IMG_1178.JPG100_0804.jpgIMG_1337.JPGIMG_1414.jpgIMG_1428.JPGIMG_0179.jpg

INDO STORY NL

Proloog:

Ik heb in mijn leven het een en ander meegemaakt.
Het leek mij daarom tijd om een deel van mijn levensloop te verwoorden. De bedoeling van dit boekje is dat mijn gezin en anderen die er belangstelling voor hebben hierover worden geïnformeerd. Gedurende ons leven hebben mensen beslissingen genomen die goed of fout uitpakten. Hiervan kan onze en de generaties na ons iets van leren.

Vandaar de aanbeveling mijn boekje te lezen.

Veel leesplezier
Rob Dias


volledig scherm?.... > klik hier!

 

Inhoud:

Het ontstaan van de Indische Nederlandse cultuur en de heersende hiërarchie.

De grondlegger van de Republiek Indonesië.

De oorlog met Japan.

Door de Japanners en extremistische Indonesiërs gepleegde wreedheden.

Het einde van de Japanse bezetting van Indië.

De terugkeer van het Nederlandse gezag.

De gedwongen repatriëring van Nederlanders en Indische Nederlanders naar Nederland en Nederlands Nieuw Guinea.

De Stichting Pelita.

De uitkeringen van achterstallige lonen, etc.uit de periode van de Tweede Oorlog.

HET ONDERZOEK NAAR NEDERLANDS INDISCH PRIVÉ BEZIT.

De Ambonesische KNIL militairen.

Het rapport van de Commissie Werner en de gevolgen daarvan.

De problemen rondom Nederlands Nieuw Guinea en de invloed van de V.S., waardoor Nederland de laatste kolonie in Nederlands Oost Indië verloor.

De aankomst van de Indische Nederlandse gerepatrieerden en de slechte ontvangst in Nederland.

WAAROM DE NEDERLANDSE INDISCHE GEREPATRIEERDEN IN NEDERLAND VEEL ZIJN MISGELOPEN.

Het verdrag tot kwijtschelding van wederzijdse schulden tussen Nederland en Indonesië en de gevolgen voor de gerepatrieerden.

ENKELE BELANGRIJKE OORLOGSCOMPENSATIEWETTEN.

De onthulling van het Indische monument. Het rauwe ei incident en de oprichting van het Indische Platform (IP).

De problemen rond de aanvragen voor de erkenning van de WUV/WUBO.

De dubieuze beslissingen door opeenvolgende Nederlandse regeringen over geld en vermogen van Indische Nederlanders. Hierdoor kwamen vergoedingen voor geleden oorlogschade ten onrechte in de Nederlandse staatkas terecht i.p.v. bij de oorlogsslachtoffers.

Resumé.

 

HET ONTSTAAN VAN DE INDISCHE NEDERLANDSE CULTUUR EN DE HEERSENDE HIËRARCHIE.

Deze cultuur bestond uit een mengelmoes van Nederlandse en Indische gewoonten en gebruiken. Dit is niet onlogisch omdat de vaders van de Indo’s veelal Nederlanders of andere Europeanen waren, terwijl de moeders Indisch waren.
De opvoeding was aanvankelijk daarom ook vergelijkbaar met de opvoeding van Nederlandse kinderen. Omdat de Indische kindermeid zich in opdracht van de vrouw des huizes met de opvoeding van het kind belaste, werden vele Indische gewoonten in de opvoeding van het kind geïntegreerd. De Indische taal, het gebruik van Indische geneeskruiden, het Indische voedsel, maar ook de indolentie en de zogenaamde “laat maar” cultuur zijn daar goede voorbeelden van.
Op de maatschappelijke ladder was de leiding in handen van de Nederlanders, die in de eeuwen daarna werden opgevolgd door hun nakomelingen die een opleiding in Nederland hadden gevolgd. Ondanks het bestaan van Nederlandse lagere en middelbare scholen en universiteiten in Indië, waren de afgestudeerden in de ogen van de Nederlanders van een lager niveau. Dit kwam overduidelijk tot uiting toen de Indo’s na de soevereiniteitsoverdracht van Indië aan Indonesië, werden gedwongen naar Nederland te repatriëren. In Nederland werden alle Indië behaalde diploma’s niet erkend. Vele Indo’s met een afgeronde middelbare en/of universitaire opleiding werden van de ene op de andere dag in Nederland tot ongeschoolde arbeiders verklaard. De Nederlanders die van Indië kwamen kregen afhankelijk van hun opleiding na herscholing en het behalen van Nederlandse diploma’s wel betere functies aangeboden.

In 1916 werd voor het eerst de term “INDO”geïntroduceerd door de journalist Th.R. Landouw. Deze groep werd gekarakteriseerd als personen met gemengd Europees en Indisch bloed, die hun wortels in Indië hebben en Juridisch Nederlander zijn.

DE GRONDLEGGER VAN DE REPUBLIEK INDONESIË.

In 1927 richtte Soekarno de Party National Indonesia op. Zijn Indonesische politieke aspiraties leverden hem jaren lange verbanning en verblijf in gevangenissen op. Latere republikeinse leiders zoals Drs. Hatta, Sultan Sjahrir en journalist Salim werden jarenlang te Boven Digoel op Nederlands Nw-Guinea gevangen gezet.
Soekarno was al in zijn jeugd geobsedeerd door de boeken van Eduard Douwes Dekker (Multatuli). Hij liet zich mede door de radicale politieke ideeën van deze schrijver inspireren.

Soekarno zag intussen wel kans aan de universiteit van Bandoeng op Java af te studeren en de titel van Ingenieur bouwkunde en architectuur te behalen.

DE OORLOG MET JAPAN.

Op 8 maart 1942, drie maanden na de Japanse aanval op de haven Pearl Harbor en de vliegvelden van de Amerikanen op Hawaï, voerden de Japanners een aantal bombardementen uit op  Java waaronder de haven van Tjilatjap. Hierbij waren veel slachtoffers te betreuren. Nederlands Indië capituleerde. Nederlandse en KNIL militairen werden krijgsgevangen gemaakt en in kampen in Indië, Singapore en Thailand (het vroegere Siam) geïnterneerd.
Tijdens de overtocht per schip werden vele transporten door zowel Japanse als geallieerde oorlogsschepen tot zinken gebracht. Hierbij vielen vele slachtoffers. De Engelse onderzeeboten “Trident” en “Tradwind” torpedeerden en zonken de gevangenen transportschepen “Yunjo Maru” en de onder de vlag van het rode kruis varende “Waerwijck”. Hierbij kwamen ongeveer 5.000 van de 7.000 krijgsgevangen en dwangarbeiders om. Er werden echter nog vele andere transport schepen beschoten (F Aarts). Ter vergelijking: bij de terroristische aanslag op de “Twin Towers” op 11 september 2001  in New York werden 3.000 mensen gedood.

In 1941 werden vele Nederlanders en Indische Nederlanders van Duitse oorsprong met achternamen zoals Stralendorff, van Prehn, Kuhn. Neijendorff, etc. uit angst, dat zij met Japan zouden collaboreren, door de Nederlandse Indische koloniale overheid in hechtenis genomen.  
Deze gevangen werden, hoe vreemd het ook klinkt, door de Japanners bevrijd. Achteraf was het in hechtenis nemen van deze mensen ongegrond. Zij hebben tussen maart 1942 en 1943, evenals alle overige Nederlanders, van de Japanse Generaal Yamamoto de kans kregen de Japanse zijde te kiezen. Dit hebben zij geweigerd.

Begin 1942 verklaarde Nederlands Indië in opdracht van de Nederlandse overheid, die was uitgeweken naar Engeland, de oorlog aan Japan. Over deze oorlogverklaring is later nog heel wat te doen geweest. Nederland vond, dat Nederlands Indië zelf verantwoordelijk was voor de oorlogsverklaring en de gevolgen daarvan. Nederlands Indië had sinds 1920 een autonoom bestuur. Deze mening is na de oorlog via een rechtszaak bijgesteld. De rechter achtte Nederland voor de oorlogsverklaring tegen Japan wel degelijk verantwoordelijk.

Na de capitulatie van Nederlands Indië volgde een golf van arrestaties onder Nederlanders, Europeanen en Indische Nederlanders. Deze gevangenen werden eerst door de Japanse Kempetai (een militaire politie eenheid die met de Duitse Gestapo te vergelijken was) verhoord. Afhankelijk van de resultaten van zo´n verhoor werd men voor kortere of langere tijd en soms tot na de oorlog in hechtenis genomen of geïnterneerd. Nederlanders en Indische Nederlanders, die in vitale bedrijven als de PTT, Elektriciteitscentrales, Ziekenhuizen, de Spoorwegen, etc. werkzaam waren werden, voorzover zij niet op hun werkplek gemist konden worden, onder dwang en bedreiging met de dood van hun gezinnen, verplicht deze diensten voor de Japanners draaiende te houden. (W.Dias).
Deze mannen hadden een ondergrondse georganiseerd. Zij saboteerden de elektriciteitstoevoer, de telefoon communicatie, het treinvervoer, etc. Daarnaast deelden zij hun schaarse voedsel met de gevangen. Hierdoor hebben veel gevangenen de Japanse kampen overleefd. Ikzelf werd meerdere malen beschoten als ik in opdracht van mijn vader de post, voedsel en medicijnen naar het interneringskamp van de Katholieke zuster- en broederschool aan de Grote Postweg in Poerworkerto smokkelde. Een keer werd ik in mijn borst getroffen. De kogel fragmenten werden verwijderd door een verpleger (manti) zonder verdoving.
Over de ondergrondse bewegingen in Poerworkerto, Tjilatjap en Banjoemas op zuid Java is vanwege de geïsoleerdheid weinig of niets bekend. Dat is jammer.

De Japanners hebben vanaf hun bezetting tot medio 1943 geprobeerd de Indische Nederlanders voor hun doel over te halen. Dit lukte niet. Alle Indische Nederlanders weigerden mee te werken en loyaal te zijn aan het Japanse gezag. Daarna namen de Japanners in 1943 strengere maatregelen tegen de nog niet in hechtenis genomen Indische Nederlanders en Europeanen.
Veel oudere mannen, vrouwen en kinderen werden geïnterneerd. Door gebrek aan capaciteit en logistieke problemen konden niet alle Indische Nederlanders achter slot en grendel worden gezet. Een duizendtal Indische Nederlanders werd onder andere in de gevangenis Lowokwaru te Malang ondergebracht. Het betrof een groot aantal Indische Nederlanders die bij de Staats Spoorwegen op Java werkzaam waren (waaronder Th. A. CH. van den Berg, Th. Van Kampen, Beersak, Felix, Brouwer) en een groep Indische jongeren.
Zij werden verdacht van gezagsondermijnende activiteiten tegen de Japanse bezetters. Velen van hen werden vermoord of overleden door de slechte omstandigheden en mishandelingen door de bezetters.
Voor de jongere gevangenen die later in Dampit vermoord werden, werd ruim 50 jaar later op initiatief en kosten van de Nederlandse Indische gemeenschap van de hele wereld een monument opgericht in Bronbeek nabij Arnhem ter nagedachtenis van de “Dampit affaire”.
De overlevenden en nabestaanden zijn nooit door de WUV erkend, omdat in Nederland deze gevangenis niet op de lijst van officiële kampen voorkwam. Deze lijst is in Nederland, voorzover bekend, nooit herzien.
Er waren overigens meerdere Nederlandse mannen, vrouwen en kinderen in gevangenissen geïnterneerd, waaronder de gevangenis “Tjipinang” in Batavia en de gevangenis aan de “Werfstraat” in Soerabaya. Beiden gevangenissen zijn ook niet als interneringskampen erkend.

De niet geïnterneerden Indische Nederlanders gingen een zeer onzekere toekomst tegemoet. Zij waren zowel voor de Japanners als voor de Indonesiërs door hun huidskleur, leefgewoonten, taalgebruik, etc. direct herkenbaar. Hierdoor werden zij min of meer vogelvrij verklaard en in sommige gevallen zonder pardon mishandeld en vermoord.
Bovendien werd hun meestal voedsel, geneeskundige hulp en medicijnen onthouden. Velen van de niet geïnterneerden kregen hierdoor te leiden aan diverse tropische ziekten, en gingen gebukt onder hongeroedeem.

Jaren later werden, vanwege de grote tegenstand die de Nederlandse regering van de Nederlandse Indische gemeenschap ondervond, werden door middel van het zogenaamde “Gebaar” niet geïnterneerden (de zgn. buitenkampers) enigszins gelijk gesteld met de geïnterneerden (kampers).

Vóór de oorlog met Japan werden de Nederlanders en Indische Nederlanders min of meer tot dezelfde groep gerekend en leefden er in Indië ongeveer 360.000 van deze groep mensen. Ongeveer 280.000 waren Indische Nederlanders en 80.000 waren Nederlanders. (aldus de Jong).
Van de Nederlandse Indische mannen gingen er 37.000 militairen in krijgsgevangenschap. Hiervan lieten tussen de 9.000 en 10.000 het leven in diverse krijgsgevangen kampen waaronder kampen in Indië, Japan en het voormalige Siam. (Waterford en de Jong) Van de ongeveer 42.000 KNIL militairen sneuvelden er 6000.
Ongeveer 110.000 Nederlandse en Nederlands Indische mannen, vrouwen en kinderen werden in Japanse burgerkampen geïnterneerd. Omdat de Japanners geen mogelijkheden hadden om meer mensen te interneren, bleven ongeveer 220.000 Nederlanders en Indische Nederlanders, veelal oude mannen, vrouwen en kinderen buiten de kampen.

Van de door de Japanners geïnterneerde burgers verloren naar schatting 13.000 à 14.000 personen het leven. (D.van Velden).
Van de niet geïnterneerde Nederlanders (de zgn. buitenkampers) lieten naar schatting circa 25.000 personen het leven, door martelingen, moord, tropische ziekten (malaria dysenterie, hongeroedeem, en etc,) wegens gebrek aan voedsel, het gemis aan medicijnen en medische zorg. In totaal overleefden ongeveer 50.000 Nederlanders en Indische Nederlanders de Japanse bezetting niet. Men kan aannemen, dat in krijgsgevangenschap en interneringskampen in Indië en Azië meer Nederlandse en Indische Nederlanders omkwamen dan in alle Duitse en Italiaanse kampen tesamen, de Joodse slachtoffers niet meegeteld.

DOOR  DE JAPPANNERS EN INDONESISCHE EXTREMISTEN GEPLEEGDE WREEDHEDEN

Wrede terechtstellingen, die de Japanners tegen de onderworpen burgers en krijgsgevangenen pleegden, werden ten dele in het openbaar (op aloens-aloens of op een plein voor het gebouw van de Kempetai) uitgevoerd. Burgers werden gedwongen naar deze terechtstellingen te kijken. Van dieven werd in het bijzijn van de mensen de hand waarmee de diefstal werd gepleegd afgehakt. Het niet groeten van schildwachten werd gestraft door te slaan met de kolf van hun geweer, schoppen, of een halve of hele dag naar de zon kijken. Een correcte groet diende als volgt worden uitgevoerd: Voor de schildwacht stoppen, met het lichaam naar hem toedraaien en een diepe buiging in zijn richting te maken.
Soms werden mensen aan hun armen of benen aan een boomtak enige uren opgehangen.
Tijdens verhoren door de Kempetai werden deze straffen toegepast en werden nog wredere methoden toegevoegd. Om mensen aan het praten te krijgen moesten zij in hun onderbroek op hun rug op een houten tafel liggen en werden zij aan hun armen en benen vastgebonden. De Japanners plaatsten vervolgens op de navel een omgekeerd doorzichtig glas. Daaronder werd een krekel (een orong-orong) geplaatst. Deze krekel heeft een hekel aan daglicht en leeft ondergronds. Zodra zo’n krekel onder het glas is geplaatst begint de krekel in de navel te graven. Omdat de krekel niet weg kan blijft hij doorgaan met het graven. Uiteindelijk verandert de navel in een bloedige massa.
Gevangenen, die tijdens de verhoren niet wilden meewerken, kwamen ook op zo´n tafel te liggen. Ze werden vastgebonden en een tuinslang werd in hun mond gestopt. De waterkraan waaraan de slang was verbonden werd dan opengedraaid. De buik van de gevangene vulde met water tot het op een bal leek. Tenslotte sprong een Japanner met zijn laarzen op de met water gevulde buik. Door de druk werden de darmen, ogen, tong, etc. uit de lichaamsopeningen geperst. (eigen waarneming auteur).

Het kwam voor dat kinderen van ongeveer 8 a 9 jaar waaronder de auteur, als proefkonijn werden gebruikt. Eens per maand moesten zij verdund zoutzuur drinken, terwijl hun mondholte en gebit met jodium tinctuur werden ingesmeerd. Dit ritueel speelde zich per proefgroep zeker gedurende een jaar af. Waarvoor deze proef diende is altijd onbekend gebleven. Het vermoeden is dat het een onderzoek was voor de spijsvertering in tijden dat er weinig of geen voedsel beschikbaar was.
Deze kinderen hielden problemen met hun gebit over, omdat het tandglazuur op den duur verdween en het gebit gevoelig werd voor ontstekingen. De verdunde zoutzuur drankjes verwoesten het slijmvlies van de slokdarm, waardoor op latere leeftijd  de verbinding tussen de slokdarm en de maag poreus werd. Deze personen moesten bijna hun leven lang maagzuurremmers slikken. Later onderging ikzelf een uitgebreid onderzoek bij de Vrije Universiteit in Amsterdam. Het oorzakelijk verband tussen de eerder toegediende verdunde zoutzuur- en jodiumproef en de slijmvliesproblemen  kon niet meer worden vastgesteld. Men heeft mij toen maar een logopedist aangepraat.

Bij misdaden tegen de Japanners werden, als er geen dader bekend was, willekeurige burgers of geïnterneerden gegijzeld, mishandeld en soms vermoord.
Er werden nog veel meer straffen toegepast, die ik beter niet beschrijf. De misdadige straffen vonden onder andere plaats voor het Kempetai gebouw aan de Grote Postweg te Poerwokerto op Java. Het kan worden aangenomen dat door de Japanners deze methoden overal in Indië tegen geïnterneerden en niet geinterneerde burgers werden toegepast.
De Japanners probeerden door deze openbare terechtstellingen de bevolking onder de duim te houden.
Japan heeft overigens de intentie gehad alle (Indische) Nederlanders in Indië uit te roeien en heeft dat ook geprobeerd. Japan was tussen 1942 en 1945 al begonnen deze groep Nederlanders in 43 kampen onder te brengen. In genoemde periode kwamen ongeveer reeds 22.000 van hen om het leven. Deze poging tot algehele vernietiging werd gestopt door de atoombommen acties van de USA op Nagasaki en Heroshima.

De Japanse methoden van mishandelen door slaan en schoppen met of zonder wapens en het verwonden en vermoorden van burgers werden door de extremistische Indonesiërs overgenomen. In de Bersiap periode werden deze methoden gebruikt om Nederlandse Indische en Europese burgers de schrik op het lijf te jagen. Ter vergelding voor de gepleegde agressie tegen de Indonesische extremisten werd soms een lid van het gezin door de extremisten ontvoerd, onthoofd en het hoofd vervolgens op de punt van een bamboe roentjing bij de ingang van hun woning geplaatst.

Incidenteel ondergingen Nederlandse militaire gevangenen en ontvoerde Nederlandse burgers het zelfde lot. Als wraak werden door de Nederlandse militairen hele Indonesische dorpen, waaronder de dessa Rawagedé nabij Batavia, platgebrand en de bewoners beschoten. Er kwamen bij deze actie ruim 400 Indonesische mannen, vrouwen en kinderen om het leven. Dergelijke acties vonden op meer lokaties plaats. Als excuus werd aangevoerd dat de mannen en vrouwen in Indië allen in sarongs gekleed waren en lang haar hadden. Hierdoor was het maken van onderscheid bijna onmogelijk. Het dragen van lang haar was in beschreven periode een teken van verzet tegen de Nederlanders. De mannen hadden bijna allen bovendien wel een snor en baard.

Zowel in de Japanse als in de Bersiapperiode werd in de kampen meestal twee keer per dag appèl gehouden. Daarna was men verplicht corveewerkzaamheden te verichten. Er was nagenoeg geen voedsel. Medische hulp en medicijnen waren niet beschikbaar. Men sliep op een houten bed of op de vloer zonder enige bescherming tegen de vele malaria muskieten.
Zieken werden aan hun lot overgelaten. Mede gevangenen hielpen hun zware zieken door via aderlatingen hun bloed te laten drinken. Uit beerputten werden maaien geschept. De maaien werden vervolgens gezeefd en gewassen, waarna de zieken deze maaien te slikken kregen. Men was er van overtuigd, dat deze maaien veel proteïne bevatten.
Doden werden in twee jute zakken geplaatst. Vaak werden de doden, omdat men geen toestemming tot begraven kreeg, veel te laat begraven waardoor de hele omgeving door ingetreden ontbinding stonk. Het waren zeer mensonterende toestanden.
Het hoeft geen betoog dat vele burgers en geïnterneerden de dood vonden of soms voor het leven getekend waren. (De auteur)

HET EINDE VAN DE JAPANSE BEZETTING.

De atoom bommen op Hiroshima en Nagasaki leidden tot de capitulatie van Japan.
Japan heeft overigens nooit met zoveel woorden hun capitulatie toegegeven.

Op 14 augustus 1945 om 12.00 uur werd een boodschap van de keizer van Japan via de radiozenders uitgezonden die het volgende inhield:

dat na diep nagedacht te hebben over de toestand in het Japanse Rijk besloten is tot een oplossing te komen door het nemen van een buitengewone maatregel;
dienaangaande is aan de Japanse regering opgedragen aan de regeringen van de V.S., Groot-Brittannië, China en de Soviet Unie kenbaar te maken dat het Japanse Rijk de voorwaarden van hun gemeenschappelijke eisen aanvaardt;
Zou de strijd voortgezet worden, dan zou dit slechts leiden tot de totale verdelging van de menselijke beschaving;
Alle Japanners moesten door  het ondragelijke te dragen en het onduldbare te dulden de weg banen voor een duurzame vrede voor alle komende generaties.

Met deze verklaring waarin de woorden capitulatie, overgave of nederlaag op een handige wijze werden vermeden, zei de keizer dat Japan door deze verklaring de wereld redde. Het was een slimme manier om geen gezichtsverlies te lijden.
Deze verklaring maakte een einde aan de Tweede Wereld oorlog in Azië.
Iedere Japanner, die deze boodschap begreep huilde en maakte een buiging in de richting van de Keizer.

In Nederlands Indië uitte een kleine groep Japanse militairen, die het niet eens waren met het besluit van de keizer, hun onvrede door geweldplegingen.
Sommige Japanse officieren pleegden als erkenning van hun nederlaag op rituele wijze zelfmoord door “Harakiri”. Dit gebeurde soms in het openbaar.
De ondertekening van het “Instrument of Surrender” vond plaats op 2 september 1945 in de baai van Tokio aan boord van het V.S. slagschip de Missouri
De Nederlandse afgevaardigde was de vlootvoogd van Nederlands Indië, Admiraal Conrad E.L. Helfrich.(Klaessen)

Alle bezittingen van Nederlanders, Indische Nederlanders en andere Europeanen waren door de Japanse bezetters geroofd. In de Bersiap periode werd het kleine beetje, dat men nog over had, door de Indonesische extremisten gerampokt. Uit onderzoek van het NIOD uit 2005/2006 kwam vast te staan dat 95% van het bezit van de Nederlanders en Indische Nederlanders voor goed verloren ging.

Na de Japanse overgave heerste er anarchie in Nederlands Indië. In opdracht van generaal MacArthur van de V.S. werden de Japanse soldaten belast met de veiligheid van ex-geïnterneerden, Nederlanders en Europeanen. Tevens werd in 1945 het gezag over Nederlands Indië door de Verenigde Staten overgedragen aan het Britse opperbevel voor Zuid Oost Azië onder leiding van admiraal Mountbatten.
Hij belaste bevelhebber Cristison met deze taken, die uiteindelijk beperkt bleven tot kleine gebieden op Java (Bandoeng, Semarang, Batavia en Soerabaya) en op Sumatra (Padang, Medan en Deli).
De Engelse soldaten, de Nepalese Ghurka´s en de Indiase Sikhs, die onderdeel vormden van het Engelse leger probeerden zover het binnen hun vermogen lag de veiligheid van de Nederlandse en Europese burgers te waarborgen. Gedurende de vele vuurgevechten tussen het Engelse leger en de Indonesische extremisten kwamen veel Indische Nederlanders, ook in het door de Engelsen beveiligd gebied, geregeld onder vuur te liggen en moesten ze voor hun leven vrezen. Het Engelse leger had vooral te Soerabaya de handen vol met de Indonesische extremisten, ten gevolge waarvan grote delen van de stad werden platgebrand. Er kwam zelfs een Engelse generaal om. Engeland versterkte daarna haar troepenmacht met uit India afkomstige onderdelen. Zij maakten met de zwaar bewapende Indonesiërs korte metten, doch verschansten zich uiteindelijk tot hun vertrek uit Indië aan de grenzen van de grote steden Batavia, Soerabaya, Bandoeng en Semarang. Het KNIL mocht Java niet in en beperkten hun  posities tot Celebes (Makassar), de Soenda eilanden en het eilanden gebied rond de Molukken (de zg. dun bevolkte zeegebieden). De Nederlandse OVW-ers van de KL die door Nederland naar Indië werden gezonden mochten zich van het tijdelijke Engelse bewind in Indië, te Malaka en Singapore tot eind 1946 “vermaken”. In en rond de plaats  Makassar, was de toen nog luitenant van het KNIL/DST (Dienst Speciale Troepen), Westerling met toestemming van het Australische leger actief. Hij zuiverde het gebied van extremistische Indonesiërs door het zogenaamde standrecht toe te passen. Rebellen werden na een kort onderzoek dan ook ter plekke geëxecuteerd.

Vanwege de onveilige situatie in de gebieden waar Engelsen gezag uitvoerden, veroorzaakt door Indonesische vrijheidstrijders, zag de leiding van het Engelse leger zich genoodzaakt veel vrouwen en kinderen van Nederlandse en Europese afkomst tijdelijk naar Singapore en Thailand over te brengen. Een deel van hen ging direct naar Nederland. In de periode 1945/1946 repatrieerden vanuit Indië, Singapore en Thailand naar schatting 60.000 Nederlanders naar Nederland.
De term repatrtieeren werd ten behoeve van de Indische gemeenschap al gauw in evacueren omgezet.

Gedurende deze anarchistische periode greep Soekarno zijn kans en riep de Republiek Indonesia uit. Hij beschikte toen al over een militie van 80.000 man (ex hai-ho´s of sukarela´s), die gedurende de Japanse bezetting door de Japanners waren getraind en deels bewapend. De bewapening bestond uit wapens die door de Japanners bij het KNIL en de politie in beslag waren genomen.

De bevolking van vele gekolononiseerde gebieden in Azië zagen dat hun meesters, (de koloniale heersers in Viëtnam, India, Indonesië, maleisië, Singapore, etc. door de nederlagen die Japan de USA, Nederland, Engeland, etc. toebrachten),  toch te overwinnen waren. De bevolking van genoemde  gekoloniseerde landen, werden door beschreven nederlagen, mentaal gesterkt en putten daaruit de moed te strijden voor hun eigen zelfstandigheid.

Eerst eind 1946 trok het Engelse leger zich uit Indië terug waarna het KNIL en KL leger het door de Indonesische extremisten/vrijheidstrijdens bezette gebied  nagenoeg geheel weer onder Nederlands Indisch gezag brachten. Tijdens deze acties werd hard tegen de Indonesiërs opgetreden waardoor, net als in elke oorlog, ook vele burger-gewonden en doden waren te betreuren.
Na de komst van het Nederlandse leger op Java en Sumatra werden alle, buiten eerder genoemde steden, Nederlandse en Europese geïnterneerden bevrijd en die meestal in geblindeerde treinen, naar de grote steden getransporteerd.

Vanaf de val van Japan in 1945 werden, alle Nederlanders, Indische Nederlanders en Europeanen die in de Japanse bezettingsperiode onder erbarmelijke omstandigheden in en buiten de Japanse kampen doorbrachten (er waren meer dan 150.000 personen), direct na de Japanse capitulatie in circa 400 Bersiap-kampen en gevangenissen van de Indonesiërs geinterneerd. Tijdens moordpartijen, mishandelingen, etc. in de kampen verloren tussen augustus 1945 en circa maart 1947 ongeveer 6.000 tot 7.000 Nederlanders het leven.
De laatste slachtoffers vielen tot na de 2e helft van 1949, toen er in verband met de soevereiniteitsoverdracht van Nederlands Indië aan Indonesia een staakt het vuren werd afgekondigd.
In de Bersiapperiode van 1945 tot 1947 was de toestand voor de Nederlandse bevolking tenminste even slecht als onder het Japanse gezag. Er ontbrak  op elk gebied van alles.

Geregeld marcheerden toen groepen extremistische Indonesiërs, gewapend met kapmessen en bamboe-roentjings door straten waar nog Europeanen en Nederlanders woonden en schreeuwden leuzen als: “hantjoerkanlah moesoeh kita, itoelah Blanda dan Amerika”
(vernietig onze vijand, het zijn de Nederlanders en de Amerikanen). Dit maakte een blijvende diepe negatieve indruk op de Nederlanders en Europeanen.

De Japanse en Indonesische kampen waren tot circa 3 meter hoogte omheind met prikkeldraad waartegen een bamboe wand (gedèk) was bevestigd. De geïnterneerden konden hierdoor niet zien wat er zich buiten de kampen afspeelde.

Met vuurwapens uitgeruste extremisten vormden de bewaking, die niet schroomden van de wapens gebruik te maken.

Uit het eerder vermelde  blijkt dat zowel de geïnterneerden (kampers) als de niet geïnterneerden (buitenkampers) evenveel geleden hebben gedurende de oorlog met Japan en daarna door de extremistische Indonesische vrijheidsvechters. (Begemann KJBB en de auteur).

De WUV en de WUBO zijn compensatiewetten voor het verlies van inkomsten gedurende de Tweede Wereld oorlog en de periode daarna tot 1949 voor de opgelopen lichamelijke en geestelijke schade en de letsels die personen levenslang invalide of mindervalide maakten tengevolge van die periode.

Uit onderzoeken is gebleken, dat zowel WUV als WUBO aanvragers voor erkenningen, tenminste evenveel onder oorlogsgeweld hadden geleden.

De discriminatie tussen de aanvragen van de WUV en de WUBO zijn door vele Indische Nederlanders nooit begrepen. Onder de WUV is 90 procent toegekend en onder de WUBO slechts rond het 10 procent.

De Nederlandse Overheid heeft kennelijk zonder studie, een analoog getrokken tussen de oorlogs toestand en haar gevolgen  in Nederland en in Indië. Bij deze beslissing heeft de Nederlandse overheid bovendien de toestand van haar  Staatshuishoudboekje laten prevaleren boven de morele plichten die zij had tegenover haar Nederlanders uit haar ex koloniën.

DE TERUGKEER VAN HET NEDERLANDSE GEZAG

Zoals eerder gemeld werden eerst eind 1945, na vertrek van het Engelse leger, de eerste Nederlandse troepen uit Thailand (Gajah Merah), Singapore en Nederland (OVW-ers) in Indië toegelaten om vervolgens met onder andere de KNIL(Andjing Nica)  eenheden, de rest van Indië te bevrijden. In begin 1947 waren alle gebieden, inclusief de resterende door de Indonesiërs bewaakte interneringskampen waaronder kampen Bodjong (mannenkamp) en Klampok (vrouwen en kinderenkamp) nabij Perwokerto, weer veroverd en onder Nederlands Indisch gezag geplaatst.

Al sinds 1918 deed Nederland aan de Indonesiërs de belofte dat er in de toekomst over de zelfstandigheid van de Indonesiër gesproken kon worden. Deze belofte had Koningin Wilhelmina in haar decemberrede van 1942 herhaald.
Volgens de “Atlantic Charter” uit hetzelfde jaar had ieder land het recht op haar eigen soevereiniteit.

De Indonesische prominenten Soekarno, Sjahrir en Hatta, die allen Nederlandse academische opleidingen hadden genoten, waren hiervan doordrongen. In 1946 erkende Nederland Indonesië als een “soevereine staat” binnen het Nederlandse staatsbestel (een soort dominie). De plechtigheid vond plaats in het bergdorp Lingardjati op West Java. Deze verklaring/overeenkomst werd al gauw door partrijen geschonden. Nadat daarna nog een andermaal aan boord van een USA oorlogschip op de rede van Cheribon was onderhandeld en de situatie tussen de partiijen niet verbeterde, gaf in 1947 generaal Spoor het startsein voor de eerste (binnenlandse oorlog) politionele actie op Java, Celebes, etc.
In 1948 volgde de tweede politionele actie. De politiek was toen kennelijk er nog van overtuigd, dat Indië voor Nederland behouden kon blijven. Er werden zware gevechten geleverd tussen de eenheid van kapitein Westerling, KNIL en KL eenheden tegen de Indonesische extremisten in Makassar en Jogja, Solo, Bandoeng (Braga), enzovoorts. In de periode 1945 tot de souvereiniteitsoverdracht van Indië aan Indonesië eind 1949, werd tot drie maal toe een wapenstilstand ondertekend. De grootste eenheden van het “Indonesische leger” bestonden uit o.a. Darul Islam strijders. Een klein deel van deze DI eenheden splitsen zich af in drie kleinere eenheden. Zij voelden zich niet gebonden aan de gesloten wapenstilstanden en bleven de overeenkomsten tot de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië in 1949, schenden. Door ”hit en run” tactieken hielden zij de Nederlandse koloniale overheid en het KNIL onder druk. Veel Indische Nederlandse burgers kwamen geregeld onder vuur te liggen en moesten voor hun leven vrezen. Deze acties vonden meestal plaats in en om de hoofdstad Batavia en bij voorkeur gedurende nachtelijke uren in gebieden als Petodjo, Tanah Abang, Meester Cornelis, Pasar Ikan en op de weg naar de havenTandjung Priok.

De term “politionele actie” werd overigens bedacht door de toen Nederlandse ambassadeur, van Kleffens in de USA. Op die manier wilde hij bereiken dat onwelgevallige reacties uit het buitenland beperkt bleven.

Vele misdaden gepleegd door de Japanners en Indonesische extremisten, werden in verschillende Nederlandse archieven wel genoemd maar bleven voor aanvragers voor erkenning door WUV/WUBO onbereikbaar. Frappant is, dat de gegevens wel voor personen die promoveerden beschikbaar waren. Volgens de verschillende archieven konden de gegevens niet op korte termijn worden geraadpleegd vanwege capaciteitsproblemen. Na onderzoek bleek dat de PUR met de verschillende archieven een overeenkomst had gesloten, waardoor de PUR aanvragen voorrang hadden. Aanvragen voor informatie door individuele personen hadden een wachttijd van zes maanden of meer. Vele aanvragers voor WUV en WUBO lieten het daarom maar afweten.

In 1949/1950 vond de overdracht van Indië plaats, waarbij de Nederlandse Militaire Missie enigszins voor de veiligheid van de nog aanwezige Nederlanders zorgde en het goede verloop van de overdracht. Dit nam plaats onder leiding van de deels nog aanwezige koloniale overheid.

DE GEDWONGEN REPATRIERING VAN NEDERLANDERS EN INDISCHE NEDERLANDERS NAAR NEDERLAND EN NIEUW GUINEA.

Ongeveer 350.000 Indische Nederlanders en Nederlanders, vertrokken naar Nederland of Nederlands Nieuw Guinea, de USA en een kleine groep naar Australië.
Een paar duizend voornamelijk jonge Indische Nederlandse mannen, werden door de Dienst Economische en Technische Assistentie (DETA) een contract aangeboden voor fl.1,50 (een pop vijftig) per dag. In Nieuw-Guinea werden zij aan de Oranjelaan in Hollandia in barakken gehuisvest met een minimum aan privacy. In Manokwari was St. Vincentius werkzaam die contracten aanbood voor fl. 0,50  per dag per persoon. Deze mannen werden bij diverse werkzaamheden ingezet en hebben er toe bijgedragen, dat latere immigranten een redelijke “thuiskomst” hadden.
In deze periode werden de Indische Nederlanders die naar Nederland wilden vertrekken door de Nederlandse ambassades tegengewerkt.
De ambassade in Indïe adviseerden de Indische Nederlanders om te kiezen voor de Indonesische nationaliteit (het Warga Nagera Indonesiaschap) om zo in Indonesië te kunnen blijven en werken. Door deze propaganda, die vergezeld ging van de nodige beloften heeft een onbekend relatief gering aantal van hen inderdaad hiervoor gekozen.

Vele goederen en materialen van de PTT en andere overheidsdiensten werden in opdracht van de Nederlandse koloniale overheid onder leiding van de diensthoofden vanaf begin 1949 per KPM boten en LCT landingsvaartuigen van de Nederlandse Marine naar Nederlands Nieuw Guinea weggevoerd.
Na de soevereiniteitsoverdracht van Indië aan Indonesië werden de door Indonesië in beslag genomen KPM schepen door de Nederlandse marine in Indonesische wateren geënterd en weer onder Nederlands beheer gebracht.

Omdat de opdrachtgevers van de clandestiene transporten dit ontkenden en archieven waarin schriftelijke informatie over de opdrachten verdwenen waren kwamen vele Nederlandse Indische ambtenaren na en zelfs vóór de overdracht van Indië aan Indonesië in de problemen. Hele gezinnen moesten geregeld vluchten en van woning veranderen om niet te worden opgepakt of ontvoerd door Indonesische extremisten.
Dit overkwam ook het gezin Dias. Een van zijn dochters bekwam tijdens zo’n vlucht in begin 1949 onherstelbare oogschade. Vader Dias werkte als ambtenaar van de PTT in de haven van Tandjoeng Priok in Batavia alwaar hij het PTT expeditiebedrijf beheerde.
Hij vertrok na enige dagen na de soevereiniteits overdracht met assistentie van de Nederlandse ambassade met de van Ms.“Riebeek “naar Sorong op NNG. Na bijna een jaar vluchten en rondgezworven te hebben kon zijn gezin eveneens met hulp van de Nederlandse ambassade in Batavia in de ziekenboeg van het KPM schip de ‘Van Riemsdijk”, naar Nederlands Nieuw-Guinea vertrekken. Te Merauke (Zuid Nw-Guinea) werden zij door het Nederlandse gouvernement in een legertent zonder elektriciteit  en water ondergebracht. Zoals vele andere gezinnen werden ze verder aan hun lot overgelaten. Er was geen opvang en steun voor de mensen in die tijd.
Het gezin bouwde eigenhandig een huis met inheemse materialen en hield zich in leven met landbouw, jacht en zeevisserij.
Ongeveer drie jaar daarna kon mijn vader in dienst treden van het Gouvernementsziekenhuis te Merauke en had hij een klein vast inkomen.

In begin 1953 kreeg mijn vader een brief van het Nederlandse bestuur van Zuid Nieuw-Guinea dat hij en zijn gezin hun paspoorten moesten inleveren en dat hun de Nederlandse Nationaliteit ontnomen was. Dit overkwamen meerdere mensen en gezinnen die geen Nederlandse achternaam hadden. Onze familie had nota bene twee eeuwen de Nederlandse nationaliteit in Nederlands Indië.
Na inlevering van hun Nederlandse paspoorten werd aan degenen die er voor in aanmerking kwamen vreemdelingen paspoort verstrekt. Gelukkig stond in hun paspoort, dat zij van geboorte Nederlander waren. Op een later tijdstip (het moet ongeveer medio 1953 zijn geweest) werd deze kwestie door een op Nieuw-Guinea op bezoek zijnde Staatssecretaris (van de VVD waarvan de naam niet meer bekend is) in Nederland gecorrigeerd en herkreeg ons gezin weer de Nederlandse nationaliteit en recht op de door mijn vader opgebouwde Indische PTT pensioen.
In de moeilijke periode waarin deze mensen en gezinnen verkeerden waren de ondoordachte handelingen van het gezag van Nieuw Guinea, zeer traumatisch en brachten ze een enorme gemoedschok teweeg bij de betrokkenen. Andere Indische Nederlanders met on Nederlandse namen herkregen de Nederlandse nationaliteit pas nadat zij een handtekening hadden gezet voor het opteren van de Nederlandse nationaliteit.

Nieuw-Guinea was in die tijd een achtergebleven gebied, dat bekend stond vanwege de gevangenhouding van de zgn. kettingberen of zwaar gestraften en de verbannen Indonesische politieke leiders. “Boven Digoel” was hun verblijfplaats.
De autochtone bevolking liep in het gebied van de “vogelkop” en het zuidelijk deel van Nieuw Guinea nog naakt rond en was zeer beperkt geschoold. De katholieke missie en andere zendingsgenootschappen hadden in die periode bijzonder grote invloed op het bestuur, de scholen, etc.

Later zou de zoon van de in 1939 overleden oliemagnaat John D. Rockefeller van de V.S. in het gebied, dat bekend staat als de Asmat, in het dorp Otjenèp door koppensnellers zijn vermoord.
Een andere lezing was dat John D.Rockefeller jr. in het gebied van de Eilandenrivier door krokodillen was opgegeten. Restanten van John D. Rockefeller jr. zijn nooit gevonden.

Kort na de verdwijning en waarschijnlijke dood van John D.Rockefeller jr. zijn politiepatrouilles onder leiding van een commandant van politie in zuid Nieuw-Guinea bij een confrontatie met de Asmat bevolking (bestaande uit circa 10.000 met pijl en boog gewapende koppensnellers) bij hun bezoek aan het dorp Otjenèp, teruggeslagen. De ongeveer 10.000 man sterke “strijdmacht” verwelkomde de politie met een pijlenregen. Een onderzoek naar de werkelijke doodsoorzaak van John D. Rockefeller jr. werd daarom nooit uitgevoerd. (De auteur)

DE STICHTING PELITA.

De Stichting Pelita was en is een van de belangrijkste organisaties, die met het lot van de Nederlandse en de Nederlandse Indische repatrianten en oorlogsslachtoffers begaan was. Mevrouw Eckthausen-Tetzner had de leiding na de oprichting van de stichting. De stichting zorgde dat vanuit Indië grote bedragen geld werden overgemaakt naar Nederland om de gerepatrieerden te ondersteunen. Luitenant
Gouverneur Generaal H.J. van Mook zorgde op verzoek van Pelita in januari 1947 voor de goedkeuring van de overmaking van 12.000.000,-- NNG guldens naar Nederland.
Dit bedrag kwam uit de winsten van Nederlandse particuliere bedrijven in Indië. Naast de financiële steun die de gerepatrieerden kregen werd het overgemaakte geld (tegen de zin van de regering) deels gebruikt om een woningbedrijf in Nederland op te richten. Het geld dat hiermee werd gegenereerd kon worden benut om de kas van Pelita in Nederland te spekken.

In een brief van 21 november 1945, wuifde Koningin Wilhelmina, die beschermvrouw was van de stichting, haar alle lof toe. Zij prees daarbij alle moed en volharding van de Nederlandse en Nederlandse Indische slachtoffers gedurende de oorlogsperiode van 1942-1945.

Later werd de Stichting Pelita, inschrijvingsnummer KVK 41149303, gesubsidieerd door het Ministerie van VWS. Een onderdeel van de stichting hield zich bezig met het opmaken van sociale rapportages voor aanvragers voor erkenning door de WIV, WUV, WUBO, etc.

De stichting heeft het beheer over drie andere Stichtingen genaamd:

1. Stichting Indisch Nederland, inschrijving KVK 2718158.
2. Stichting fondsen werving Indisch Nederland, inschrijving KVK 2718160.
3. Stichting Pelita Indisch Nederland Groep, inschrijving KVK 2718162.

Pelita had naar haar zeggen een maatschappelijk ondersteunende functie in Nederland. Ook
schijnt Pelita ongeveer 60.000 dossiers in bezit te hebben, waarvan de inhoud sociale rapportages van aanvragers voor erkenning door WUV, WUBO, etc. bevatten..
Deze 60 .000 dossiers schijnen later, bij de oprichting van het Indische Platvorm (het IP is niet geregistreerd bij KVK), zonder medeweten van de aanvragers als leden van het IP te zijn meegeteld, waardoor het IP een gefingeerde meerderheid aan leden had. (H. Deetman)
Een andere lezing geeft aan, dat de 36.000 leden van de 18 IP verenigingen zouden zijn vermeerderd met ongeveer 50.000 betalende leden van de verenigingen JES. Hoe dan ook, de meerderheid van IP leden werd door vele Nederlandse Indische groepen in de hele wereld zeer in twijfel getrokken. Dagelijkse e-mail berichten via onder andere de Dutchindogroup.com bevestigden deze twijfel.

Het doel van de Stichting Pelita en het IP zijn vermoedelijk hetzelfde. Uit de plannen van beiden is het Indisch Herinnering Centrum (IHC)ontstaan. Het IHC ontplooide diverse activiteiten, waarvan het Indische Huis en op de Pasar Malam Besar de tientjes actie voorbeelden van zijn. Het IHC was tijdens de oprichting de meest ondemocratische rechtpersoon in Nederland. Het bestuur werd samengesteld door coöperatie (het kiezen van nieuwe bestuursleden door de bestaande bestuursleden). Er ontstonden als snel problemen met het Indische Huis. Minister Borst van VWS stelde in 1999, 5,3 miljoen gulden beschikbaar voor de totstandkoming van het Indische Huis.

Het bestuur van het IHC bestond uit:
R. Boekholt (voorzitter van het IP en het IHC, de man met de dubbele pet);
J. Weede (fondswerver en PR man);
Edy Seriese ( projectleider);
R. Meyer (penningmeester);
L. de Coninck (secretaris) en
L. van der Linden.

Een verschil van mening veroorzaakte al snel een splijting in het bestuur. De penningmeester had moeite met bepaalde uitgaven. Hij beschuldigde het bestuur van financieel wanbeheer en vriendjes politiek en nam ontslag.

Vervolgens kwam naar buiten dat de voorzitter zijn broer Max Boekholt opdracht had gegeven tot nieuwbouw of verbouw van het Indische Huis.
De partner van Edy Seriese mocht naar Indonesië vertrekken voor het maken van een documentaire;
De echtgenoot van L. van der Linden mocht een Cd-rom vervaardigen voor het IHC.
Over vriendjespolitiek gesproken?

Naast de VWS subsidie van ongeveer fl. 500.000 per jaar, leverde de tientjes actie op de Pasar Malam Besar nog eens fl.40.000,- op.

Vanwege de onenigheid trad het bestuur van het IHC af. De subsidies van VWS werden stopgezet.

Maar liefs vijf adviesbureaus hebben de boekhouding van het IHC gecontroleerd, teneinde adviezen te kunnen uitbrengen. Hun advies was
dat, in ambtelijke taal gesproken, er geen sprake was van fraude, maar dat het bestuur wel gemakkelijk en onoverzichtelijk met betalingsposten bleek te schuiven. (Met andere woorden de administratie klopte niet). Een maquette van het IHC koste fl. 15.000, - en werd onder andere betaald uit het personeelsfonds. Het werd slechts één keer gebruikt.
Het bleef een raadsel waar ongeveer 10.000.000, - gulden subsidiegeld gebleven was. Dit was gemeenschapsgeld. De “kliek” IHC, Pelita en enkele adviseurs waren verantwoordelijk voor dit debakel.
De ene hand werd met de andere hand schoongewassen terwijl alles “onder toeziend oog” van de Minister van VWS plaats vond.
Een nieuw bestuur trad aan. Venema, de nieuwe voorzitter, en zijn nieuwe bestuursleden waren bekenden of soms collega’s van elkaar. In een statement vertelde de nieuwe voorzitter dat de bestuursleden geen enkele persoonlijke of zakelijke binding met het IHC hadden.
Zoals het er nu uitziet heeft tot ultimo 2004 alles op rolletjes gelopen .
Ook zijn er in diverse steden wooncollectieven voor Indische 55 plussers ontstaan. Het IHC bleef echter met problemen kampen. In 2007/2008 stond het IHC weer op het punt om failliet te gaan.

HET UITKEREN VAN ACHTERSTALLIGE LONEN, ETC. UIT DE TWEEDE WERELDOORLOG.

In 1982 volgde voor het eerst de nabetaling van lonen, (de UIG wet) die men in de oorlogsperiode 1942-1945 niet uitbetaalt kreeg. Het was een bedrag van f 7.500, -voor degene die er recht op hadden. Daarna volgde nog een laatste rehabilitatie regeling, die inclusief vergoeding van alle schade maximaal f 1.000,- bedroeg.
Vele van deze uitkeringen zijn nooit aan de gerechtigde personen en aan de personen die rechtstreeks vanuit Indië naar elders (m.u.v. Nederland) emigreerden, uitbetaald.

Ex krijgsgevangenen, die nog leefden en geregistreerd waren kregen n.a.v. het verdrag van San Francisco van d.d. 08.09.1951 een bedrag van fl. 264.- per persoon uitgekeerd

In dit vredesverdrag is door de “vergeetachtigheid” van de Nederlandse onderhandelaar Baron van Ittersum geen regeling voor Nederlandse burgerslachtoffers of burgergeïnterneerden getroffen.
Onder druk van Nederland werd er later met Japan alsnog een bilateraal akkoord gesloten. Het Yoshida-Stikker protocol van 1956. Aan burger geïnterneerden werd toen alsnog een bedrag van fl. 415, - per persoon uitgekeerd.

Voor de meer dan 100.000 Nederlandse burgers die onder de Japanse bezetting geleden haddenen en al hun bezit waren kwijtgeraakt was totaal  niets geregeld.
Het Verenigd Koninkrijk beschouwde de Birma Spoorweg als oorlogsbuit. Deze spoorweg werd aan de Birmese regering verkocht voor ongeveer 1.250.000. Engelse ponden(de Goejen).

Aan Birma, Maleisië en Nederland, vanwaar het spoorwegmateriaal geroofd was, werden aanzienlijke bedragen uitbetaald. Waar dit aan Nederland betaalde geld gebleven is, is een raadsel

Een resterend bedrag van ongeveer 350.000. engelse ponden werd tenslotte aan de landen van geallieerde krijgsgevangenen, die aan de Birma spoorweg hadden gewerkt, uitbetaalt. Het Nederlandse deel was circa 100.000. Engelse ponden. Vanaf 1954 kreeg elke gerechtigde een bedrag van fl. 61,73 uitbetaald.

Voor de burgerslachtoffers is door de Nederlandse regering, die toch verantwoordelijk was, nooit onderhandeld met Japan. De Nederlandse regeringen verzuimden soortgelijke onderhandelingen met Republiek Indonesia Serikat (RIS)I en later met de Republiek Indoenesia (RI).     .
De Nederlandse Staat heeft nagelaten adequaat de belangen van haar burgers in Indië te behartigen.

HET  ZOGENAAMDE ONDERZOEK NAAR NEDERLANDS INDISCH PRIVE BEZIT.

In 1998 begon de commissie van Galen, in verband met “het Gebaar” een onderzoek naar particuliere Nederlandse bank- en verzekeringstegoeden. Omdat de commissie aannam, dat alleen de bovenlaag van de
Nederlandse bevolking hierover beschikten, trok de commissie de conclusie dat het verlies aan bank- en verzekeringstegoeden van de Nederlandse Indische gemeenschap niet noemenswaardig was. Het vaststellen van bedragen achtte de commissie daarom niet nodig.

Uit de onderzoeken van Dr.Keppy, Dr. Meijer en Mr. Zorab, welke in 2005 en 2006 werden afgerond bleek echter het tegendeel.

Na de capitulatie van Nederlands Indië aan Japan en na de capitulatie van Japan werden Nederlanders en Indische Nederlanders geïnterneerd. De eerste keer door de Japanners en de tweede keer door de Indonesische extremisten. Alle Nederlanders en Indische Nederlanders moesten hun bezittingen voor “enige maanden” en deels uiteindelijk  tot na de oorlog achter laten.
Zij kregen zelfs niet de kans hun bewijzen van Nederlands staatsburgerschap, bankboekjes en verzekeringspolissen mee te nemen of deze elders in bewaring onder te brengen.

Hun belangrijke bezittingen waaronder veel juwelen en waardebewijzen, werden door de Japanners buitgemaakt en later van wat er over bleef door de Indonesiërs gerampokt (geroofd).

Dan is er het raadsel van de schat van Nakamoera. (A.D.magazine, gereconstrueerd door Peter Schumacher ).

Uit het pandhuis in Kramat in Batavia werden 2 dagen na de capitulatie van Japan onder leiding van Kapitein Heroski Nakamoera, 5 grote koffers en enkele manden gevuld met juwelen en diamanten vervoerd naar een, voor de beheerder van het pandhuis, onbekende bestemming.

De opdracht tot de roof kwam van de Japanse kolonel Akira Nomura. Hij was het hoofd van het planbureau van het Japanse leger. De geroofde juwelen en diamanten werden onder het mom van de vergoeding voor de kosten van vijf internering- en  bewakingskampen ontvreemd.
De koffers en manden werden naar het huis van de Nederlandse minnares van Nakamoera, Carla Wolff gebracht. Daar werden de juwelen en diamanten verdeeld. Een deel behield Carla Wolff met goedvinden van Nakamoera voor zichzelf. Nakamoera vertrok en kwam enige dagen later terug met 20 staven zilver en ongeveer 200.000 Nederlandse Indische guldens.(De koers was gelijk aan Nederlandse guldens).

Uit angst voor rampokkers werd de buit, met uitzondering van het deel van Carla Wolff, via een Chinese vertrouweling ondergebracht bij een andere Chinees, Tio Wien Koen.
Nakamoera werd in februari 1946 gearresteerd door de Britse Field Security Service (FSS). Na verhoren kwam vast te staan dat zowel Nakamoera als diens chef Nomura met de roof te maken hadden. Carla Wolff werd, vanwege haar loslippigheid, door de Nefis (Netherlands Forces Intelligent Service) ingerekend. Bij haar werden naast juwelen een bedrag van 370.000 Nederlands Indische guldens in beslag genomen. Zowel Nakamoera, Nomura, de twee Chinezen als Carla Wolff  werden  veroordeeld en zaten hun straffen uit. De geroofde schat van Nakamoera werd geschat op enige miljoenen Nederlandse Indische Guldens.
Een deel van de geroofde schat zou volgens de “Indische Courant” nog ergens in de Bataviase Menteng  buurt begraven liggen.

Een andere lezing over de Nakamoera schat werd verwoord in het AD magazine in Amsterdam.
Het grootste deel van de Nakamoera schat zou naar Australië gesmokkeld zijn. Rob Nikerk, een burger medewerker van de Leger Technische Dienst (LTD) zou bij de smokkel en verkoop van de schat in Australië de centrale figuur zijn geweest.
Ook een officier van het Nederlandse leger, Luyke Roskott, zou bij de verdwijning van de schat en in verband met grote wapensmokkel voor Indonesië een grote rol hebben gespeeld. Ook zou een Nederlandse piloot van het KNILM, kapitein Davids, naar men zegt een deel van de buit bestaande uit juwelen en goud naar Serawak op Noord Borneo hebben gevlogen.
De verdwijning van de schat van Nakamoera is nooit opgelost. Vlak na de periode 1946/1947 zouden alle onderzoeksdocumenten zijn vernietigd.

Generaal Spoor, die een onderzoek gelaste, hoofd redacteur J.H. Houbolt van het Bataviase Nieuwsblad, de veiligheidsofficier vaandrig R.C.I. Aernout en Dhr. W.J. Haye zouden i.v.m. de schat onder zeer verdachte omstandigheden zijn overleden.
In Indië was in elke belangrijke stad, en er waren er enige honderden, een pandjeshuis waar tijdens en direct na de oorlog Nederlandse en Nederlandse Indische burgers hun bezittingen verpanden om aan voedsel te komen.

Het totale particuliere verlies gedurende de oorlog en de daaropvolgende Bersiap periode van de Nederlandse en Nederlandse Indische burgers (was 95%) en moet omgerekend naar de huidige geldwaarde meer dan een miljard euro zijn.

Dit is, zoals eerder vermeld, in tegenstelling tot wat eerder door de Nederlandse commissie van Galen werd vastgesteld in haar onderzoek m.b.t. het zogenaamde gebaar. In hun verslag werd het verlies van de Nederlandse Indische bevolking minimaal en dus niet noemenswaardig genoemd.

Gedurende een ronde tafel conferentie in 1949 werd een akkoord gesloten met de Republiek Indonesia Serikat (RIS). De RIS werd verplicht om na de soevereiniteitsoverdracht de betalingen in verband met oorlogsverliezen van Nederland over te nemen. De Nederlandse regering fundeerde deze beslissing op een uitspraken van de Hoge Raad in cassatie uit 1956 en 1958. Dit college stelde vast dat de Nederlandse Staat financiëel niet verantwoordelijk kon worden gesteld omdat de juridische verplichtingen op dit punt met de soevereiniteitsoverdracht zijn overgegaan op de Indonesische Staat (RIS).
De vraag rijst of de Hoge Raad in verband met de geheimhouding die op bepaalde regeringsdocumenten rustte, wel over de juiste informatie en dus casus heeft beslist?  Al een maand na het akkoord werden deze betalingen door de R.I.S. stopgezet.

Nederland heeft zich kennelijk altijd al aan haar financiële verplichtingen tegenover de Nederlands Indische gemeenschap willen onttrekken. Immers tijdens de Ronde Tafel Conferentie( RTC) in verband met de souvereiniteitsoverdracht aan Indonesië, deed Nederland aan Indonesië “ kennelijk op “voorhand de geste” om 980 miljoen gulden van de door Japan vergoede kosten aan geconfiskeerde en geroofd Indisch privë bezit over te dragen. Dit bedrag zou door Indonesië aan haar “ex vijand” de (Indische) nota bene Nederlanders moeten worden betaald voor de door hun geleden oorlogsschade veroorzaakt door Japan. Dit gebeurde dus op enkele hoge uitzonderingen na niet en het beschreven bedrag verdween in de “Indonesische Kas”?. Door eerder vermelde “geste” had het onderwerp: “Verblijf van Indische Nederlanders in Indonesië”, tijdes de RTC  voor beide partijen geen prioriteit meer. Door het grootste deel van de vergoedingen van verloren Indisch bezit in de oorlog met Japan aan Indonesië toe te spelen kon Nederland zich tijdens de RTC het predicaat verwerven van “meest belangrijke handelspartner van Indonesia”.Alles was o.a. onder leiding van Minister van Financièn Lieftinck mogelijk mits de Nederlandse schatkist en de Nederlandse Belastingdienst maar werden ontzien. Het belang van de Nederlands Indische gemeenschap telde  niet.

Nederland wilde van de Indische Nederlanders af. Dit bleek uit het later beschreven discriminereden rapport van commissie “Werner” en uit uitlatingen van KVP-er,vertegenwoordiger Tweede kamer  van Thiel. Verboom van de Stichting Pelita onderkende dit.

AMBONESE KNIL MILITAIREN.

In 1950 weigerden Ambonese KNIL militairen na de ontbinding van het KNIL in Indonesië
gedemobiliseerd te worden. Nederland was toen verplicht circa 13.000 Ambonezen en hun
gezinnen naar Nederland over te brengen.

Na aankomst in Nederland werden deze Ambonese KNIL militairen aan boord van de schepen aan de kades in Nederland gedemobiliseerd. Dit werd door de Ambonezen als zeer onrechtvaardig beschouwd. Zij bleven in barakken bij elkaar wonen zoals zij in hun kazernes gewend waren. Deze ontevredenheid en voor hun gevoel onheuse behandeling monde uit in het bezetten van de Indonesische ambassade, een schoolgebouw en treinkapingen . Dit vond plaats gedurende de regeerperiode van Premier Joop den Uyl en de minister van Justitie Dries van Agt.
Om de kapers in verwarring te brengen werden Straaljagers ingezet, die vlak boven de gekaapte trein scheerden. Gelijkertijd werden mariniers ingezet om de gegijzelden te bevrijden.

De meeste kapers werden gedood (vermoord) of gevangen genomen. Ook vielen er slachtoffers onder de gegijzelden toen de mariniers aanvielen.

Al deze ellende had kunnen worden voorkomen, indien men de trouw van de Ambonese militairen in Nederland had beloond door hun een onderdeel te maken van de Koninklijke Landmacht.

HET RAPPORT VAN DE COMMISSIE WERNER EN DE GEVOLGEN DAARVAN.

In 1951 werd (zoals eerder vermeld) het discriminerende eindrapport van de Commissie Werner aan het Nederlandse kabinet aangeboden. In dit eindrapport stond het advies voor het te voeren beleid ten aanzien van de Indische Nederlanders. In dit rapport werd een onderscheid gemaakt tussen westers en oosters georiënteerde Indische Nederlanders. De oosters georiënteerde Indische Nederlanders zouden door hun lage arbeidstempo geen kans van slagen hebben op de Nederlandse arbeidsmarkt. Ook op andere terreinen zou er weinig hoop zijn voor een succesvolle integratie in de Nederlandse samenleving. De verwachting was dat deze mensen tot de asociale elementen van de Nederlandse samenleving zouden gaan behoren. In een rede die Werner hield noemde hij het dwaasheid om de Indische Nederlanders naar Nederland te laten komen. Nederland was overbevolkt, er was geen werk en huisvesting voor hen. Nederland had geen financiële middelen om zo´n omvangrijke operatie te betalen.

In regeringsstukken uit de vijftiger jaren van de vorige eeuw staat de uitlating van de KVP-er (welke party nu in het CDA is opgegaan) van Thiel te lezen: “De regering heeft de overtuiging dat de belangen van het overgrote deel van de in Indië geboren en getogen  personen van Nederlandse Nationaliteit (ongeveer 250.000) het beste gediend zou zijn met een voortgezet verblijf in Indonesië. De ervaring heeft geleerd, dat de overkomst naar Nederland van Indische Nederlanders, zowel voor ouderen als voor jongeren vaak een ontworteling betekend die onherstelbaar is.(deze bewering was natte vinger werk van de Nederlandse regering).

Dhr. J. Verboom van de Stichting “Pelita” oordeelde, dat de bedoeling van het rapport van de commissie Werner etc. was, om op zo´n goedkoop mogelijke manier van het probleem van Indische Nederlanders uit het voormalig Nederlands Oost Indië af te komen.
Nederland wist dat deze groep van circa 350.000 Indische Nederlanders in ruim 400 Indonesische kampen geïnterneerd waren geweest, waarbij ze al hun bezit verloren, werden mishandeld, honger leden en zelfs werden gedood, dat de kans
op hun verbijf in Indonesië na de overdracht van het land daarom al was uitgesloten.

Nederland en haar ambassades in Indonesië bleven de repatriëring van Indische Nederlanders met alle middelen (ook via krantenberichten) tegenwerken. De Indische Nederlanders werden aan het lijntje gehouden, foutief geïnformeerd en in de richting van het Warga Negara Indonesia schap gedreven met beloften die Nederland nooit zou kunnen waar maken.
In 1956 zegde Indonesië het verdrag tussen Indonesië en Nederland eenzijdig op, en stopte alle betalingen.     
Dit was voor minister Marga Klompe het sein om omstreeks begin 1957 het ontmoedigingsbeleid van de Nederlandse regering om te zetten in aan actieve repatriëringpolitiek.
Iedere Indische Nederlander kreeg een laatste kans met een voorschot voor de kosten van repatrietrering naar Nederland te vertrekken. In die periode was de informatievoorziening in Indonesië over dit nieuwe beleid mede door gebrek aan communicatiemiddelen zeer summier. Vele Indische Nederlanders waren door onwetendheid, sociale motieven, ziekte en andere oorzaken niet bij machte om van deze mogelijkheid te vernemen.
Ongeveer 6000 Indische Nederlanders bleven hierdoor in Indonesië achter en werden gedwongen WNI-ers te worden. Onder het bewind van president Soekarno hebben zij hun namen moeten vervangen door Indonesische namen en werden ook zo geregistreerd in de bevolkingsregisters.

DE PROBLEMEN RONDOM NEDERLANDS NIEUW GUINEA EN DE INVLOED VAN DE V.S. WAARDOOR NEDERLAND DE LAATSTE KOLONIE IN NEDERLANDS OOST INDIE VERLOOR.

In 1957 stelde Indonesië het bezit van Nederlands Nieuw-Guinea aan de kaak. Op 21 december
1957 werd door Indonesië een oorlogsverklaring afgegeven aan Nederland. Indonesische troepen landen daarna op zuid Nieuw- Guinea.

Intussen vonden er tussen Indonesië, Nederland en de V.S. onderhandelingen plaats over Nieuw Guinea. Nederland werd vertegenwoordigd door minister Luns van Buitenlandse Zaken.

Tussen Indonesië en Nederland heeft sinds de onafhankelijkheids verklaring door Soekarno een verschil van mening bestaan over Nieuw Guinea.
De Republiek Indonesia moest volgens Soekarno bestaan uit alle eilanden vanaf de plaats Sabang nabij Singapore tot Merauke op zuid Nieuw Guinea.
Merauke ligt aan de grens met het Australische Papoea New Guinee.
Het Nederlandse standpunt was dat gezien de verschillen in geografie, etnologie, taal, cultuur en gewoonten de Papoea bevolking totaal niet verwant was aan de Indonesiërs, maar eerder aan de Aboriginals van Australië en Melanesiërs.
Bovendien had Nederlands Nieuw Guinea al sinds 1660 een aparte status en was het ondergebracht bij het sultanaat van Tidore. Dit sultanaat bestuurde het Noorden en Westen van Nieuw-Guinea met autorisatie van de Verenigde Oost Indische Compagnie (VOC)
De V.S. presidenten Eisenhower en Kennedy hebben getracht om de kwestie Nieuw Guinea op te lossen, echter zonder resultaat.

De opeenvolgenden presidenten van de V.S. vertrouwden het beleid van de Indonesische president Soekarno niet. Zij steunden daarom aanvankelijk het Nederlandse standpunt. Minister John Foster Dulles van de V.S. ging op aandringen van minister Luns zelfs zo ver, dat hij op 17 oktober 1958 schriftelijk beloofde, dat als Nieuw Guinea door Indonesië zou worden aangevallen, de V.S. dit hetzelfde zou beschouwen als een aanval van China op Formosa. Nederland kon dus rekenen op de steun van de V.S.
De problemen over Nieuw Guinea bleven echter voortduren. Indonesië verzocht de V.S. om militaire hulp en wapens. De V.S. was echter bang, dat deze wapens zouden worden ingezet in een strijd om Nieuw Guinea en weigerde aanvankelijk deze hulp.
Intussen had de V.S. haar handen vol met het instandhouden van een aanzienlijke troepenmacht in Zuid Korea een eventuele aanval van China op Formosa, het begin van de Amerikaanse betrokkenheid in Vietnam en de koude oorlog en kon een oorlog om Nieuw Guinea er niet bij hebben Indonesië zocht daarna de hulp van de Soviet Unie. Gebruikmakend van de problemen van de V.S. probeerde de Soviet Unie Indonesië binnen haar invloedsfeer te brengen. Op verzoek van president Soekarno voorzag de Soviet Unie Indonesië van wapens en financiële middelen tot een bedrag van ongeveer 900 miljoen dollar. Ook trainde de Soviet Unie het Indonesische leger en zorgde voor de opleiding van burgerpersoneel.
De steun van de V.S. was slechts 21 miljoen dollar en dus veel minder dan die van de Soviet Unie.
Ondertussen vonden er op Nieuw Guinea steeds infiltraties van Indonesische militairen plaats.

In Indonesia zelf werd de Partij Komunis Indonesia (de PKI) opgericht door de Nederlander Henk van Sneevliet. Deze partij kreeg steeds meer invloed. Als deze partij aan de macht zou komen, dan zou Indonesië binnen de invloedsfeer van de Soviet Unie komen.

De V.S. leverde daarom in 1958 aan generaal Nasoetion, die westers georiënteerd was, de nodige wapens om het bestaande bewind aan de macht te houden.
Intussen herzag de V.S. hun standpunt ten aanzien van Nieuw Guinea. Minister Dean Rusk stelde onomwonden vast dat de kwestie Nieuw Guinea voor de V.S. een onderdeel van de confrontatie met het communisme vormde.

Na een bezoek van Minister Soebandrio aan de Soviet Unie werden er door de Soviet Unie in 1960 ongeveer 20 miljard dollar aan zware wapens geleverd. Volgens premier Djoeanda van Indonesia dreef de Nieuw Guinea kwestie zijn land in handen van de Soviet Unie.

De regering Drees met Luns als minister van buitenlandse zaken, hield m.b.t. het beleid over Nieuw- Guinea” hun poot stijf”.

In 1956 werd een wijziging in de Nederlandse grondwet aangebracht, waardoor Nieuw Guinea een deel van het Koninkrijk der Nederlanden werd. Daarna werd de Nieuw Guinea Raad opgericht. Onder andere de heren Nicolaas Jaowe en Kaisjepo zouden t.z.t. de leiders zijn.
Ondertussen ondernam Indonesië verwoede pogingen om zoveel mogelijk derde wereld landen binnen de Verenigde naties aan hun zijde te krijgen m.b.t. de kwestie Nieuw-Guinea. Dit was echter zonder resultaat.

Indonesië besloot vervolgens alle Nederlandse bezittingen in Indonesia te nationaliseren. Er ontstond een hetze tegen alles wat Nederlands was.

Het Indonesische leger bleef door middel van infiltraties prikacties uitvoeren op Nieuw Guinea. Onder leiding van kapitein-ter-zee Soedarso werden drie torpedo- of kanonneerboten naar Nieuw Guinea gestuurd.
Ter hoogte van de Vlakke Hoek werden zij door een Neptune patrouille verkenningsvliegtuig van de Nederlandse Marine ontdekt, waarna de HMS Evertsen en HMS Kortenaer erin slaagden deze torpedoboten te onderscheppen. De Kortenaer, die volgens Marine ingewijden slechts op een ketel voer en een maximum snelheid van ongeveer 10 knopen had, slaagde erin een torpedoboot tot zinken te brengen. De bevelvoerende commodore sneuvelde en 45 bemanningsleden werden uit zee opgevist. Gouverneur Generaal van Baal en zijn leger en marine staf gaven er de voorkeur aan de andere twee schepen te laten ontvluchten.

Later werd er in de Humboldbaai en/of de Jautefabaai bij de hoofdstad Hollandia een Soviet onderzeeër gelokaliseerd. Kennelijk werd er ook toen door de Gouverneur Generaal en de legerleiding voor gekozen dit schip te laten ontvluchten.

President Kennedy van de V.S. besloot de kwestie Nieuw Guinea definitief op te lossen. Er volgde een conferentie te Middleburg in de V.S. Een plaats nabij Washington DC. De eerste conferentie strandde, omdat Nederland en Indonesia teveel van mening verschilden.
Tijdens deze besprekingen was Nederland zich niet bewust van de sterkte van de Indonesische gereedstaande troepenmacht. Voor een aanval op Nieuw Guinea onder de codenaam “Djajawidjaja” stonden circa 30.000 militairen gereed, die door een omvangrijke Soviet vloot, waaronder zich 6 onderzeeboten bevonden, zou worden ondersteund. Deze invasiemacht stond op de Oostkust van Celebes gereed.

Nederland kon tegenover deze macht slecht 6.000 militairen, enkele Neptune verkenningsvliegtuigen, enkele torpedobootjagers, 1 of 2 duikboten en een karteringsvaartuig, stellen. Eventueel konden ook enkele detachementen Mobile Politie versterking bieden. De V.S. was op de hoogte van deze troepenmacht en schaduwde deze voortdurend met U2 spionage vliegtuigen. De CIA kwam te weten dat de invasie waarschijnlijk tussen 2 en 15 augustus 1962 zou plaats vinden. Deze informatie werd doorgegeven aan Nederland. Door de steun van de Soviet Unie aan Indonesië door wapens, oorlogschepen en vliegtuigen zou Nederland zonder logistieke steun een gewapend conflict verliezen.
Er volgde in Middleburg een tweede conferentie. Onder druk van de V.S. kwam men uiteindelijk min of meer tot een oplossing, die ten nadele van Nederland uitviel. Nederland werd door de V.S. in de steek gelaten
Indonesië had zich ten doel gesteld om in het begin van de jaren zestig Nieuw Guinea onderdeel van hun land te maken. President Soekarno was dit vanwege zijn belofte aan de bevolking verplicht. De macht van Soekarno was tanende en een inlijving van Nieuw Guinea kon hij goed gebruiken.

Tijdens eerdere infiltraties door parachutisten landingen zou, volgens Soebandrio, Indonesië gebruik hebben gemaakt van door de V.S. geleverde Hercules vliegtuigen en lichte wapens. Deze waren aan Indonesië verstrekt in het kader van het Military Assistance Program (MAP).
Of dit waar is? Het is mogelijk dat Indonesië hierdoor wilde bewijzen dat zij nog niet geheel afhankelijk was van Moskou. Dean Rusk liet wel een onderzoek instellen om het imago van de V.S. op te poetsen ten opzichte van haar NAVO partners.
Het resultaat van dit onderzoek wees uit, dat tijdens de infiltraties door Indonesische troepen op Nieuw-Guinea wel degelijk lichte wapens afkomstig uit de V.S. werden gebruikt. Burger technisch personeel van Lockheed onderhielden de Hercules vliegtuigen.

Ook zou mogelijk een deel van de 11.000 lichte wapens die door Denemarken voor de Indonesische Politie waren geleverd, zijn ingezet. Een deel van de Indonesische politie (de ABRI) had een militaire functie en was betrokken bij luchtlandingen op Nieuw Guinea. Bij eerdere infiltraties via droppingen met Hercules vliegtuigen was de ABRI ook ingezet o.l.v. luitenant kolonel Tjalus.

Oe Thant, de Secretaris Generaal van de Verenigde Naties maakte Minister Soebandrio duidelijk, dat uiteindelijk een bonafide recht op zelfbeschikking ook voor Nieuw Guinea bestond.

Op 28 juli 1962 werd in een gesprek tussen Soebandrio en van Roijen op belangrijke punten overeenstemming bereikt.
Nederland zou Nieuw Guinea overdragen aan een interim VN bestuur, The United Nations Executive Temporary Authority (UNTEA).   
Na 1 mei 1963 zou NieuwGuinea worden overgedragen aan Indonesië.    
Het TNI leger zou voorlopig onder het gezag van de VN komen. Een volksraadpleging onder de Papoea´s zou uiterlijk in 1969 moeten plaats vinden. De vrijheid van meningsuiting voor de allochtone bevolking moest worden gegarandeerd.

De overeenkomst ten aanzien van de overdracht van Nieuw-Guinea werd op 15 augustus 1962, dus twee dagen voor de datum in 1945 toen Soekarno de Republiek Indonesia uitriep, in New York ondertekend.

De Nederlandse regering heeft alles gedaan om Nieuw Guinea voor Nederland te behouden en de Papoea’s hun zelfbeschikkingsrecht te gunnen.

De belangen van de V.S. waren in Azië, Zuid- en Midden Amerika en niet te vergeten de koude oorlog met de Soviet Unie aanzienlijk belangrijker dan een oorlog riskeren over de status van Nieuw Guinea.

Omstreeks 1961 kwam dan ook een repatriëringgolf van oudere mensen, vrouwen en
kinderen uit Nieuw Guinea naar Nederland opgang. Later volgden de mannen. In totaal repatrieerden ongeveer 14.000 Nederlanders (Willems/Lucassen).
Deze Nederlanders verloren hierbij wederom een groot deel van hun bezittingen. Niemand was bereid de eigendommen die werden achter gelaten te kopen. De Nederlandse regering heeft nooit dit verlies van de voormalige Nederlanders van Nieuw Guinea gecompenseerd.
Uiteindelijk werd Nieuw Guinea in 1963, onder druk van onder andere de V.S. en Australië aan Indonesië overgedragen, waarna het restant Nederlanders naar Nederland werden overgebracht.

NB. Nederlandse militairen die de Indonesische infiltraties hebben bestreden werden na hun acties beloond met een “lintjes c.q. sterretjes regen”. De leden van de NNG Politie, die het opsporings-, verificatiewerk, en als gidsen dienden  werden, op een hoogst enkele na, vergeten.  Zij waren het die door hun optreden in de bush, grote verliezen aan Nederlandse militaire zijde voorkwamen.

DE AANKOMST VAN DE INDISCHE NEDERLANDERS IN NEDERLAND EN DE SLECHTE ONTVANGST.

Velen onder hen moesten door de gedwongen repatriëring zeer belangrijke “Nederlandse Contracten” die zij onder andere bij de “NIGIMY” NV. (dochteronderneming van firma Hagemijer in Baarn) sloten, eenzijdig opzeggen of verbreken, wat een groot inkomensten verlies opleverde.

In Nederland aangekomen, werden de mensen in contractpensions onder gebracht. Gezinnen tot 5 personen werden in een kamer van 4 x 5 meter ondergebracht, waardoor elke vorm van privacy ontbrak. Het eten kwam uit een gaarkeuken.
Er werd niet geïnformeerd naar, noch rekening gehouden met de eetgewoonten van deze Indische Nederlanders. Men kreeg een kledingvoorschot, dat onder toezicht van een DMZ ambtenaar moest worden besteed. Men was niet vrij in de keuze van winkels of van goederen. Men moest genoegen nemen met wat men aangeboden kreeg. Zakgeld werd eens per maand verstrekt, onder de strikte voorwaarde dat 60 % van dit bedrag en van eventuele andere inkomens aan de DMZ ambtenaren moesten worden afgedragen. Bij de toewijzing van eigen huisvesting kreeg men meubelvoorschot. Al de verstrekte bedragen inclusief de overtochtkosten van Nieuw-Guinea naar Nederland moesten worden terugbetaald. Deze terugbetaling heeft voor het grootste deel plaats gevonden. De overheid ging eraan voorbij dat de repatrianten wegens omstandigheden door de Nederlandse overheid waren gedwongen naar Nederland te komen.

Kort na aankomst werden de gerepatrieerden psychologisch getest voor een baan. Alle in Nederlands Indië en Nieuw Guinea behaalde diploma’s en de opgedane werkervaring werd in Nederland, door het ontbreken een gelijkstellingwet voor het onderwijs, niet erkend. Van de ene dag op de andere werden alle gerepatrieerden, inclusief academici tot ongeschoolde arbeiders gedegradeerd. Een commissaris van politie moest als pompbediende bij een benzinestation in Utrecht gaan werken omdat hij weigerde bij de Sociale Dienst zijn hand op te houden. De minder- opgeleiden kregen banen als leerling lassers, ondanks dat zij wel in het bezit waren van alle denkbare lasdiploma’s, aspiranten bij de politie waarvan slechts een enkeling, waaronder de auteur werd aangenomen.
De gerepatrieerden kregen de “vuile” baantjes ongeacht hun opleiding. Hierbij waren universitaire en HTS geschoolde mensen. De gerepatrieerden werden beschouwd als een soort gastarbeider.

WAAROM DE NEDERLANDSE INDISCHE GEREPATRIEERDEN VEEL ZIJN MISGELOPEN.

Er was nauwelijks begeleiding bij de integratie van de voor de gerepatrieerden zo vreemde Nederland. Men moest het veelal zelf uitzoeken en vooral niet moeilijk doen.
Het resultaat van deze Nederlandse houding was dat de gemiddelde repatriant ongeveer 16 uur of meer per etmaal moest werken en leren om iets op de maatschappelijke lader te kunnen bereiken.
Vele wetten als WIV, WUBO, WUV, CAOR, enz. gingen daarom aan hun aandacht voorbij.

Op de mogelijkheid tot inkoop van de AOW premies werden de repatrianten, ondanks dat velen onder hen een baan als ambtenaren hadden, niet altijd geattendeerd. Later bleek, dat hiervoor drie mogelijkheden hadden bestaan. Met de wil om te integreren, het leren en werken van gemiddeld 16 uur per etmaal werd van de repatriant verwacht toch zelfstandig kennis te moeten nemen van alle geboden mogelijkheden. De loze kreet: iedere Nederlander wordt geacht de wet te kennen” is kennelijk in het leven geroepen om de Nederlandse overheid van zijn morele verplichtingen te ontslaan!

Veel repatrianten worden met 10 procent of meer gekort op hun AOW pensioen.
Door de slechte voorlichting van de Nederlandse overheid werden de te laat ingediende aanvragen voor een uitkering door de WUBO/WUV, etc. afgewezen. De getuigen waren vaak al overleden.
Bovendien werd door de overheid, door middel van de Privacy Wet, het natrekken van getuigen via de bevolkingsregisters uitgesloten. Zonder toestemming van de betreffende persoon werd geen informatie verstrekt.
Navragen via openbare archieven hadden geen zin. De dienstdoende ambtenaren hadden het te druk en de door PUR aangevraagde informatie ging voor omdat er een overeenkomst was tussen de archieven en het PUR. De wachttijd voor de individuen, als men al aan bod kwam, bedroeg ongeveer een jaar of langer. Het leek alsof of de overheid een ontmoedigingsbeleid voerde tegen particuliere aanvragers.
Wel werden de gerepatrieerde Indische Nederlanders door de Nederlandse overheid als voorbeeld ten toon gesteld van een geruisloze geslaagde integratie en assimilatie in de Nederlandse samenleving.
De Nederlandse overheid vergeet echter te melden dat voor deze integratie en assimilatie een zeer hoge prijs is betaald!
De kinderen van de eerste en tweede generatie gerepatrieerden hebben een slechte jeugd gehad, en zij hadden een leerachterstand.
Naast de trauma’s die de kinderen hadden opgelopen, waren ook hun ouders, die oorlogen hebben meegemaakt en de gevolgen daarvan, zwaar getraumatiseerd. Velen van hen leven nog onder constante stress, raken soms aan de drank, hebben financiële problemen of zijn zelfs voor hun leven psychisch blijvend gestoord. Door deze omstandigheden gingen vele gezinnen scheiden met als gevolg dat ook de kinderen werden gescheiden. Dit is typisch voor de “uitmuntende” sociale politiek van de opeenvolgende Nederlandse regeringen. Dit geldt heden ten dage nog.

In 1960 werden de diplomatieke betrekkingen tussen Indonesia en Nederland verbroken.
N.a.v. moties besloot de Tweede Kamer, dat verruiming voor repatriëring van spijtoptanten
mogelijk werd gemaakt.

HET VERDRAG TOT KWIJTSCHELDING VAN WEDERZIJDSE SCHULDEN TUSSEN NEDERLAND EN INDONESIE EN DE GEVOLGEN VOOR DE GEREPATRIEERDEN.

In 1966 werd er tussen Nederland en Indonesië een verdrag gesloten, waarbij alle wederzijdse vorderingen, die voortvloeiden uit de soevereiniteitsoverdracht werden kwijtgescholden. Dit verdrag werd door minister Luns van Buitenlandse Zaken ondertekend.

Nederland ontving gefaseerd een kleine 600.000.000 gulden als compensatie. Dit geld werd bijna uitsluitend gebruikt als vergoeding van geleden schade door Nederland en de schade geleden door Nederlandse bedrijven door de nationalisering onder het bewind van Soekarno .

Voor de Nederlanders en Indische Nederlanders die in periode 1945 tot en met 1949 in Nederlands Indië en later in de periode 1962 tot en met 1963 in Nieuw Guinea, tot drie keer toe al hun bezittingen en banktegoeden verloren, heeft er nooit enige compensatie plaats gevonden.
Met de uitbetaling van het gebaar, dat als vergoeding voor de geleden ellende in de bovenvermelde jaren en daarna tot 1967 is alleen maar nog meer onvrede onder de Nederlandse Indische gemeenschap ontstaan. Het gebaar zou en streep moeten zetten onder de geleden ellende en ontberingen.

Zij werden afgescheept met een fooi van slechts fl. 3.500,- per persoon die er recht op had. Dit bedrag is met recht als een fooi ervaren. De zigeuners van Santi Roma, (die bereid waren tot demonstraties) en de internationale joodse gemeenschap, die via senatoren in de senaat van de V.S. de ABN/AMRO- banken in de V.S. bedreigden met hun tegenwerking, kwamen er veel beter van af.
De Nederlandse Indische gemeenschap was een grotere gemeenschap dan zigeuner en joodse gemeenschap.
Met de uitspraak van minister van financiën Gerard Zalm, dat er niet meer geld beschikbaar was voor het gebaar en dat materieel verlies niet met geld kon worden goedgemaakt, werd de Nederlandse Indische gemeenschap het zwijgen opgelegd.

De belofte aan Indische Nederlanders voor meer onderzoek naar wat er precies gebeurd is in de bovenvermelde periode, zijn door de Nederlandse regeringen  pas in 2008 nagekomen, zogenaamd wegens geld gebrek. De mogelijkheid tot persoonlijke schade claims bleef volgens de regering bestaan. (Dit was een lekkermakertje die kennelijk “opzettelijk” werd gelanceerd) !

Uitgaande van de historie ging de regering ervanuit, dat de Indische Nederlanders toch verdeeld zullen zijn en blijven en dat verdere claims niet zouden volgen.
De regering in den Haag was bekend met de onmogelijkheid om individueel bij regeringen oorlogschades te claimen. Opzet?

Artikel 3 van de Haagse Conventie van 1907 zegt: “A belligerent party which violates the provisions  of the said regulations shell, if the case demands, be liable pay compensations. It shall be responsible for all acts committed  by persons forming part of its armed forces”.
Naar aanleiding hiervan is men van mening dat er geen kans is op individuele erkenning voor aangedaan leed. De erkenning zou via staten onderling zijn geregeld, door hun respectieve rechtbanken en (hogere) gerechtshoven. Dit komt vermoedelijk door de uitleg die men aan het bewuste artikel geeft. “Een land hoeft aan individuen geen schuldbetoon te erkennen of schade te vergoeden”.

Ook het verdrag van San Francisco van 1956 is aan deze uitleg debet. Daarin is het volgende citaat opgenomen:
“Allmost all te cases reject a right  of individual victims to claim a right  of compensation from states on article 3 of the Hague convention. It will still be the  governments that, on a case by case basis, determine whether to do something for the individual and if so, what”.
Uit bovenstaande mag worden aangenomen, dat individuele oorlogschadeclaims niet haalbaar zijn. Elke regering zal per geval moeten beslissen of ze iets voor een individuele eiser moet doen en in het bevestigende geval, wat ze zal of wil doen.
Met andere woorden: Gerechtigheid wordt alleen verkregen door grote groepen gelijkgestemden, zoals verenigingen, kerkelijke groeperingen, etc. die druk uitoefenen op de politiek.
Eenheid staat voor winnen en verdeeldheid voor verlies. Daarom: Indo’s verenig U!

Van een Indonesische procureur generaal, Soewadi, uit Soerabaya is vernomen dat onder het bewind van president Soekarno alle archieven van buitenlanders centraal waren ondergebracht in Djakarta, teneinde later te worden vernietigd om verdere schadeclaims te voorkomen.

Een ding hebben wij Indische Nederlanders geleerd. De Nederlandse overheid kon in het verleden kennelijk alleen tot andere inzichten gebracht worden door  burgerlijke ongehoorzaamheid, zoals relletjes, wegen blokkeren, kapingen en bedreigingen. Dit kan nu weer gebeuren.

De naar schatting nog ongeveer 6.000 Indische Nederlanders, konden de overtocht naar Nederland als spijtoptant niet maken, vanwege sociale, fysieke, emotionele of financiële redenen.
Voor velen van hen waren overtochtkosten onbetaalbaar. Nederland kwam in sommige gevallen tegemoet met een voorschotregeling, die men later in 10 jaren moest terugbetalen.

Door de gebrekkige communicatie in Indonesië bereikte dit aanbod helaas niet iedereen die er voor in aanmerking zou kunnen komen. Deze Indische Nederlandse ouderen leven thans onder zeer mensonterende omstandigheden.

ENKELE BELANGRIJKE COMPENSATIE WETTEN EN  REGELINGEN.

Voor de vele Nederlandse Indische oorlogsslachtoffers bestaat de Commissie Algemene Oorlogsongevallen Regeling (CAOR) in Heerlen.
Om op deze regeling een beroep te kunnen doen zijn er een aantal eisen. Een ervan was dat men geen militair was geweest. Deze eis is nu vervallen. Men moest Nederlands staatsburger zijn en niet ouder dan zeventig. Men moest lichamelijke en/of geestelijke schade hebben opgelopen tijdens de Tweede Wereldoorlog, tijdens de Bersiap periode en de tijd daarna tot 1954.

In de periode 1972/1973 werd de WUV in het leven geroepen. Erkenning voor deze wet is alleen mogelijk als men in een Japans kamp was geïnterneerd en/of buiten het kamp lichamelijk en/of geestelijk letsel had bekomen. Aanvragen van toenmalige tienjarige slachtoffers werden steevast afgewezen met de mededeling, dat het geweld niet tegen hen was gericht. Velen van hen ondervonden en ondergingen wel degelijk lichamelijk en psychisch geweld. Bij een bombardement waarbij een schuilloopgraaf een voltreffer kreeg en de menselijke lichaamsdelen om de oren vlogen hebben ook kinderen onder de tien jaar (de auteur was erbij) wel degelijk trauma’s opgelopen.
Later werd regeling aangepast. Het toekenningspercentage voor de WUV bedroeg toen bijna 100 %. Ongeveer 50.000 personen ontvangen nu een uitkering.
De WNI-ers werden wel door WUV erkend maar meestal werden de aanvragen voor uitkeringen niet gehonoreerd. Discriminatie?
Voor degenen die toevallig wel een WUV uitkering kregen werden de uitkeringen aangepast aan de Indonesische norm voor levensonderhoud.
Deze mensen waren in beruchte interneringskampen zoals Ambarawa geïnterneerd en zijn nog steeds totaal getraumatiseerd. Ook zij vochten en stierven voor de Nederlandse vlag!

In 1984 werd de WUBO van kracht.
Erkenning is mogelijk als men kan bewijzen, dat men lichamelijk en/of psychisch blijvend invaliderend letsel heeft opgelopen gedurende de periode 1942-1949. Meer dan 60% van de WUBO aanvragen worden afgewezen. Het aantal dat een uitkering wordt toegewezen zijn naar schatting slechts 8.000 á 10.000 personen. Kennelijk bestaat er geen gescheiden administratie van de toegekende uitkeringen van de WUV en WUBO.

Bij aanvragen voor erkenning door deze beide wetten is het nationaliteit- en territorialiteitsbeginsel van kracht. Voor sommige WUV gevallen zijn uitzonderingsbepalingen van toepassing.

De WUBO aanvragers (meestal buitenkampers) hadden het in de periode 1942-1949 even moeilijk als de geïnterneerden. (de Jong en Bagemann). Zij hadden bijna geen voedsel, waren vogelvrij verklaard en ontzien van medische zorg en medicamenten. Zij werden soms zonder aanleiding mishandeld of vermoord.
De WUV en WUBO zijn wederzijdse discriminerende wetten ten aanzien van de aanvraagprocedures, uitzonderingsbepalingen en erkenningpercentages. Daarnaast zijn deze wetten op verschillende datums ingevoerd.
Bij navraag bij PUR kwam aan het licht dat men tenminste 6 maanden in een erkend kamp moet zijn vastgehouden, wil er sprake zijn van een internering.
De Kenpetai was een Japanse Militaire Politie onderzoekinstelling waar o.a. Indische Nederlanders zwaar mishandeld, soms vermoord werden en waar men maanden daartoe verbleef om verhoord te worden. Deze instelling alsmede gevangenissen vielen niet onder de noemer erkende kampen.

Ondanks de verdragen met alle EU landen, waardoor controle op sociale uitkeringen mogelijk is, (de wet BEU) bleef de regering jaren volharden in het territorialiteitsbeginsel voor de erkenning van aanvragen evenals de verstrekte uitkeringen door de WUBO. Sinds 2005 is deze wet versoepeld. Het staatshuishoudboekje zal bij deze latere verandering  van de wet zeker een belangrijke rol hebben gespeeld.
De meeste WUBO aanvragers waren toch al overleden. De weinige overlevenden kunnen daarom een aanvraag indienen die versoepeld wordt behandeld.
De inkomengrens is bepaald op € 1.750,--. Kennelijk is de PUR er alleen op uit, aanvragen voor de VUW en de WUBO te erkennen, zonder verdere tegemoetkomingen te doen.
Voor aanvragers die in Nederland wonen, geldt de inkomensgrens niet. Via een proces heeft het Europese Hof in Straatsburg bepaald, dat deze beperkingen niet mogen worden toegepast. Gelukkig zijn vele belemmeringen voor aanvragen WUBO in 2008 te niet gedaan.

In verband met aanvragen voor de WUV en de WUBO kan informatie worden opgevraagd bij het PUR in Leiden, telefoon nummer: +31.(0)71.535.65.00. e-mail: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken., Internet: http://www.pur.nl tel. nummer CAOR te Heerlen.NL is: +31. (045).579.30.59, Fax: 0(45).579.49.04

De PUR en CAOR die compensatie wetten
beheren zullen hun taken tussen 2009/2011 en 2015 overdragen aan respectievelijk de SVB en het ABP. De minister van Sociale Zaken zal toezicht houden en de verantwoordelijkheid dragen.

Naar aanleiding van gesprekken met aanvragers van de WUV en de WUBO zijn er aandachtspunten die door een gedeelte van de Indische Nederlanders als onrechtvaardig worden beschouwd.

Uit informatie op Internet en publicaties in bladen binnen de Nederlandse Indische gemeenschap blijkt dat de overheid met hun regelingen teveel accent legt op de gevangen genomen Nederlanders gedurende de Tweede Wereldoorlog en de tijd daarna. De overheid gaat voorbij aan het feit dat de buitenkampers het eveneens heel moeilijk hadden. Er vielen onder de zg. buitenkampers zelfs nog meer doden dan onder de geïnterneerden. De buitenkampers waren min of meer vogelvrij verklaard en waren voor zowel de Japanse bezetter als voor de Indonesische extremisten doelwit. ( Dit blijkt uit diverse recente onderzoeken van o.a. de Jong).

Vele WUV/WUBO aanvragers ondervonden toen en nu nog steeds veel tegenwerking als het gaat om erkenning door de compensatiewetten.

Er schijnt zelfs een samenwerkingsverband tussen de PUR en de CAOR te bestaan. Ondanks dat beide diensten andere erkenningcriteria hanteren en verschillende tijdstippen uit de periode 1942-1949 en 1949-1954 beoordelen, worden WUBO aanvragers van de PUR door de CAOR benaderd met het verzoek om hun CAOR aanvragen aan te houden tot de PUR hun WUBO aanvraag heeft beoordeeld. Deze wijze van handelen is mogelijk efficiënt maar het kan nooit de bedoeling zijn geweest van de wetten zijn geweest dat de beoordeling van een aanvraag door beide organisaties gezamenlijk werd gedaan.

Velen Indische Nederlanders vinden dat er geen onderscheid moet worden gemaakt tussen de Indische Nederlanders die in Japanse en Bersiap kampen geïnterneerd waren en de niet geïnterneerde Indische Nederlanders.
Dit verschil komt tot uiting in de wetten voor deze mensen. Deze wetten zijn tegenover elkaar discriminerend toen zij in werking traden . De erkenningeisen, het aantal erkenningen en de uitzonderingsbepalingen verschillen nogal. Bij de WUV werd ongeveer 80% toegewezen en bij de WUBO misschien 10%.
De Nederlandse overheid en de door Japan geïnterneerden hebben, misschien onbewust, aan deze discriminatie meegewerkt. Voor zover bekend zijn de Indische Nederlanders tegen deze discriminatie nooit formeel in beroep gegaan.
De geïnterneerden beroepen zich op onwetendheid,  terwijl de regeringen aan hun financiële budgetten dachten en nog denken.

De opeenvolgende Nederlandse regeringen hebben zich bovendien onvoldoende verdiept de oorlogsperiode en de periode daarna. Gemakshalve hebben de opeenvolgende regeringen een vergelijking gemaakt tussen de oorlog Indië en die in Nederland.
Men vergeet echter dat de Duitsers in Nederland niet iedereen kon interneren. De Nederlanders spraken eenzelfde taal, hadden dezelfde gewoonten en huidskleur.
In Indië was dit totaal anders. Op de circa toen 160.000.000 Indonesiërs waren er maar hooguit 400.000 Nederlanders, die men kon onderscheiden door de taal, de gewoonten, de klederdracht en vaak de huidskleur van de Indonesiërs. Zij woonden bovendien in vergelijking tot de Indonesiërs in relatief kleine groepen, verdeeld over de hele Indonesische archipel (circa 13.500 eilanden) en waren door de samenstelling makkelijk van Indonesiërs te onderscheiden door de Japanners en Indonesiërs en te traceren. In de bovenvermelde perioden waren daarom ook deze niet geïnterneerde
Indische Nederlanders slachtoffers. Zij werden door de Japanners en de naar vrijheid hunkerende Indonesiërs bedreigd, mishandeld, vermoord en beroofd (gerampokt).
In de Japanse en de latere Bersiap periode waren naar schatting meer NIET geïnterneerde Indische Nederlanders gestorven dan degenen die in kampen waren ondergebracht. De niet geïnterneerden waren bovendien min of meer vogelvrij verklaard.

Het is daarom treurig dat de kampers en buiten kampers voor de WUV en WUBO geen gelijke erkenningrechten hebben. Gelukkig is dit verschil door het zogenaamde ”Gebaar” of “Fooi”een klein beetje gelijkgetrokken.
Over het Indische platform (IP) tijdens de regering Lubbers, kan men uit ontevredenheid over hun ontstaan en optreden een boek apart schrijven. Voor hun optreden toen past maar een woord “Schande”.

De problemen waarmee aanvragers bij de WUBO thans nog wel mee te kampen hebben zijn:
Hun aanvraag wordt naar aanleiding van hun eerste sociale rapport, in enkele uren beoordeeld of men aan de basiseisen voldoet en lichamelijk en/of psychisch minder valide is. Bij een negatieve uitslag, wordt de procedure stopgezet en volgt een afwijzing die men wel kan aanvechten, maar de kans van slagen is vooral nu door wettelijke beperkingen (w.o. privacy wetgeving, etc) dan extra moeilijk. In het normale leven doen artsen of psychiaters er vele sessies over om tot een redelijk betrouwbare uitslag omtrent de psychische toestand  van aanvrager te kunnen komen. De PUR artsen hebben hiervoor slechts circa 2 uur nodig.

De aanvragers moeten steeds bewijzen dat zij in kampen hebben gezeten, ernstig zijn mishandeld of andere ernstige calamiteiten hebben meegemaakt, waardoor zij lichamelijk en/of psychisch minder- valide zijn geworden. De gestelde eisen moeten het gevolg zijn van oorlogshandelingen.
Over de oorlog in Indië tegen de naar vrijheid hunkerende Indonesiërs is er een dispuut over het feit of er in die periode wel sprake was van een oorlog. De heer van Kleffens voormalig ambassadeur bij de USA vond de naam “politioneleactie “uit met het oog op onwelgevallige reacties uit het buitenland tegen de oorlog in Indië. Bij deze oorlog waren ruim 100.000 uit Nederland uitgezonden militairen en KNIL militairen betrokken, en resulteerde tot de dood van ruim 6200 Nederlandse militairen en circa 40.000 Indonesische (vrijheid) strijders. Er viel een veelvoud aan burger doden. Onder andere het dorp Rawagedé nabij Batavia werd daarbij volledig vernietigd, de inwoners gefolterd en ongeveer 400 bewoners gedood. Dergelijke acties kwamen in meerdere delen van Indië voor met fatale gevolgen voor eveneens de burgerbevolking.

Zestig jaar na dato en door wettelijke beperkingen is het gevraagde bewijs bijna onmogelijk te leveren. Zelfs onopzettelijk opgeven van een verkeerd tijdstip kan funest zijn.

De Nederlandse overheid heeft tijdens de regering Lubbers de duur van claimmogelijkheid verkort door de tijd voor de claim terug te brengen van tien naar vijf jaar. Het is mogelijk dat deze wetsverandering is gekomen door de handels en betalingsproblemen van zijn familie in de emiraten. Er werd toen zelfs Nederlands ambassadepersoneel ingezet om zaken geregeld te krijgen.
In deze wet zijn geen uitzonderingsbepalingen ingebouwd voor oorlogsslachtoffers.

De overheid en andere ambtelijke diensten hebben van deze ingekorte claim periode wet gebruik gemaakt om alle bescheiden die tot een eventuele claim konden leiden (zoals operatieverslagen, patiëntenstatussen, etc). na vijf jaren weg te schonen om claims te voorkomen. Het oorzakelijke verband (causaliteit) tussen ziekten uit de oorlog en ziekten nu waren meteen niet meer te achterhalen.

Door de invoering van de privacy wetgeving, konden aanvragers geen namen en adressen van eventuele getuigen via bevolkingsregisters traceren, zonder toestemming van de belanghebbenden.

De overeenkomst die de PUR sloot met onderbemande archieven. Hierdoor gingen aanvragen PUR vóór de aanvragen van particulieren. Oudere aanvragers zagen vanwege de lange wachttijden, tot soms een jaar, maar af om een aanvraag in te dienen.

De aanvragen werden getoetst aan onvolledige PUR gegevens en andere incomplete archieven, waaronder rapportages van het Nederlandse Rode Kruis in Nederlands Indië en Nederland, de gegevens van de DMZ in Nederland, en rapportages uit de V.S., Canada en Australië. die betrekking hadden op de periode 1942-1949 daarna.

Bij inwerkingtreden van de eerder genoemde wetten werden voor aanvragers van oorlogcompensatie wetten geen uitzonderingsbepalingen ingebouwd.

Er werd voor Ambonezen die niet aan de eisen voldeden voor een uitkering van het “Gebaar”, een speciale wet gemaakt, waarin werd bepaald hoe men deze mensen moest zien en beoordelen. Angst voor rellen en de gevolgen ervan, zoals die in het verleden voorkwamen waren kennelijk drijfveer.

De overheid en de PUR hebben verzaakt de aanvragers voor erkenning door de WUV en de WUBO goed voor te lichten. Aanvragen vooral voor erkenning door de WUBO werden mede daardoor veel te laat ingediend. De overheid heeft nooit ter zake de mensen persoonlijk voorgelicht.

Er werd te weinig of zelfs geen rekening gehouden met de cultuur die oudere Indische Nederlanders door hun opvoeding in Indië hadden. Deze oudere generatie hebben geleerd nog Nederlandser te moeten zijn dan de gemiddelde Nederlander. Dit moest desnoods ten koste gaan van de eigen cultuur en gewoonten die zij met de paplepel kregen ingegoten. De Indische Nederlanders moesten bescheiden zijn en zich als zodanig opstellen Zij moesten zoveel mogelijk onafhankelijk zijn en alle leed dragen. Dociel gedrag was een deugd.

Na hun pensionering of VUT, kwamen zij in een vacuüm terecht. Alle onderdrukte of verdrongen oorlogstrauma’s kwamen versterkt naar boven.
Nooit is deze groep psychische hulp aangeboden. Veelal kwamen zij als ze tijdens hun beroepsuitoefening last kregen van hun opgelopen oorlogstrauma’s bij psychiaters terecht die ondanks dat ze kenbaar maakten last te hebben van hun oorlogstrauma’s, toch de “hier en nu” behandeling kregen. Veelal werden hun lichamelijke klachten niet in relatie gebracht met hun psychische klachten. Indien de patiënt verzocht aan hun oorlogstrauma’s behandeld te willen worden dan kregen zij de mededeling, dat zij gelet op hun toestand er nog niet aan toe waren een trauma behandeling te ondergaan. De ingezette “hier en nu” behandeling eindigde nooit.
Bedrijfsartsen hadden niet in de gaten dat hun patiënt door een “verkeerd denkende” specialist of psychiater werd behandeld. Uiteindelijk belandde de oorlogstraumapatiënt in de WAO, hetgeen hij of zij eigenlijk helemaal niet wilde en ook niet thuis hoort.

Een recentelijk onderzoek heeft aangetoond dat er een mogelijk verband bestaat tussen de lichamelijke en de psychische klachten uit oorlogsperiode. Door bedrijfspsychiaters wordt over het algemeen de aandacht op psychische klachten gericht, terwijl juist door oorlogstrauma’s de fysieke klachten kunnen toenemen. Het onderzoek is verricht door psychiater Willeke van Zelst. Zij onderzocht de klachten gebaseerd op Longuditunal Aging Study Amsterdam (LASA).
Zij onderzocht de gevolgen van trauma’s van ouderen die nu het verleden herbeleven, het wegdrukken van symptomen en een overmatige prikkel actie die het leven moeilijker maakt of veel lijden veroorzaakt.
De conclusie van het onderzoek was dat als de diagnosis Post Traumatische Stress Symptonen (*PTSS) was het gemiddelde aantal oudere zieken veel hoger was dan bij ouderen die niet aan PTSS leden.
De aan PTSS lijdende ouderen bezoeken twee maal zoveel de specialist, maar niet de psychiater. Deze ouderen zitten dan bij de verkeerde specialist.
Dit zijn nieuwe feiten.
Indien de aanvrager of de patiënt nog steeds vele andere lichamelijke en psychische klachten heeft gerelateerd aan het oorlogsverleden, dan is het goed om van te voren door een deskundige vast te laten stellen of er bij aanvrager of patiënt sprake is van een PTSS als gevolg van een oorlogsverleden.

Het komt ook vaak voor dat mensen met een kampverleden last hebben van hun ogen. Deze problemen zijn begonnen gedurende de kamptijd. Vaak hebben deze patiënten door omstandigheden nooit de juiste doktersbehandelingen gehad en pas veel later kwam de persoon tot de conclusie dat hij of zij bijna niets meer kon zien.
In de oorlogsperiode was er een enorm te kort aan bepaalde voedingstoffen. De bekende “kampogen” wordt toegeschreven aan een ernstig tekort aan panthoteenzuur in het voedsel. Het gedeeltelijk wegvallen van het gezichtveld wordt veroorzaakt door een degeneratie van de centrale oogzenuw, dat wordt veroorzaakt door een tekort aan panthoteenzuur. (Bron: Aulaboekje 123, geschreven door prof. Dr. C. den Hartog).

Ook speelt bij beoordeling van een aanvraag tot erkenning tot welke generatie de aanvrager behoort. Door gebrek aan duidelijkheid hierover wordt de in behandeling nemen van de aanvraag bemoeilijkt of vertraagd.
Uit de demografie van Indische Nederlanders tussen 1930 en 2001, blijkt dat tot de eerste generatie van genoemde groepen behoren:
- Degenen die een deel van hun leven aan de koloniale cultuur van het voormalige Nederlands Indië hebben blootgestaan en deze cultuur door migratie hebben meegebracht.
-Personen die tijdens de Tweede Wereldoorlog in Indië verbleven en Nederlands staatsburgerschap hadden.

Het CBS hanteert deze onderzoekresultaten. De onderzoekers waren: G.Beets, E. van Imhoff en C. Huisman.

Uit onderzoek in de V.S. blijkt ook dat zeer jonge kinderen de stress en trauma’s die hun ouders hebben door hun wordt aangevoeld, waardoor zij later eveneens getraumatiseerd raken. Deze kinderen hebben hun ouders vaak zien worstelen met de ellende die zij in oorlogstijd hebben meegemaakt en waar zij niets aan konden doen. De kinderen werden door de ouders onderworpen aan de discipline die hun ouders in oorlogstijd hardhandig was bijgebracht. De ouders hoopten op die manier hun kinderen voor problemen in de toekomst te beschermen.
De trauma’s bij deze zeer jonge kinderen uitten zich vaak door huilerigheid, overmatig zweten, veelvuldig bedplassen en het geregeld krijgen van stuipjes. In de periode kort na de oorlog werden deze kinderen, vermoedelijk wegens onbekendheid met dit fenomeen, veelvuldig behandeld met rustgevende of slaapverwekkende medicijnen.
Het mogelijke gevolg daarvan was dat zij leerproblemen kregen en in hun werk onvoldoende tempo konden ontwikkelen waardoor zij meestal, als ze al naar hun werk kwamen, ontslagen werden.

Het komt voor dat door gemoedstoestand van de aanvrager een keuringsarts een verkeerde analyse maakt. De ex geïnterneerde aanvragers ondergaan een dergelijke keuring voor het opmaken van een rapport door de stichting Pelita als een ondervraging. Uit zelfverdediging heeft aanvrager vaak een vorm van zwijgcultuur ontwikkeld met het doel zo snel mogelijk van het onderzoek af te komen. De gebeurtenissen komen dan onvolledig aan het licht waardoor het oordeel van de onderzoekende PUR arts of de PUR commissie voor aanvrager negatief uitvalt.

Omdat de PUR onderzoekingsarts of de PUR rapporteur maar een korte tijd ter beschikking heeft (ca. 2 uur) is een degelijk onderzoek en introductie met de aanvrager niet mogelijk is. De aanvrager wordt hierdoor niet op zijn gemak gesteld en wordt zelfs wantrouwig. Het oordeel van de PUR arts is bijna altijd bindend. Indien er wel een contra expertise kan worden uitgevoerd, dan is dat meestal door een andere PUR arts. Dit is voor het vertrouwen in de uitslag niet bevorderlijk. In het twee uur durende onderzoek wordt vaak het lot van aanvrager voor altijd bepaald, waardoor een heraanvraag een lijdensweg wordt.

Vaak kunnen aanvragers door hun emotionele en psychische toestand niet persoonlijk voor ondervraging door het PUR college verschijnen. Ook dit heeft invloed op het resultaat. Aanvragers zouden vooraf moeten geworden geïnformeerd wat de aanvraagprocedure inhoud en wat er van hun verwacht wordt. De aanvragers zijn psychische patiënten die in de oorlogstijd het nodige hebben meegemaakt.
Voor de aanvragers voor erkenning door WUV, WUBO, CAOR, etc. is een erkenning vaak belangrijker dan de financiële tegemoetkoming die er eventueel aan vast zit. Door een dergelijke erkenning kan men eindelijk de pijn die men in de oorlog opliep en jaren met zich heeft meegedragen, proberen een plaats te geven. Een dergelijke erkenning kan veel oud leed verzachten. De aanvrager kan dan eindelijk beginnen de opgelopen trauma’s te verwerken.
Het bovenvermelde is slechts een deel van problemen die door de aanvragers als obstakels worden gezien.

Het is aan te bevelen dat Indische verenigingen de bovenvermelde problemen aan de voorzitter van de Tweede kamer en aan de fractievoorzitters van de diverse partijen voorleggen. Mogelijk kan dan, hoewel ter elfder ure, de erkenningregels van de WUV en WUBO via een nieuwe wetgeving veranderd kunnen worden.

Het zou gunstig zijn als de Indische Nederlanders en zij die er belang bij hebben, lid worden van een bestaande of op te richten vereniging die hun belangen op gebied van aanvragen van de WUV en de WUBO behartigd en begeleid. Als iedereen bereid is om bijvoorbeeld €10.- per maand te betalen dan kunnen verschillende belemmeringen voor aanvragen van eerder genoemde oorlog compensatiewetten, zonodig worden gepresenteerd aan het Europese Parlement in Straatsburg, en indien noodzakelijk worden aangevochten bij het Europese Hof in Luxemburg of Straartsburg. Immers door vertragingstactieken en eindeloze procedures hoopt de Nederlandse overheid late aanvragen niet te erkennen. Aanvragers hebben vanwege hun cultuur zo min mogelijk van sociale wetten gebruik willen maken en hebben ondanks de door hun in de oorlog opgelopen trauma’s keihard doorgewerkt. Als straf hiervoor werden hun latere aanvragen voor erkenning door de WUV en de WUBO bemoeilijkt en heel vaak zelfs afgewezen. In Nederland wordt kennelijk alleen asociaal gedrag beloond.

Naast de Nederlandse grondwet, kunnen internationale verdragen die door Nederland zijn ondertekend worden gebruikt voor een eventueel proces, zoals:     
· De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM);
· Het Internationale Pact betreffende Burger en Politieke Rechten (IPBPR);
· De Europese Conventie voor Bescherming van Mensenrechten en Openbare Vrijheden(ECBMOV),
· Het Handvest van Fundamentele Rechten van de Europese Unie(HFREU), etc.

DE ONTHULLING VAN HET INDISCH MONUMENT, HET RAUW EI INCIDENT EN HET ONTSTAAN VAN HET INDISCH PLATFORM.

In 1988 vond de onthulling van het Indisch Monument plaats in Den Haag.
Op15 augustus 1991 vond het rauwei incident tegen minister president Ruud Lubbers plaats.
Waarschijnlijk uit angst, dat net als bij de Ambonezen, Indische organisaties actie zouden voeren besloot Lubbers een organisatie van Indische Nederlanders op te richten, die met hem of de regering overleg konden plegen. Dit is het eerder vermelde Indisch Platform. Eens per maand vond er overleg plaatst.
De opdracht van het IP veranderde buiten weten van het grootste deel van de Nederlandse Indische Gemeenschap in een adviesorgaan en later in een onderhandelingsorgaan met de regering i.v.m. het gebaar.
De resultaten zijn zoals bekend, bedroevend! Men schatte het aantal claims op 100.000

Volgens het CBS waren het ongeveer 145.000. Men vergat gemakshalve de groep van circa 6.000 Indische Nederlanders die veelal gedwongen WNI-ers werden. Bovendien vergat men dat rond 1885 er een grote groep gegoede Chinezen, Arabieren en Indonesiërs Nederlander konden worden, wat zij deden.
Het aantal wordt geschat op enige tienduizenden. Ook zij streden en velen onder hen stierven voor de rood- wit- blauwe vlag!

Men probeert vervolgens dit gat juridisch dicht te spijkeren. Als dit lukt, vallen ongeveer 200.000 claims buiten de boot anders zou dit voor de overheid onbetaalbaar worden. Dit noemt men politiek. Door wetten rechtmaken wat krom is en vervolgens zich aan de morele verantwoordelijkheid en plichten te onttrekken.

De Nederlandse overheid zou geloofwaardiger overkomen als zij de WNI-ers tegemoet kwam met een geldbedrag van enige honderden euro’s per gezin, zodat zij daarmee een eventuele nieuwe start kunnen maken.
In “Halin ’s Nieuwsbrief” 2004/2005” van 15 januari 2005 stond het heugelijke bericht, dat na diverse processen door “Halin” in Nederland verloren te hebben, het bestuur van het “Gebaar” er toch van overtuigt is dat een substantieel bedrag uit het budget van het “Gebaar” van circa 16 miljoen, te weten 800.000 euro gefaseerd via “Halin” ten goede moet komen van de WNI-ers. Dit bedrag kan door deze mensen worden gebruikt voor noodsteun en het vergoeden van medische kosten. (Andres) De vele e-mails van Indonesische Nederlanders uit de hele wereld hebben mede ertoe geleid dat het bestuur van het “Gebaar” tot dit besluit is gekomen. Over de uiteindelijke hoogte van het uit te keren bedrag van het Gebaar werden de protesten tijdens debatten in de tweede kamer genegeerd.

De WUV en de WUBO zullen tot circa 2011 in de huidige vorm blijven bestaan. Daarna zullen mogelijk al deze wetten, voor hen die dan nog in leven zijn, onder een andere noemer worden geplaatst. Voorbereidingen hiertoe zijn bij VWS in volle gang.

Wat deed de Nederlandse overheid met Indisch geld?

Het onderzoek van het Nederlandse Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) in opdracht van de minister van VWS is al afgerond. Dit heeft geleid tot de volgende rapporten;
Indië, Nederland en de “back pay”-kwestie 2005, Dr. H. H. Meijer;
Oorlogschade, roof en rechtsherstel in Indonesië, 1942-1957 (mei 2006), Dr .P. Keppy.

Aan de hand van vooral het laatste rapport, wordt in deze notitie ingegaan op bovengenoemde kernvraag “Zit de Nederlandse Staat op Indisch geld”. De referenties in deze notitie zijn naar bladzijden uit het rapport. In deze notitie wordt tevens gebruik gemaakt van de volgende documenten:

*Verslag van “Commissie Achterstallige Betalingen-december 1952. Ingesteld door de Staatssecretaris voor Uniezaken en Overzeese Rechtsdelen, Ministerie van Buitenlandse Zaken;
*Proefschrift “De Japanse bezetting en haar volkenrechtelijke zijde”, 1954, Rijksuniversiteit te Leiden van Mr. A. A. Zorab;
*Haalbaarheidsonderzoek Indische Tegoeden”, augustus 2000.
In deze notitie wordt verder alleen ingegaan op verloren gegaan bezit en dus niet op de achterstallige in salarissen en opgebouwde pensioenen.

Zoals blijkt uit het proefschrift van Mr. A. A. Zorab en het NIOD rapport. Oorlogsschade, roof en rechtsherstel”, werden de eigendommen van geïnterneerde Nederlanders, waaronder onroerend goed, huisraad, vervoermiddelen, inhoud van bankkluisjes, (kasgeld, sieraden en diamanten) en banktegoeden, tijdens de oorlog systematisch door het de Japanners verbeurd verklaard, onteigend en ook wel verscheept naar Japan.
De eigendommen van niet geïnterneerde Nederlanders, waaronder landerijen, inhoud van bankkluisjes en banktegoeden, werden systematisch door het de Japanners geblokkeerd en onteigend. Landerijen en de inhoud van bankkluisjes werden later bovendien eveneens in georganiseerd verband geroofd door Indonesiërs. Ook werd bezit van vele Nederlanders onherstelbaar beschadigd door de oorlogshandelingen.
Van rechtsherstel gedurende de eerste jaren na de oorlog is vrijwel niets terechtgekomen. Vanaf de capitulatie van Japan in 1945 tot 1949 was de situatie tijdens de Bersiap periode (1946-1947) en de Indonesische revolutie (1948-1949) buitengewoon chaotisch. Ook was het in ontwikkeling zijnde systeem voor rechtsherstel  complex en er was te weinig mankracht voor de uitvoering. Zelfs al hadden eisers eigendomsbescheiden weer aangetroffen van onroerende en roerende goederen die door anderen in beslag waren genomen, dan hadden zij bij de herstelrechter alsnog moeten aantonen dat deze goederen tijdens de oorlogen tegen de wil van de eigenaar waren onttrokken. Velen, zo niet de meeste oorlogsslachtoffers, hadden hun eigendomsbewijzen, in ieder geval zo wie zo verloren. De rechthebbenden van de aangetroffen onbeheerde zaken waren vaak niet vindbaar of vertrokken naar Nederland of andere landen. Zeer veel van de geroofde eigendommen zijn kwijtgeraakt en niet terug te vinden door de instanties.
De commissie achterstallige betalingen constateerde in 1952 over de omvang van de schade op blz. 14: “toen de vijand overging tot het onderbrengen van vrouwen en kinderen in wijken en kampen was het stadium van de praktische volledige onteigening van Nederlandse bevolkingsgroep volledig bereikt”.
En op blz. 64: “De commissie stelt zich op het standpunt dat ieder oorlogsslachtoffer wat huisraad betreft staat voor een total loss”. Dit is inderdaad juist voor minstens 95% van de gevallen. Over de omvang van het rechtherstel constateert de commissie op blz. 14: “Afgezien van incidentele gevallen, waarin betrokkene, wier huizen door Japanners waren gevorderd, na de bevrijding hun bezittingen geheel of goeddeels hadden teruggekregen, kan worden gesteld dat de Nederlandse gemeenschap in Indonesië als geheel ten gevolge van de bezetting van alles was beroofd.”

Ook Nederlandse bedrijven hebben tijdens de oorlog bezit verloren, zij het naar verhouding aanmerkelijk minder dan individuele Nederlanders. De huidige waarde van Nederlandse beleggingen van bedrijven die in Nederlands Indië waren gevestigd was meer dan 15 miljard euro. Sommige fabrieken en installaties werden door de oorlog beschadigd. Producten van ondernemingen zoals rubber en olie, werden ten behoeve van de oorlogsinspanning verscheept naar Japan en de verkoopopbrengst van gedolven edelmetalen en diamanten werd gebruikt om de oorlogsinspanningen van Japan te financieren. Anders dan bij individuele oorlogsslachtoffers het geval was, zijn eigendomsbewijzen van bedrijven niet verloren gegaan. Omdat zij bovendien over veel juridische expertische en financiële middelen beschikten, zijn vorderingen voor rechtsherstel, vooral die van grote ondernemingen, in vele gevallen wel gehonoreerd. In deze notitie wordt daar verder niet op ingegaan.

De schade aan bezittinge(zoals huizen en huisraad) door bombardementen en brand tijdens de oorlog is nooit vergoed of gecompenseerd. Ook niet van de weinige Nederlanders die nog eigendomsbewijzen van hun voormalig bezit hadden. Geallieerde landen met destijds koloniën in Azië, zoals de V.S. in de Filippijnen, Groot Brittanie in Brits Oost Borneo en Malakka en Frankrijk in Indo China, vergoedden wel de oorlogsschade in Azië tot soms bedragen van circa 40.000 USA dollars.

Zoals blijkt uit het NIOD rapport onder het citaat “Oorlogschade roof en herstel” is het optreden van de Nederlandse regering en de Tweede Kamer altijd doorslaggevend geweest voor schadevergoeding en rechtsherstel van de Nederlandse Indische gemeenschap. De belangen van de Nederlandse oorlogsslachtoffers waren daarbij volledig ondergeschikt aan de nationale Nederlandse belangen.

Zoals uit de onderstaande dertien voorbeelden blijkt, heeft de Nederlandse Staat financieel voordeel gehad door het optreden van de Nederlandse regering. Dat optreden was soms onrechtmatig (niet wettelijk), vaak dubieus en onzorgvuldig en nooit billijk (rechtvaardig en redelijk) voor de Nederlandse oorlogsslachtoffers in Indië.

1.Onrechtmatige verscheping van een partij zilver naar Nederland en onrechtmatige vergoeding aan Nederland van het verlies van een Indisch hospitaalschip.

Over een partij zilver het volgende citaat uit “Oorlogsschade, roof en rechtsherstel” blz. 223.
De restitutie aan Indonesië van de opgeviste partij zilver uit de baai van Tokio. Die waarschijnlijk afkomstig was uit de oorlogskluis van de “Javasche Bank” liep overigens spaak. De Nederlandse Militaire Missie (NMM) verscheepte dit zilver op 3 september 1949 vanuit Yokokama naar Rotterdam. Het zilver bleef in Nederland. Het Nederlandse Ministerie van Financiën muntte in 1951een deel van de baren zilver tot Duitse marken. Op blz. 199 staat vermeld: ”dat het ging om 187 ton zilver, met destijds een waarde van 17 miljoen gulden. (huidige waarde 200 miljoen euro).

En over vergoeding en verlies van het hospitaalschip het volgende citaat uit blz.229: “In 1978 betaalde Japan aan Nederland ongeveer één miljoen gulden voor het verlies van het hospitaalschip “Op ten Noord”. Zoals bekend is, kende de Nederlandse regering dit bedrag niet toe aan Indonesië, zoals bij eerdere restitutie zaken het geval was geweest.
Deze zaken waren onrechtmatig volgens de toenmalige wetgeving, omdat de opbrengst van het zilver en van het hospitaalschip, noch aan de Indische gemeenschap, noch aan Indonesië ten goede kwam, maar wel aan de Nederlandse Staat. Hier zit de Nederlandse Staat duidelijk op Indisch geld. Overigens is dit slechts een greep uit mogelijk (niet meer te achterhalen) vele soortgelijke zaken waarbij de Nederlandse Staat op onrechtmatige wijze op Indisch geld zit.

2.Onduidelijkheid over de financiële bestemming van de goudvoorraad en de financiële reserves van het Indische gouvernement.

Hierover het volgende citaat uit Indië, Nederland en de pay back kwestie 1945- 2005”.blz.36.
Toen de oorlogsdreiging te groot werd, was de goudvoorraad bij de “Javasche Bank” monetair en particulier bezit ter grote van 380 miljoen gulden, tijdig in veiligheid gebracht in Australië en Zuid Afrika. Hetzelfde is het geval geweest met de 1214 miljoen gulden waarover de Indische schatkist beschikte in 1942. Daarvan was in september 1945 nog 1069 miljoen over.(Dit was dus 1214-1069= 145 miljoen gulden verminderd. En bij een factor voor de verandering in koopkracht van 1: 20 voor guldens en 1: 10 in euro’s, komt de huidige waarde op circa 1,5 miljard euro’s. Onduidelijk is wat daarvan de bestemming was. De particulieren die na de oorlog bij de “Javasche bank” in bewaring gegeven goud opeisten, kregen daarvoor slechts waardeloos papiergeld terug.
De Nederlandse regering beschikte dus over tegoeden, die na de oorlog niet, of althans niet volgens vooroorlogse waarde, zijn geregistreerd. De Australische regering en banken, waaronder de “Commonwealth Bank” en de “Bank of New South Wales” waren van mening dat de Nederlandse regering niet gerechtigd was om te beschikken over particuliere tegoeden.

3.De financiering van de V.S. bezettingskosten van Japan en de opbouw van de Japanse economie uit opbrengst van door Japan geroofde diamanten en edelstenen van de Indische gemeenschap.

Hierover het volgende citaat uit:”Oorlogsschade, roof en rechtsherstel”, blz.216: “In maart 1949 claimde de Nederlandse regering alle in Japan aanwezige uit Indonesië afkomstige diamanten en edelstenen. De Nederlandse aanspraak op de edelstenen was onder andere voortgekomen uit de claim van de Nederlandse Banken in Indonesië die enige honderden kluishouders vertegenwoordigden.” En op Blz. 238: “Edelmetalen en edelstenen waren nodig om de USA bezettingskosten van Japan af te dekken en voor wederopbouw van de Japanse economie. In samenspraak met de SCAP koos de Nederlandse regering ervoor om geroofde goederen, uit Indisch bezit, waarvan de eigenaren niet bekend waren te verkopen aan Japan. De SCAP bracht de opbrengsten in mindering op de schuld van Nederlands Indië bij de USA bezetter”.

Direct voor de oorlog woonden er meer dan 300.000 Nederlanders in Nederlands Indië, waarvan 142.000 werden geïnterneerd. Als” veilige” belegging werden behalve geld, ook goud en diamanten aangehouden in de kluisjes van banken en in bewaring gegeven. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden de inhoud van alle bankkuizen, systematisch verbeurd verklaard, gevorderd of geroofd door de Japanners. In 1951 werd de totale waarde van de inhoud van de bankkluizen door de “Commissie Achterstallige Betalingen geschat op ongeveer dezelfde waarde als die van de totale huisraad van de Nederlanders die meer dan 95% van de huishoudens verloren ging.

Het totale aantal kluishouders bij banken was dan ook vele malen hoger dan de enkele honderden die in het aangehaalde citaat over de claims van de Nederlandse regering genoemd werden. Er waren immers maar zeer weinigen die als rechtmatige eigenaren nog eigendomsbewijzen konden overleggen.

Het optreden van de Nederlandse regering was dubieus. Immers afgezien van restitutie aan enkele honderden kluisjeshouders, die omdat ze werden geïnterneerd, nog eigendomsbewijzen hadden, is de opbrengst van de totale claim gebruikt voor de financiering van Amerikaanse bezettingskosten van Japan en de opbouw van de Japanse economie.

4.Aflossing van de schuld aan Japan uit verkopen van Indisch bezit.

Hierover het volgende citaat uit “Oorlogschade, roof en rechtsherstel”, blz. 222, 223:
In december 1949 was de opbrengst uit restitutie verkopen in Japan (van in Indië geroofde goederen) opgelopen tot 60 miljoen gulden. Een deel, 47 miljoen gulden, (huidige waarde 500 miljoen euro) is gebruikt om de schuld van Nederlands Indië aan Japan te dekken, het overige deel, zijnde 13 miljoen gulden (huidige waarde circa 130 miljoen euro is na de soevereiniteitsoverdracht aan de Republiek Indonesia, vervallen.
Het optreden van de Nederlandse regering was ook in dit geval dubieus en niet billijk ten opzichte van de Nederlandse oorlogsslachtoffers. Immers de Nederlandse regering besliste over de toewijzing van opbrengsten van door Japan beroofde goederen, die in dit geval voor een deel werd gebruikt om openstaande schulden aan Japan af te lossen. Overigens is het de vraag, waarom Nederlands Indië schuld aan Japan afloste, gelet op de enorme schade die Japan in Nederlands Indië had aangericht.
5. Het ontzien van de Nederlandse schatkist ten koste van de Indische gemeenschap.
Hierover het volgende citaat uit ”Oorlogsschade, roof en rechtsherstel”, blz. 222:
Lieftinck, de Nederlandse minister van Financiën, verbond aan de restitutie verkopen de voorwaarde dat iedere afzonderlijke verkoop aan hem zou worden voorgelegd om te kunnen nagaan aan welke deviezen vermogen, van Nederland of Indonesië, de opbrengst zou moeten worden toegewezen. Het kwam erop neer dat Lieftinck de opbrengst uit restitutieverkopen aan Indonesië toewees, zodat de kolonie haar schulden aan Japan kon aflossen. Met deze financiele constructie ontzag Lieftinck de Nederlandse schatkist en hiermede het Nederlandse deviezenvermogen.
De Nederlandse regering trad dus rechtstreeks op met betrekking tot de opbrengsten uit verkoop van Indisch bezit. Het ging daarbij vooral om, dat de Nederlandse schatkist werd ontzien, wat ten koste ging van de Indische gemeenschap.
6. De weigering van vergoeding van materiele oorlogsschade.
Hierover het volgende uit citaat ”Oorlogsschade, roof en rechtsherstel, “blz.4”:
“De Nederlandse Indische Bond van ex geïnterneerde Krijgsgevangenen (NIBEG) diende eind juni 1949 bij de Nederlandse regering het verzoek om in het ontwerp van de Nederlandse “Wet materiele oorlogsschade” de schade in Indonesië op te nemen. Nederlanders die tijdens de oorlog in Indonesië verbleven, dienden ook onder de wet te vallen. In oktober 1949 kreeg het NIBEG antwoord van Minister Lieftinck. Hij wees het verzoek af, omdat de voor Nederland geldende wet op de “Materiele oorlogsschade” een aanslag was op de financiële draagkracht van Nederland en het bijkomende Indische probleem onoverzienbare gevolgen zou kunnen hebben.
De vraag is of deze afwijzing wel billijk was voor de oorloggetroffenen in Nederlands Indië. Nederland had aan Japan de oorlog verklaard, waardoor vele huizen en inboedels, mede door Japanse bombardementen, werden vernield. Het financiële argument was ook niet sterk. De Nederlandse economie had destijds profijt gehad van Nederlands Indië. Indonesië betaalde in de jaren 1950 tot 1957, twee miljard gulden aan Nederland in verband met schuldvereffeningen. Bovendien ontving Nederland voor de opbouw van haar economie na de oorlog, anders dan Nederlands Indië, 1,1 miljard gulden in het kader van het “Marshall plan”. Nederlanders, die tijdens de oorlog in Nederland verbleven en daarbij schade ondervonden aan hun onroerend goed en hun huisraad (648.000 oorlogsslachtoffers), kregen in totaal als  vergoeding voor materiele oorlogsschade 6,3 miljard gulden (blz.102 en 105 van het rapport “Nederland en de Pay Back kwestie (1945-2005). Dat was veel meer dan de totale hulp van het ”Marshall plan”. Nederlanders die tijdens de oorlog in Nederlands Indië verbleven hebben nooit enige vergoeding gekregen voor de aangerichte oorlogsschade, wat als zeer onbillijk is ervaren.
7. De schenking aan Indonesië van de Japanse vergoeding voor Indische huisraadschade.
Over deze schenking het volgende citaat uit “Inventarisatie haarbaarheidsonderzoek Indische tegoeden” van augustus 2000, blz. 19:
In 1948 was de totale claim op Japan voor huisraadschade in Nederlands Indië een bedrag van 567 miljoen gulden (huidige waarde circa 5 miljard euro). Daarvan werd 12,5 % of wel 71 miljoen gulden (huidige waarde 700 miljoen Euro) door Japan gehonoreerd en door de Nederlandse regering aan Indonesië geschonken.
Het geringe bedrag dat Japan betaalde voor de claim voor de totale huisraadschade was teleurstellend. Dat bovendien dit bedrag aan Indonesië werd overgedragen werd door de Indische gemeenschap als zeer onrechtvaardig ervaren, mede omdat men er niet gerust op was, dat Indonesië hun rechten (zoals vergoeding van hun door Japan geroofd bezit) na de soevereiniteitsoverdracht zou respecteren.
8. Toewijzing van het door Japan geroofd Indisch bezit aan Indonesië.

Over deze toewijzing het volgende citaat uit “Oorlog, roof en rechtherstel”, blz. 224:
Nederlandse Tweede kamerleden stelden de regering in april 1952 vragen over de bestemming van het aan Nederland bestemde deel uit het “Secure Fund” (een fonds van het door de USA en Engeland beheerde gelden), dat afkomstig was uit de opbrengsten van geroofde goederen, die in Japan werden aangetroffen.
Voorgesteld werd om dit bedrag te reserveren als gedeeltelijke vergoeding voor de Nederlanders tijdens de Japanse bezetting geleden schades. De Minister wees dit af en wenste niet af te wijken van het eerder gevolgde restitutiebeleid, waarbij Nederland alle geroofde artikelen aan Indonesië toewees.
En op blz. 225: “Het Nederlandse aandeel, uit het verkopen van geroofde diamanten, “die in Japan werden aangetroffen”, bijna 16,5 miljoen US dollar, huidige waarde circa 150 miljoen euro, ging dan ook net als voorgaande restituties naar Indonesië.
Ook deze toewijzing was dubieus en niet billijk voor de Nederlandse oorlogsslachtoffers uit Indië. Kennelijk waren er ook Tweede Kamerleden, die het niet eens waren met het optreden van Nederlandse regering. De rechtszekerheid was wederom in het geding. Het was volstrekt onduidelijk of Indonesië met deze gelden uit Indisch bezit, Nederlandse oorlogsslachtoffers en de belanghebbenden, op enige manier ook een vergoeding zou geven.

9. Ten gevolge van de Nederlandse politionele acties was er geen geld beschikbaar voor compensatie van oorlogsschade en het verlies van bezit.

Door de politionele acties van de Nederlandse regering waarbij van 1947 tot 1949 telkens meer dan 100.000 militairen werden ingezet, was de schuld van Nederlands Indië met 2 miljard gulden toegenomen. In 1949, na de politionele acties, was de totale schuld 6,5 miljard gulden. Daarom kon Nederlands Indië geen adequate vergoeding geven voor de oorlogsschade en verlies van bezit.

Uit het rapport van de Commissie achterstallige betalingen van 4 december 1951 blijkt het volgende: Met de rehabiliteitsregering gaf het gouvernement van Nederlands Indië in de periode 1946-1949, in twee transacties (Initieel het slot), een compensatie aan overheidspersoneel dat tijdens de oorlog was geïnterneerd. Omdat de uitvoering zeer traag verliep, was er bij de soevereiniteitsoverdracht naar Indonesië nog een verplichting aan Nederlandse ambtenaren, dat in Indonesië slechts voor een derde werd gehonoreerd. Daardoor kregen de ambtenaren veel minder dan met de Rehabiliteitsregering was vastgesteld. Het overheidspersoneel; ontving in totaal per gezin slechts een compensatie van vijf en een halve maand salaris voor het verlies van huisraad en voor de gedurende 40 maanden, gederfde inkomsten samen. Het totale bedrag was ongeveer 57 miljoen gulden (huidige waarde ongeveer 250 miljoen euro), dat kwam overeen met 2,8% van de 2 miljard gulden die Nederlands Indië aan rehabilitatie betaalde. Anders dan voor overheidspersoneel geldt, verliep de uitvoering aan particuliere compensaties wel snel. Uiteindelijk ontvingen werknemers van particuliere bedrijven die het konden betalen per gezin een compensatie van gemiddeld 8 maanden salaris voor het verlies van huisraad en 40 maanden gederfde inkomsten samen. Het totale bedrag was ongeveer 40 miljoen gulden. De huidige waarde is ongeveer
200 miljoen euro.

10. De onmogelijkheid om bij de Indonesische regering rechtsherstel en schadevergoeding te bedingen.

Bij de soevereiniteitsoverdracht in 1949 werden alle rechten en verplichtingen, onder andere met betrekking tot de Nederlandse oorlogsslachtoffers, overgedragen aan Indonesië. Daarmee werd de Indonesische staat verantwoordelijk voor de wettelijke rechten van Nederlandse staatburgers die voor Indonesië buitenlanders waren.

Hierover het volgende citaat uit “Oorlogsschade, roof en rechtsherstel” blz. 194:
De voortzetting van het rechtherstel in het onafhankelijke Indonesia was voor de soevereiniteitsoverdracht niet voorbereid. De Ronde tafel conferentie ging alleen over grote beleidslijnen en grote financieel economische problemen. Het rechtsherstel had voor geen deelnemende delegaties prioriteit. Over de vergoeding van oorlogsschade het volgende citaat op blz.234: “Omdat de vergoeding van oorlogsschade niet wettelijk was geregeld, betekende dit dat de afwijzing van vergoeding zonder verdere beperking door rechtsopvolger Indonesia kon worden overgenomen.”

Bij de ronde tafel conferentie als voorbereiding voor de soevereiniteitsoverdracht hield de delegatie van de Nederlandse regering geen rekening met de belangen van de Nederlandse oorlog- en Bersiap periode slachtoffers. Met de overdracht aan Indonesië werd de mogelijkheid tot rechtsherstel niet geregeld en werd het bestaande beleid om geen schadevergoeding toe te kennen voor de oorlogsschade voortgezet. Vertegenwoordigers van oorlogsslachtoffers werden niet betrokken of geraadpleegd. Het optreden van de Nederlandse regering en van de Tweede Kamer was dubieus. De delegatieleden werden vooraf niet geïnstrueerd, en ook werd niet ingegrepen of gecorrigeerd. Gelet op de voorgeschiedenis had men kunnen weten, dat Indonesië eventuele rechten van Nederlanders naderhand hoogstwaarschijnlijk niet zou respecteren.

Na de soevereiniteitsoverdracht konden Indische Nederlanders op geen of zeer weinig begrip rekenen voor de door hun ingediende vorderingen.  Indonesië was tijden de oorlog en tijdens de politionele acties een beschadigd land. Ook beschouwden vele Indonesiërs Nederland als een koloniale bezetter die zeer lang heeft geprofiteerd van Indonesische natuurlijke rijkdommen. Indonesië heeft dan ook zelden (alleen als er zeer veel bewijsmateriaal voorhanden was) aanspraken van Nederlandse oorlogsslachtoffers gehonoreerd. De restitutiegelden, die Indonesië van Nederland ontving voor tijdens de oorlog door Japan geroofd Indische Nederlanders bezit, zijn nooit ten goede gekomen aan de Nederlandse oorlogsslachtoffers.

Met de overdracht van verplichtingen aan Indonesië werd de Nederlandse regering gevrijwaard voor aanspraken van Nederlandse oorlogsslachtoffers. Zoals salarisachterstanden, aanspraak op Japans restitutiegeld en voor de compensatie van niet gehonoreerde restitutieclaims. Dit was een financieel voordeel voor van Nederlandse staat, maar ging het ten koste van de Nederlandse oorlogsslachtoffers.

11. De achterstelling van Nederlandse oorlogsslachtoffers ten opzichte van aandeelhouders van Nederlandse bedrijven en de Nederlandse belastingdienst.

Hierover het volgende citaat uit “de Groene Amsterdammer” van 5 januari 2000:
Op de RTC werd voor Nederland de status van meest bevoorrechte handelspartner van Indonesië bedongen. Het hield in dat revenuen uit de circa drie miljard gulden (huidige waarde 30 miljard euro) voor de Nederlandse particulieren beleggers behouden bleven en dat ze tegen een aantrekkelijke koers naar Nederland konden worden overgemaakt. Deze afspraken werden neergelegd in een financiële economische regeling: De “Finec”.
Hoewel de rechten van individuele oorlogsslachtoffers bij de RTC geen onderwerp uitmaakte van het verdrag, was dat wel het geval voor de Nederlandse bedrijven. In Nederland konden de aandeelhouders van bedrijven als “Koninklijke Olie”,”Billiton”, banken en landbouwondernemingen tot 1956, toen Indonesië het verdrag opzegde, gemaakte winsten overmaken naar Nederland. Ook de Nederlandse belastingdienst had hier voordeel aan.

12. Het definitief onmogelijk maken om bij Japan rechtsherstel te bedingen.

Hierover het volgende uit citaat “Oorlogsschade, roof en rechtsherstel”, blz.218:
“Het vredesverdrag te San Francisco” van geallieerde landen met Japan in 1951, maakte aanspraken op onder andere restitutie van uit de bankkluizen geconfiskeerde bezittingen of vorderingen op voormalig Japanse bankfilialen definitief onmogelijk. Restitutie claims van goederen in Japan, die in Nederlands Indië werd geroofd werden niet meer in behandeling genomen”.
Dit was zeer nadelig voor de Nederlandse Indische gemeenschap. Zelfs met aantoonbare eigendomsbewijzen, was het vanaf 1951 definitief onmogelijk geworden om een vergoeding te krijgen voor door Japan verbeurd verklaard of geroofd bezit. Hoewel de Nederlandse regering het rechtsherstel door Japan onmogelijk maakte, nam de Nederlandse regering deze verplichting niet over. Ook gaf de Nederlandse regering geen compensatie voor het vervallen van de mogelijkheid om bij de Japanse regering vergoeding te krijgen. Dit was in financieel opzicht ten voordele van de Nederlandse staat, maar ging ten koste van de Indische Nederlandse oorlogsslachtoffers. Vertegenwoordigers van oorlogsslachtoffers werden niet betrokken bij het vooroverleg over het verdrag door Nederland.

13. De mogelijkheid om van Japan vergoedingen voor geleden schade te bedingen.

Het vredesverdrag met Japan in 1951, werd in 1956 aangevuld met het bilaterale Yoshisa/ Stikker verdrag tussen Nederland en Japan. Dit akkoord maakte alle vormen van individuele en collectieve burgerclaims voor oorlogsschade aan Japan definitief niet ontvankelijk. Met het Yoshida/Stikker verdrag ging Nederland akkoord met een zeer kleine vergoeding voor immateriële schade (leed) gedurende 40 maanden: Dit kwam neer op ongeveer 264 gulden per persoon. (huidige waarde circa 800 euro). Voor krijgsgevangenen en burger geintrneerden 436 gulden (huidige waarde circa 1300 Euro)  Door deze vergoeding was Japan vrijgesteld van verdere vergoedingen voor materiele schade aan Nederlandse Indische en aan Nederlandse oorlogsslachtoffers.
Bij geen van deze verdragen is vooroverleg gepleegd door Nederland met vertegenwoordigers van oorlogsslachtoffers. Ook de Tweede Kamer is nooit ingelicht of geraadpleegd over deze belangrijke verdragen en de gevolgen daarvan voor de Nederlandse oorlogslachtoffers. Hoewel de Nederlandse regering het met beide verdragen onmogelijk maakte om materieleschade bij Japan te verhalen, gaf ze geen compensatie hiervoor. Dit was in financieel opzicht ten voordele van de Nederlandse staat, maar ging ten koste van de Nederlandse Indische gemeenschap.

Resumerend:

Zoals uit het bovenstaande blijkt zit behalve Nederland ook Japan en Indonesië op Nederlands Indisch geld. Dit is veroorzaakt door het dubieuze optreden van de Nederlandse regering.

Het vermogen van Nederlands Indië werd verscheept naar Nederland. De opbrengst van de verkopen van de door Japan geroofde individuele bezittingen kwamen ten goede van de Nederlandse staat, Japan en Indonesië.

Het particuliere vooroorlogse vermogen van de ongeveer 350.000 Nederlanders in Nederlands Indië heeft een huidige waarde van ongeveer 20 miljard euro of gemiddeld 57.000 euro per persoon. Daarvan is tijdens de Japanse bezetting en gedurende de Bersiap periode, door onteigening, confiscatie en roof ter waarde van tenminste 15 miljard euro, tw. 75% van het oorspronkelijke bezit, verloren gegaan, of gemiddeld circa 40.000, - euro per persoon.

Hieruit blijkt dat van de particuliere bezittingen van Nederlanders en Indische Nederlanders in Nederlands Indië, tenminste 1.700 miljoen euro naar de Nederlandse staat ging, 500 miljoen euro naar Japan en 980 miljoen euro naar Indonesië. Dit komt neer op een waarde van tenminste 3 miljard euro. Het restant van het materiele verlies met een waarde van 12 miljard euro, kwam terecht bij Japan en bij individuele Indonesiërs.

Er zal overigens nooit meer achterhaald kunnen worden wat er precies was gebeurd is met de goederen van particulieren die verloren zijn gegaan.

Plaatselijk zijn thans in Indonesia de bezittingen (landerijen en huizen) van Nederlanders soms nog wel in oude registers vermeld en terug te vinden. Het probleem is echter dat men als niet Indonesiër in hun land geen onroerend bezit mag hebben. Bovendien zijn, als het al mogelijk is, door het bezit over te dragen aan een in Indonesië geregistreerde  NV of BV de daaraan verbonden kosten onbetaalbaar.
Zeker is, dat zeer veel van de door Japan geroofde goederen en banktegoeden nooit zijn achterhaald.
Dat Japan veel te weinig betaalde voor door de geallieerden opgespoorde geroofde goederen in Japan, waaronder huisraad en bankkluizen. Dit kwam eveneens ten goede kwam van de Nederlandse staat, Japan en Indonesië. Vrijwel alle door de Indonesiërs geroofde goederen zijn nooit is achterhaald.

Extra schrijnend is, dat veel van het vermogen van Indisch Nederland werd gebruikt voor de opbouw van de Japanse economie.

De enige die niet op Indisch geld hebben gezeten zijn de Indische Nederlanders en oorlogsslachtoffers zelf. Vrijwel hun hele bezit ging verloren, slechts enkelen kregen, indien aantoonbaar en bewijsbaar soms eigendommen terug.

Van rechtsherstel van de Indische gemeenschap is tot nu toe vrijwel niets terecht gekomen. De oorlogslachtoffers wachten daar nu al meer dan zestig jaar op.
Het wordt hoog tijd, dat de Nederlandse regering spoedig openlijk erkent, dat er grote tekortkomingen en fouten waren in de rechtspraak, de wetgeving en in verdragen, voorzover het de rechtsbelangen van de oorlogsslachtoffers aanging.
Het rechtsherstel door middel van compensaties voor materiele en immateriële schade voor de Indische Nederlandse oorlogslachtoffers is kennelijk vergeten of wordt verzwegen.

Ook vergeet de regering dat er omstreeks 1947/1948 in Indië een geldsanering heeft plaats gevonden. De bankbiljetten moesten in tweeën “geknipt” worden. Het deel met de beeltenis had dan een waarde van 50%. Het andere deel zou bij banken ingewisseld worden tegen een namens de overheid afgegeven bewijs, die in betere financiële tijden weer in cash geld zou worden ingewisseld. Deze vergoeding moet men NU ruim 60 jaren later nog ontvangen. Deze sanering gebeurde in Indië, maar zal net als alle andere vooral financiële beslissingen ingegeven zijn door de Nederlandse regering in den Haag.

De repatrianten die uit Nieuw Guinea kwamen, werden na de overdracht aan Indonesië kennelijk totaal vergeten. Ook zij verloren al hun bezittingen en goede inkomens en vooral hun aanzien. Zoals al vermeld werden alle diploma’s ongeldig verklaard. De Nederlandse overheid vergeet dat deze mensen ook alles voor Nederland hebben gedaan en voor Nederland ontberingen hebben geleden .
Deze Nederlanders hebben van een “bush” een geciviliseerd land gemaakt.
Hun verliezen werden op geen enkele wijze gecompenseerd. Hun waardigheid werd bij aankomst in Nederland geschonden door ook hun behaalde diploma’s niet te erkennen en hun als ongeschoolde arbeiders te behandelen. Het wordt tijd, dat ook zij de nodige compensaties krijgen. Ook voor de Nederlandse getrouwe Indische Nederlanders kan binnenkort de maat wel eens vol zijn!

Zoals uit het gerelateerde blijkt voelt de Nederlandse Staat zich niet verplicht de gevolgen van de Tweede Oorlog en de Bersiapperiode daarna goed te regelen. Zij beroept zich op het feit dat Indïe sinds 1920 een aparte status had en een eigen bestuur, etcetera.
De Nederlandse Staat heeft het gezag in Indïe wel de opdracht gegeven tot het verklaren van de oorlog tegen Japan.
Alle beslissingen na de oorlog tegen Japan etc. met betrekking tot schade regelingen en de daarbij behorende claims werden wel door Nederlandse (Hollandse) Minsiters behandeld, besproken en beslist.
De grote groep niet geïnterneerden werd helaas gemakshalve vergeten!
Deze beslissingen vloeien voort uit akkoorden van de Eerste en Tweede Kamer der Staten Generaal.
De Nederlands Indische gemeenschap in Indïe is in geen enkele opzicht betrokken geweest door inspraak of iets dergrelijks in verband met eerder  beschreven  beslissingen.
Alle uitkomsten van de genomen beslissingen ten aanzien van rechtsherstel, schadevergoedingen en overige claims komen naar de mening van de groep Indische Nederlanders derhalve voor rekening van de Nederlandse Staat.

De naar Nederland gerepatrieerde Indische Nederlanders zijn overigens de enige groep die later het grootse deel van hun repatriëring en overige voorgechoten kosten aan Nederland hebben terugbetaald. Hun eerste opvang in Nederalnd omstreeks 1950 werd zelfs geheel bekostigd met winsten van bedijven in Indië. Gouverneur Generaal van Mook zorgde dat het overmaken van de toen miljoenen guldens naar Nederland mogelijk werd.

Op 12 november 2008 vond er een vergadering plaats uitgeschreven door de staatsecretaris van VWS, mevrouw Bussemaker. Tijdens deze vergadering zou ze de plannen ontvouwen en bespreken met betrekking tot de afwikkeling van WOII regelingen.
Het Indisch Platform was vertegenwoordigd. Andere Indische verenigingen hebben later via de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal en de fractie voorzitters in de regering, hun ongenoegen over deze vergadering kenbaar gemaakt.
Conform belofte heeft de regering (met name het Ministerie van VWS) het NIOD de opdracht gegeven een onderzoek in te stellen naar de oorlogsschades, etc. in Indië, veroorzaakt door de 2e Wereldoorlog met Japan. Deze onderzoeken werden in respectievelijk 2005 en 2006 door eerder genoemde onderzoekers Dr. Meijer, Dr. Keppy en Mr. Zorab afgerond. Deze onderzoeken hebben enkele miljoenen aan Nederlandse belastinggelden gekost. De betrokken verantwoordelijke Minsiter c.q. staassecretaris weigerde op de vergadering van 12 november 2008, de uitkomsten van de rapportages aan de Tweede kamer en haar fracties voor te leggen. De protesten werden beantwoord met “zoeken jullie het zelf maar uit”. Wat er hierna gebeurd ?
Dat er thans in tijden van resessie geen geld beschikbaar is, kan ondanks dat dit een bekende door ex minister Zalm van financiën geuitte kreet was ,worden begrepen.
Dat de voor de Indische Nederlanders zo belangrijke en miljoenen kostende uitslagen van gemaakte rapportages niet eerst in de regering worden besproken is een schande!
Hieruit blijkt weer dat Nederland zich probeert te onttrekken aan gemaakte afspraken naar aan leiding van de uitkomst van het zogenaamde “Gebaar”.
Het is toch normaal dat het beschrevene aan de regering/volksvertegenwoordiging  wordt voorgelegd en dat over een eventuele nabetaling van Indisch verlies wordt onderhandeld. Ondanks de resessie wordt er toch wel (en terecht) gesproken over nabetaling van ex KNIL militairen uit Zuid Afrika en misschien Suriname?

Nederland heeft in het verleden financieel mede gedreven op inkomsten uit Indië. Gelden of in natura goud en zilver, etc. uit Indië, die kort voor de WII, in Australië en Zuid Afrika veilig werden gesteld werden later naar Nederland verscheept. De rechtmatigheid van het in bezit nemen door Nederland hiervan werd in twijvel getrokken door onder andere de Australische regering, de”Common Welth Bank” en de “Bank New South Wales”, omdat het geld, goud, zilver, etc, aan Nederlanders in Indië toebehoorenden. Zij gaven hun bezit namelijk bij in Indië gevestigde Nederlands Indische banken in bewaring.

Zoals eerder beschreven is hebben landen die destijds koloniën in Azië hadden, waaronder de USA. Engeland, Frankrijk, Australië, etc. de door de Tweede Oorlog veroorzaakte schaden WEL aan hun onderdanen vergoed tot bedragen van tussen de 10.000 en zelfs 30.000 dollars.

De Nederlands Indische gemeenschap kan de houding van de Nederlandse regering niet begrijpen. De rapportages door en conclusies van de NIOD en uitgevoerd door onafhankelijke onderzoekers die zich volkomen onafhankelijk van regering en Indisch platform hebben opgesteld, dienen voor ons gevoel op democratische wijze in de openbaarheid te komen en door het volk worden beoordeeld en gewogen!
Dit ondemocratische  gebeuren heeft de Indische gemeenschap diep geraakt. Er passen zoals de voorzitter van het IP het in zijn verslag treffend weergaf maar vier woorden voor dit regeringsgedrag: Te laat, niet af, ontkenning en onwil.
De overige Indische groepen w.o. De Nederlands Indische Belangen Vereniging Costa Blanca voegen daaraan toe:
Discriminatie van (Indische) Nederlanders ten opzichte van de Hollanders.

De Hollanders kregen voor door hen in de Tweede Wereld Oorlog geleden privéschades meer dan 6,3 miljard gulden vergoed.
Nederland heeft ondanks de ellende waarin de Indische Nederlanders verkeerden, sinterklaas gespeeld met miljarden Indisch geld en hebben Indonesië, de USA, zichzelf en zelfs de vijand Japan voor hun economie Indisch geld bedeeld!
Voor Indische Nederlanders geldt volgens Nederlandse denken, dat alles voor wat betreft de deze groep  mogelijk is, zolang de Nederlandse schatkist en belastingdienst er maar niet onder lijden.

De Indische Nederlanders moesten bij aanvragen voor erkenningen WUV,WUBO, etc. alles bewijzen alsof zij fraudeurs zijn. Dit terwijl Nederlandse archieven onvolledig waren, er ondertussen een privacy wet en een wet waardoor claimmogelijkheden werden teruggebracht van 10 jaar na ontdekking tot slechts 5 jaar.
In deze wetten werden voor oorlogsslachtoffers geen uitzonderingsbepalingen gemaakt.
Nederland strooide ondertussen wel met eigendomsgeld van de oorlogsslachtoffers rond,. Conclusie: Indische Nederlanders tellen nog steeds niet!

In feite maakt het niet uit of Nederland in deze resessieperiode 1 of 2 miljard euro’s meer debet staat. Immers het te vergoeden bedrag aan Indische Nederlanders komt in “NO TIME” via omzet van winkels, etc. weer terug bij de belastingen. Mogelijk dat in overleg met de EU Nederland een andermaal eenmalig haar jaarlijks aan de EU af te dragen bijdrage, met een á twee miljard kan verminderen ten einde met haar eigen Indische Nederlanders voor goed in het reine te komen.
Door het gedrag van de Nederlandse regeringen blijven wij Indische Nederlanders ons gelijk voelen aan “alachthone gastarbeiders” die gediscrimineerd worden.

Misschien is dit een goede aanleiding om onze casus aan het Hof te Straatsburg en/of het EU parlement voor te leggen,

“De kruik gaat, zelfs bij de als amorf bestempelde Indische Nederlanders die ook voor volk en Nederland vochten en stierven, net zo lang te water totdat  die barst en mogelijk zelfs een super ontploffing veroorzaakt.

Alle informatie werd ontleend aan gegevens uit openbare archieven, krantenknipsels uit o.a. De telegraaf, AD Magazine, De Bataviase Courant, etc. Tevens door interviews met personen, die uit eigen  ervaring de Tweede Wereldoorlog, de Bersiap periode, en Nieuw Guinea inclusief de Indonesische infiltraties hebben meegemaakt Ook zijn er gesprekken gevoerd de Procureur Generaal van Soerabaya en een Kolonel van de Indonesische ABRI, die bij verschillende infiltraties betrokken waren en uit gesprekken met in Indonesië wonende generaals.
Voorts werden studies van Dr.H.H.Meijer uit 2005, van Dr. P. Keppy uit 2006 en het proefschrift van Mr. Zorab geraadpleegd.

Epiloog:

Onze ouders en wij hebben oorlogen gestreden voor het behoud van Nederlands Oost Indië. Nu onze ouders en een groot deel van hun eerste generatie bijna allen behoren tot “de mensen van weleer” is het goed, dat de nazaten de geschiedenis van de Nerderlands Indische gemeenschap kennen en doorgeven.

Eenieder van ons heeft in de Tweede Wereldoorlog en in de periode daarna tot en met de overdracht van Nederlands Nieuw Guinea aan Indonesia in 1963 zeer indrukwekkende voorvallen meegemaakt, die diep in ons geheugen staan gegrift.

De inhoud van dit boekje kan hopelijk in vogelvlucht weergeven wat een ieder van ons heeft ervaren.

Door ervan kennis te nemen kan worden bereikt dat er begrip is voor elkaar´s lijden en gedrag, waardoor opgelopen oorlogstrauma’s mogelijk worden verzacht.

Vragen van onze kinderen en kleinkinderen kunnen door de inhoud van dit boekje misschien antwoorden bieden en meer begrip over onze achtergrond en ons verleden verschaffen. Hopelijk begrijpen zij nu waarom wij hun vaak liefde en warmte hebben onthouden,

Bij onze komst naar Nederland hebben wij vaak dubbele uren per etmaal moeten werken om de nodige diploma’s te (her)behalen, teneinde ons een plaats op de maatschappelijke ladder in ons nieuwe thuisland te veroveren en een goed bestaan op te bouwen. Wij deden dit zodat de volgende generaties een goed leven kunnen genieten.
Nu dat wij, de oudjes, de achterstand hebben weggewerkt is het aan onze nazaten om aan te tonen dat Indische Nederlanders in staat zijn op elk niveau te kunnen functioneren.


De auteur R.L. Dias


Afkortingen:


V.S. Verenigde Staten van Amerika   
RIS Republik Indonesia Serikat   
RI Republik Indonesia   
VN Verenigde Naties   
NAVO Noord Atlantische Verdrag Organisatie   
UNTEA United Nations Temporary Authority   
MAP Military Assistance Program   
PKI Party Komunis Indonesia   
ABRI Ankatan Bersenjata Republik Indonesia   
DETA   Dienst Economische en Technische Assistentie   
DMZ Dienst Maatschappelijke Zorg   
PTT Post, Telegraaf en Telefoondienst   
KPM Koninklijke Pakketvaart Maatschappij   
WNI Warganegara Indonesia (Indonesische inwoner)   
KNIL Koninklijk Nederlands Indische Leger   
OVW-er Nederlandse Oorlogs Vrijwilliger   
IP Indisch Platform (communicatie platform voor Indische Nederlanders   
IHC Indisch Herinnering Centrum   
PUR Pensioen en Uitkeringsraad   
WUV Wet Uitkering Vervolgingoorlogsslachtoffers   
WUBO Wet Uitkering Burgeroorlogsslachtoffers   
CAOR Centrale Administratie oorlogsslachtoffers Indonesië   
AOW Algemene Ouderdoms Wet   
KEMPETAI De Japanse Militaire Politie (een onderzoeksorgaan te vergelijken met de Duitse Gestapo)
BAMBOE- ROETJING  een aangescherpte stamsteel van de bamboe als spies wordt gebruikt   
PELO- POR verbastering van het Nederlandse voorloper. (por = voor. lôper = loper.) of te wel verkenner, voorvechter
BERSIAP Gereed staan voor actie