omstandigheden heeft moeten onderbrengen), en naar aanleiding waarvan tijdens de onderzoeken diverse Nederlandse hoogwaardigheidsbekleders in Indië, waaronder generaal Spoor (die het onderzoek gelaste), redacteur van het Bataafse Nieuwsblad, J. H. Houbolt, Vaandrig R. C. I. Aernaut en Mr. W. J. Haye, omkwamen en welke informatie de wereldpers haalde, werden “nooit opgelost”.

Vaandrig Aernaut werd naar alle waarschijnlijkheid in het “Dagohuis”, beter bekend als “Villa Berretty” te Bandoeng op West Java geliquideerd, omdat hij te veel van de roof afwist.

Kaptein vlieger Davids is naar men zegt een van de personen die bekend zou zijn met waarheen de geroofde buit naar toe was gebracht. Als mogelijke bestemmingen werden genoemd: Australië en/of Brunei in Noord Boreneo.

 

 

Men vergeet, dat Nederland rijk is geworden door Indië en na de Tweede Wereldoorlog haar financiële positie op peil heeft gebracht, mede dankzij gelden van Indische Nederlanders die niet zijn of konden worden uitbetaald, die aan de Birma spoorweg hebben gewerkt. Marshallhulp waarvan Indië niet heeft kunnen profiteren.

Nederlands Nieuw Guinease belastinggelden, die oneigenlijk naar Nederland werden overgebracht en gebruikt, enzovoorts.

Via een rechtelijke uitspraak, aangespannen door de Hr.Peter de Ridder van “Buitenlandse Indische Pensioen Belangen” te den Haag, werd naar men zegt bepaald, dat het terugeisen van het oneigenlijke gebruik van belastinggeld uit Nieuw Guinea alleen mogelijk is, indien men naar het buitenland emigreert. Terugvorderen is dan mogelijk tot maximaal 10 jaren. Ook van deze mogelijkheid zijn velen niet op de hoogte.

.

Dat veel Nederlanders de beschreven zaken niet weten, komt omdat bijna 60 jaren lang alles wat met de Nederlandse 300-jarige voorgeschiedenis in Nederlands Oost Indië te maken heeft, in Nederland politiek taboe was en misschien nog is. Immers op vrijwel alle scholen in Nederland werd/wordt over deze geschiedenis gezwegen.

Het heeft meer dan een halve eeuw geduurd voordat de Nederlandse Overheid toestemming gaf de Indische doden op 14 augustus officieel te herdenken en een echt einde van de Tweede Wereldoorlog in Indië op 15 augustus 1945 kon worden gevierd. Op die dag, (dus bijna 60 jaren geleden) gaf de Japanse Keizer zich over aan de geallieerden en werd er uiteindelijk een monument voor de in de Tweede Wereldoorlog gevallen burger Indische Nederlanders opgericht (rauw ei incident Lubbers) en kon de Nederlands Indische bevrijding in augustus eindelijk worden1945 gevierd.

De Nederlandse regering heeft zowel in de oorlogsperiode 1942 tot 1949 en in verband met de Nieuw Guinea periode, niets voor haar Nederlandse burger onderdanen gedaan, terwijl zij toch vooral voor de periode 1942-1945, naar oordeel van de Nederlandse rechter, moreel verantwoordelijk was voor de oorlog tegen Japan.

 

De toekomstige status van de CAOR, onderdeel van SAIP te Heerlen, is vooralsnog nog onbekend.

Vermoedelijk zal deze instantie, evenals bij het teveel aan Indische pensioengelden van Saip, worden ondergebracht bij het ABP te Heerlen.

 

Het Algemeen Burger Pensioenfonds (ABP) heeft overigens omstreeks jaar 2000, miljarden aan pensioengelden van toekomstige pensioengerechtigden verknald door grote fouten te maken bij hun wijze van beleggen. Dit verlies wordt thans bijna geheel toegeschreven aan de val van de dollar.

De aandacht van het werkelijke probleem is daarmee afgeleid. Ieder leek weet, dat men bij beleggen meerdere kansen moet benutten en dus niet op een paard moet gokken.

In voor ABP goede tijden, kreeg haar personeel jaarlijks tantièmes van de winst, die met het geld van de premiebetalers werd verdiend.

Aan verlagingen van premies werd toen, ondanks terzake ingediende voorstellen door onder andere de Nederlandse Pensioenbond, niet gedacht. Nu er door verlies aan pensioengelden tekorten zijn ontstaan voor de verplichte garantie pensioen reserves, moet vooral de groep gepensioneerden het ontgelden door kortingen op de jaarlijkse prijsindexatie in verband met aanpassing voor elementaire levensbehoeften. Alle nog werkenden, krijgen een compensatie van ongeveer 2,75%. De groep gepensioneerden toucheert daarentegen slechts 0,4%. In 2006 is deze compensatie gelukkig naar 0,7% opgewaardeerd. Over discriminatie gesproken?

 

Men verkondigt het idee om in 2006/2007 het voornemen te hebben om in verband met de vergrijzing, alle werkenden en gepensioneerden, een extra premie te laten betalen om deze kosten te kunnen dekken.

Het klinkt solidair, maar is het niet genoeg dat de gepensioneerden van nu na de Tweede Wereldoorlog Nederland weer hebben opgebouwd. Vrijstelling van deze groep zou meer op zijn plaats zijn.

Het is toch bekend, dat velen van hen onder de wettelijke loongrens verdienen en bij verblijf in tehuizen zelfs bijna hun hele inkomen aan kosten verliezen.

Het zou redelijker zijn als een ieder die nog geen 50 jaar is het tekort compenseert of door middel van verschuivingen in het belastingsysteem de pijn wordt verlicht door een brede lasten verdeling.

Bovendien hebben wij Indische Nederlanders al tot twee maal toe een geldsanering meegemaakt.

Eén maal in Indië. Het bankbiljet moest in tweeën worden geknipt. Het deel met de beeltenis van de Koningin of anders, was de helft waard. Voor de andere helft, daar zou men geldwaardige papieren voor krijgen die later in betere tijden zouden worden uitbetaald. Van deze uitbetaling is nooit iets gekomen.

De tweede sanering vond plaats met intrede van de Euro. Ons geld werd niet opgewaardeerd naar de norm van het Duitse mark, ondanks dat daar wel de mogelijkheid voor was. We kwamen met een half salaris aan Euro’s thuis. De prijzen vlogen vervolgens omhoog en soms was de verhoging meer dan 100%.. Bijvoorbeeld dokterskeuringen voor rijbewijzen of andere identiteitspapieren, kosten aankoop van huizen, begrafenis en crematiekosten en vooral gemeentelijke leges en belastingen, nog veel meer.

Het tekort aan werkplek en de abominabele stijging van elementaire kosten van levensbehoeften zijn mede oorzaak van criminaliteit.

Ieder Nederlander ziet, dat het verschil tussen rijk en arm enorm vergroot is. Iedereen heet tegenwoordig bekende Nederlander (BN-er). Deze groep speelt elkaar het balletje toe. Allen zijn ze ambassadeur voor sociale doelen. Dit is uitmuntend, ware het niet dat de programma’s die zij maken hun grof geld opleveren. De vraag is hoeveel geld echt naar het goede doel gaat?

Ditzelfde geldt ook voor de loterijspelletjes op TV of liever gezegd “de grove bedekte gokpartijen”. Met mooie praatjes wordt er á € 0.60 per gesprek uit de zakken van bellers die “misschien winnen” (kans 1:10.000 of meer) geklopt. Gokken is slecht wordt er verkondigd. De Nederlandse overheid is de grootste “beheerder/aandeelhouder” van gokmogelijkheden in de vorm van staatloterijen, bankgiroloterijen, enzovoorts. Toen er geld tekort was voor kostendekking van bepaalde overheidsuitgaven verscheen de nu ex. Minister Zalm van Financiën ten tonele. Op de vraag hoe hij de vele financiële aanvragen van ministeries dacht te dekken, antwoordde hij lachend: “Bij te vele vraag van ministeries verhoog ik domweg de gokbelastingen van 25% naar 30%”. Deze uitspraak leek een grap. Enige maanden laten werd de belasting op kantspelen inderdaad van 25% naar 29% verhoogd.

Gokken mag, mits met vergunning van overheid. Alsof deze regel het gokken doet verminderen en er minder gokverslaafden door komen? Overheid gebruik je verstand. De volgende stap is al begonnen met de verkoop van Wied (soft drugs).

Criminelen kunnen hun belasting over verkregen zwartgeld soms al afkopen, omdat de belastingdienst de echte hoeveelheden zwart geld en de afkomst ervan niet kunnen traceren. De gedachte erachter is kennelijk “liever iets dan niets”. Wat is dan gemakkelijker en voordeliger?. De zaak op de spits te drijven en vervolgens een afkoopsom betalen?.

Zo simpel gaat het in Nederland. Het is daarom niet gek, dat de kleine man en zijn gezin die honger lijden “crimineel” worden. In de krant van medio oktober 2007 stond: De rechter gaan misdadigers van misdrijven zoals verkrachting, diefstal, mishandeling, enzovoorts, binnenkort in plaats van gevangenisstraffen een taakstraf opleggen. Waar blijft het recht. Als degene die schade is berokkend niet voldoende genoegdoening krijgt door de opgelegde strafmaat van de rechter, dan kan het best zo zijn, dat in korte tijd “zelfrichting” op grote schaal wordt toegepast. De uitspraak over het opleggen van taakstraffen zal wel weer worden “teruggedraaid c.q. worden afgezwakt”. Immers de Minister van justitie beraad zich erover.

Het resultaat zal uiteindelijk zo zijn, dat wij allen legaal bedrijven oprichten, onze mede mensen zonder “veel problemen” kunnen oplichten om vervolgens veel geld te hebben, dit weg te werken en tenslotte failliet te gaan. Na een taakstraf is men “boven Jan” (beleggingfondsen). Dit is Nederlands recht anno 2007 en misschien nog lang daarna. Immers verdachten in de gevangenissen zien kans bijna alle getuigen om zeep te laten brengen. Dit wordt nog veel erger als men buitenlandse moordenaars inhuurt, binnen een uur na aankomst iemand in opdracht laten vermoorden en de dader vervolgens binnen een uur weer het land per vliegtuig, naar bijvoorbeeld de oriënt, gaat verlaten. Deze these is geen verzinsel. Dit gebeurd thans nog in beperkte mate, reeds jaren. Evenals drugs die per pakketten van 50 kilogram, via de open Europese grenzen van parkeerplaats naar parkeerplaats van grote warenhuizen worden overgebracht om uiteindelijk hun einddoel te bereiken zonder dat de politie er een vinger achter krijgt. Met 50 gehuurde auto’s van het land waar men rijdt ziet men kans per dag duizenden kilo”s drugs zonder veel problemen op eindbestemmingen te brengen. Dit kan onze toekomst zijn.

Kortom het leven in Nederland wordt er niet beter op.

Er wordt in de politiek anno halverwege 2007 over vele plannen gediscussieerd. Echter zaken worden nauwelijks aangepakt. Ook niet de zaken van onze gerenommeerde “grootverdieners”, BN-ers, overheidsdienaren, enzovoorts. Immers als je maar lang genoeg de voortgang van zaken weet frustreren met mooie praatjes, dan wordt je vanzelf een afkoopsom aangeboden (kwestie Albert Hein, Amro, enzovoorts). Het is niet vreemd, dat velen rechten studeren of in ieder geval dit bestuderen!

Kosten bestrijding criminaliteit anno 2007:
€ 20.02 miljard. Onderzoek in verband met een moord kost de maatschappij circa € 3,2 miljoen per geval. Eindresultaat onderzoek ?

Jaarlijks worden in Nederland ongeveer 11 (elf) miljoen strafbare delicten gepleegd waarvan het merendeel vermogensdelicten betreffen. Verder worden er per jaar ongeveer 1(één) miljoen verkeersdelicten gepleegd, 400.000 drugzaken en circa 200.000 zeden zaken. Moord en doodslag komen per jaar ongeveer 170 maal voor. Verlies door fraude van sociale verzekeringen bedraagt ongeveer vele miljoenen Euro’s. Jaarlijks kosten rellen, ordeverstoringen en brandstichtingen bovendien miljoenen Euro’s.

 

In medio oktober 2007 werden 2 agenten te Amsterdam op hun werkplek meerdere malen met een mes gestoken waardoor zij zwaar lichamelijk letsel opliepen en moesten worden geopereerd. De dader, die en zieke crimineel bleek te zijn, werd door een van de agenten doodgeschoten. Gevolg rellen waaraan in hoofdzaak allochtone jongeren aan deel namen. Er werd naar de politie met stenen gegooid en auto’s werden in brand gestoken. Ruiten sneuvelden waaronder die van het politiebureau. De in grote getale op het plaats delict aanwezige Politie trad bijna niet op. Er werd niemand gearresteerd, terwijl de daders “bekend” waren. Bij verstoringen van de openbare orde is de Burgemeester, hoofd van de plaatselijke politie. Kennelijk berust het niet optreden een van de politie op een politieke beslissing. Zo’n beslissing werd ook door de burgemeester genomen toen een minaret van een moskee in Amsterdam, de hoogste van Europa zou worden. Betrokkenen dreigden met rellen. Het resultaat was dat enkele dagen na de dreigementen een bericht verscheen dat de bouw doorging mits de minaret slecht enkele meters korten werd. De burgerij spreekt schande over het beperkte politieoptreden. De overheid heeft weer eens getoond bang te zijn voor de gevolgen van ordeverstoringen die gepleegd zijn door jonge allochtonen. Overheid het wordt tijd te laten zien wie de baas is op straat en zonodig in heel Nederland. Het publiek spreekt schande over het hele optreden en het gebeurde. Kortom kennelijk schort er iets aan criminaliteitsbestrijding door de overheden en de door de rechters opgelegde straffen. Immers bekend werd dat rechters criminelen in plaats van een gevangenisstraf een taakstraf willen opleggen. Zo leverde bij een postcodeloterij uitbetaling in één straat, het de overheid circa € 300.000 op, door inning van achterstallig betaalde boetes.

( bron Nederlandse kranten oktober 2007).

 

Omstreeks 25 oktober verscheen een bericht in diverse kranten, dat een rechter in opleiding te Den Bosch zonder dat hij aangesteld was, circa 40 toch zogenaamde zware zaken heeft gevonnist zonder dat jij daartoe bevoegd was. De aansprakelijke autoriteiten hebben hem vergeten als rechter aan te stellen. Gevolg van deze misser: vonnissen ongeldig. Deze rechtelijke fout kan leiden tot vrijspraak of na Hoger beroep gehele her behandeling van alle zaken. Helaas kwamen in vanaf 2001 al te vaak justitiële missers voor.

 

Automobilist super melkkoe.

Van de 16,6 miljard van de autobelastingen, worden slechts 1,9 miljard besteed aan het Nederlandse autowegennet. Vanaf ultimo 2007 stijgen deze belastingopbrengsten via de portemonnee van de automobilist naar 17,3 miljard, terwijl daarna slechts 2 miljard aan de wegennet wordt besteedt. Hieruit blijkt, dat de Nederlandse overheid niet duidelijk aangeeft, waarvoor ze BPM, wegenbelasting enzovoorts, heft (aldus woordvoerder Bovag).De vraag is: welke som wordt van dat geld aan het milieu toebedacht?. Kortom hoelang wordt de automobilist nog uitgebuit.

 

Mogelijke veranderingen in regeringsbeleid waardoor land veiliger wordt

 

Nederland heeft in 2006 tegen de EU grondwet gestemd. Regering Balkenende veranderd thans van inzichten en wil, ondanks verzoeken uit de Tweede kamer der Staten Generaal geen referendum meer hierover. Door Nederland worden echter naar de EU toe weinig initiatieven ondernomen. Resultaat is dat er “buiten Nederland om” verschillende regelingen tot stand komen, waar Nederland nauwelijks inspraak in heeft gehad. Nederland zou er beter aan doen actief in de EU aan de gang te gaan en voorstellen te doen op gebied van:

  • gemeenschappelijk asiel acceptatiebeleid, het inrichten van gecentraliseerde asiel- en uitwijzingscentra, desnoods met uitwisseling van personeel uit diverse landen;

  • milieubeleid, waaronder terugdringen van smog uitstoot door fabrieken vlieg- en fileverkeer ( i.p.v. asfalt erbij);

  • terugdringen van criminaliteit en hogere berechting ervan, alsmede opsporing en berechting van door de EU zwervende criminelen, waarbij berechting en detentie in elk EU land mogelijk moet zijn.

  • Dat zware straffen criminaliteitscijfer naar beneden haalt heeft de Staat Singapore bewezen. Dit Stadsstaatje veranderde binnen enkele jaren van “rovershol” tot een van de veiligste en schoonste staten in de wereld. Een eiland in de Noordzee als gevangenis inrichten zou de opgelegde straf, zeker gevoelsmatig, zwaarder maken. De kans op ontsnapping neemt door detentie op een eiland af.

  • gemeenschappelijke defensie beleid , zoals gemeenschappelijke marine, luchtmacht en troepen organisaties, alsmede inkopen van materieel.

  • Nederland neemt thans als klein land veel te veel hooi op de vork, waardoor de burgerij in de kosten ervan stikken;

  • EU grondwet tegenhouden, tenzij voldoende waarborgen voor het behoud van vetorecht bestaat of andere zekerheden worden gewaarborgd;

  • voorstellen, dat lidstaten gelijke financiële inbreng hebben, enzovoorts;

  • Misschien is het vormen van “een blok” van kleine landen (Benelux, Denemarken, Estland, letland, Noorwegen, Zweden, etc.) tegenover de grote EU landen, een mogelijkheid is om de democratie binnen de EU in evenwicht te brengen en te houden. Immers indien Frankrijk. Spanje en samenspannen en dat gebeurd natuurlijk niet in het openlijk, dan hebben de rest aan kleine lidstaten niets meer in te brengen. In Spanje worden talloze wegen, vaak parallel aan elkaar, aangelegd terwijl hiervoor hele spaarzame groengebieden worden omgeploegd naar alle waarschijnlijkheid met EU subsidies.

    Het uitwisselen van personeel door de diverse diensten zullen wederzijdse vertrouwen, werkwijzen en begrip in de hand werken.

    In eigen land kan Nederland beginnen door:

    Openbaarvervoer geheel vrij van betaling te laten functioneren. Iedere burger die geld genereert kan bijvoorbeeld met € 100,- p/jaar via belasting worden aangeslagen. Parkeerplaatsen inrichten voor doorvervoer van passagiers en inzetten van bussen om medewerkers van bedrijven en overheidsdiensten zo dicht mogelijk bij hun woning op te halen voor het werk, inzetten van schoolbussen voor vervoer van kinderen, uitbreiding van openbaar vervoersfrequentie, enzovoorts.

    Voordelen:

    minder inzet van personeel bij vervoersbedrijven waardoor controle niet meer nodig is en personeel voor veiligheid van passagiers kunnen worden ingezet;

    door deze maatregel minder file. Thans kost controle apparatuur en personeel die ermee belast wordt een vermogen, terwijl behaalde resultaat relatief nihil bedraagt;

    --Indien minder files beter transport doorstroming, waardoor na uitbreiding van haven en luchthavenfaciliteiten, Nederland beter tot z’n recht komt als doorvoerland;

    --Mogelijk dat door deze maatregelen het

    milieu uiteindelijk ook wordt gespaard;

    --Huisvesting/eigen woningen voor alle jongeren door ruime garantie van de overheid voor hypotheken tegen lage aflossing tot 65ste levensjaar en tegen een minimale rente, waardoor aftrekmogelijkheid via belasting kan komen te vervallen. Bij ingaan van pensioen dient hele hypotheeksom te zijn afgelost. Geen oude woningen vanaf 50 jaren meer verkopen aan jongere woningzoekenden. Immers deze oude woningen van vlak na de Tweede Wereldoorlog worden met vele 100-den% winst, tegen woekerwinsten door woningbouwverenigingen aan jongeren doorverkocht en zijn nadat zij zijn afbetaald rijp voor de sloop. (dit lijkt op kopersbedrog). De woningcorporaties worden daardoor miljarden Euro’s rijker).

    Voordelen van de verkoop van nieuwe woningen:

    -- hogere nieuwbouwcapaciteit, zonodig bouw aan buitenlandse bouwers uitbesteden, waardoor prijsconcurrentie ontstaat.

    -- Meer werk gedurende decennia voor       bouwvakkers en alle toeleveringsbedrijven. Misschien worden dan de miljarden bezittende woningcoöperaties eindelijk tot dorde geroepen voor hun slechte woningbouw prestaties en veel te geringe oplevering van nieuwe huizen. De subsidies worden dan bovendien beter benut, enzovoorts.

    Veiligheid en hangjongeren. Dit probleem wordt vermoedelijk veroorzaakt door de tijd en de emancipatiemogelijkheden voor vrouwen. Beide ouders willen werken en verdienen. Zij zijn daarom de hele dag niet thuis. Gevolg geen opvang voor thuiskomende kinderen.

    Dit probleem kan niet in vijf jaar worden opgelost. Door de schooluren te verlengen en schoolkinderen vanaf tussen bijvoorbeeld 10.00 uur en 20.00 uur op school te laten doorbrengen, zijn schoollieren de hele dag onder dak als ouders niet thuis zijn. Wel dienen maaltijden worden genomen in verband met voeding en leerroosters dienen te worden aangepast. Het verdiend aanbeveling om naast de verplichte lesroosteruren, onder toezicht huiswerk te laten maken.

    Sport zal een heel belangrijk lesonderdeel moeten zijn. Immers door sport leert men teamwork, winnen, incasseren, verliezen en kweekt men een goede lichamelijke conditie en fysieke mentaliteit.

    Hangjongeren die reeds van school zijn niet onderbrengen in opvoedingseenheden met een “militair” regime. De militaire tucht en de fysieke kracht die men opbouwt maakt hen alleen maar hard, waardoor de overstap naar radicalisme en terrorisme alleen maar groter wordt.

    Het is beter dat zij die ervoor in aanmerking komen, scholing te geven en een vak naar keuze te laten leren. Een baan na studie kan via stages bij de overheid worden gerealiseerd. Hierdoor kan er tijdelijke controle worden gewaarborgd. Over het algemeen veranderd men als men volwassen is.

    Criminaliteit tegen gaan door onder andere realiseren van de zogenaamde Urbanisaties, die zijn uitgerust met alle disciplines die een woongemeenschap nodig heeft, zoals een doktersdienst, sportaccommodatie, winkels, parkeer faciliteiten, scholen, enzovoorts.

    Voordelen: betere integratie van bewoners, meer sociale controles, geen hardrijders binnen de Urbanisatie waardoor verkeersveiligheid wordt vergroot, winkelende- en de dokter bezoekende bewoners hoeven het terrein niet meer te verlaten. Men kan overwegen de veiligheid te verhogen door samen een nachtportier in te huren, etc. Elke urbanisatie heeft een bestuur. Overtreding van regels kunnen bijvoorbeeld in uiterste situatie voor de rechter worden gebracht.

    Indien alle benodigde processen verbaal die o. a. politie, belastingdiensten en andere overheidsdiensten, enzovoorts, zouden worden voorbedrukt, nadat de standaard ervan door het openbaar Ministerie of andere juristen/diensthoofden zijn gecontroleerd, dan kan het personeel, die het werk moeten doen twee maal zoveel werk verzetten. Degene die daarover een oordeel over moeten vellen, hebben al hetgeen reeds voorbedrukt is, niet meer op fouten na te zien, waardoor efficiëntie alleen maar vergroot wordt. Vele standaard regels, zoals ijk formulieren, data, aanzeggen van proces-verbaal, en zelfs vonnissen waarop de rechters verplicht hun aanstellingsnummers moeten invullen, kunnen voorbedrukt worden en dus nooit meer worden vergeten, hetgeen de kwaliteit van de akte alleen maar versterkt.

    Alle diensten die auto’s beheren kunnen hun voertuigen door de garages die de voertuigen bij koop leveren, onder scherpe extra voorwaarden met boete clausules, deze repareren, onderhouden, etc. Bedongen kan worden dat voor hun dienst een aantal auto’s in reserve ter beschikking staan. Deze reserve voertuigen kunnen bij vervanging van een deel van het wagenpark worden ingezet/alsnog worden aangekocht. Hierdoor kunnen alle onderhoudspools bij overheidsdiensten, waar vaak inefficiënt wordt gewerkt, verdwijnen.

    Zo zijn er nog tal van mogelijkheden, die er vooral op gebied van efficiëntie kunnen worden gerealiseerd en uitgebuit.

    Het zou ook goed zijn als Nederland de paspoort kwestie goed onder de loep neemt.

    Inwoners moeten kiezen: Nederlander zijn of niet.

    Ieder bezitter van een Nederlands paspoort, dient in Nederland alleen als Nederlander aangemerkt, zelfs als zij nog andere paspoorten bezitten die door een ander land zijn afgegeven.

    Zij die geen Nederlands paspoort hebben moeten als buitenlander worden gezien en beperken daarmee hun rechten.

    Het wordt tijd dat de Nederlandse overheid eindelijk tenminste 10 of meer jaren vooruit kijkt, plannen maakt en deze op tijd uitvoert. Treinverbindingen, tunnels, extrawegen, enzovoorts kosten met het verstrijken van de tijd, bij latere oplevering alleen maar handen vol belastinggelden extra.

    Gestructureerd en voortuit gepland aan de slag gaan voorkomt geld- en tijdverlies.

    Eventueel buitenlandse bedrijven inschakelen voor werkzaamheden naar Nederlandse norm, waardoor concurrentie wordt vergroot en prijzen dalen.

    Hetgeen is geschreven zijn onderwerpen die een deel van de Nederlandse bevolking en speciaal de Indische Nederlanders opvallen.

    Nederland U hoeft niet het wiel uit te vinden. Alles is al een keer uitgevonden. Dus overnemen, verbeteren conform de eisen van de tijd en uitvoeren!

     


Slotwoord.

 

Ik hoop, dat de inhoud van dit boekje een bijdrage kan zijn voor onze samenleving, zodat we allen in Nederland weer trots op onze overheid kunnen zijn.

 

Alle informatie voor dit boekje is afkomstig uit diverse archieven en opvragingen via web-sites en internet waaronder die van de www.Indoduchtgoogle.com.

Deze site verzorgd de communicatie tusssen Indische Nederlanders van”all over the world”.

 

De verkregen informaties werden besproken met prominenten in o.a. Indonesia, maleisië, etc.

 

Dit boekje dient geen enkel commercieel doel.

 

Roberto Dias

Auteur.