IMG_1414.jpg100_0804.jpgIMG_1428.JPGIMG_1337.JPGIMG_0179.jpgIMG_1178.JPG

OIverleden

HET OOST INDISCHE KOLONIALE VERLEDEN

Klik op onderstaande link om fotoboek te openen. Kies eerst Nederlandse taal
(Fotoboek: Het Oost Indische Koloniale verleden 

Voorwoord:

Rob Dias
De totstandkoming van dit boekje heeft ten doel vooral de jongere Nederlandse generatie te informeren over en te interesseren in de geschiedenis van en het wel en wee in de Oost Indische kolonie. Hiervoor zijn verschillende zeeslagen en grondoorlogen uitgevochten, waarbij uiteindelijk de Nederlandse V.O.C. zegevierde. Dit ging zoals in elke oorlog, vooral aan de zijde van de autochtone bevolking, ten koste van heel veel slachtoffers. Nederland werd door deze kolonisatie rijk en zorgde ervoor in Oost Indië veel nakomelingen te krijgen waarvan een substantieel deel (de zg. Indo's) niet erkend werden. Deze groep werd helaas over het algemeen als tweederangsburger gekenmerkt. Dit kwam vooral tot uiting in de door hun in Indië beklede functies en ongeveer 300 jaren later, na repatriëring naar Nederland, door het niet erkennen van de in Indië behaalde diploma's. Het is daarom van belang een meer reëel verhaal tijdens de geschiedenislessen op scholen te vertellen over de Oost Indische kolonie. Ook onze huidige nazaten zullen ermee gediend zijn.

Veel leesplezier!


volledig scherm?.... > klik hier!

De ontdekking van Indië

De Portugezen zochten omstreeks 1500 via de zeeroutes naar nieuwe handels mogelijkheden. Bartholomeus Dias rondde de Kaap de Goede Hoop in 1487 gevolgd door Vasco de Gama die in 1498 India bereikte. Onder leiding van de Portugese prins “Hendrik de zeevaarder“ bereikten Portugese zeilschepen Azië en veroverden in 1505 Goa aan de westkust van India. Hier vestigden de Portugezen later een handelscentrum. De Indonesische archipel lag nu binnen bereik. In 1513 vertrok een kleine expeditie vanuit Goa onder leiding van Francesco Serrao op zoek naar de specerij eilanden. Na eerst Java te hebben bezocht, bereikten zij als eerste Europeanen de specerij eilanden Ambon en Banda. In Ternate sloten de Portugezen een verdrag met de sultan waarbij zij het recht op de handel in kruidnagels verkregen. De Oost Indische archipel telt ongeveer 13.500 eilanden en strekt zich uit over een lengte van circa 4.000 kilometers. De archipel begint bij de zuidpunt van Thailand (Siam) en eindigt ter hoogte van Papua New Guinee, ten noorden van Australië. Het gebied kent 3 tijdzones. Een modern straalvliegtuig heeft ongeveer 3 à 4 uren nodig om over de hele archipel te vliegen.

Opkomst van de stoomvaart

In omstreeks 1712 ontdekte Thomas Newcomer de stoommachine. Het duurde echter een eeuw voordat deze machine voor het gebruik als aandrijving van schepen geschikt was. Voordeel van een stoomschip was dat het lange afstanden kon varen zonder afhankelijk te hoeven zijn van wind. De schepen waren sneller te manoeuvreren, waardoor het gevaar om in een gevecht door vijandelijk vuur geraakt te worden kleiner werd. De schepen konden langer en breder van omvang zijn dan zeilschepen, terwijl hun diepgang voor het gebruik in die tijd veel meer beperkt kon worden dan die van zeilschepen. Hun bruikbaarheid op rivieren in de binnenlanden waren dan beter gewaarborgd. Het grootste probleem vormde echter de bevoorrading van brandstof. Kolen waren niet overal voorradig. Hierdoor moest men op logistiek gebied veel aanpassingen realiseren. Tussen het thuisland Nederland en Oost en West Indïe moesten er diverse bunkerplaatsen voor kolen worden ingericht. Het was daarom zaak om in de koloniën kolen te vinden en te exploiteren. De zeilschepen waren wind afhankelijk en waren minder manoeuvreerbaar en dus bij zeegevechten kwetsbaarder voor vuur van de vijand. Vanwege de voorraden die men moest meenemen was hun diepgang niet of nauwelijks te verkleinen. Reizen van Nederland naar Oost Indïe duurde gemiddeld zes maanden. Zodra de stoommachines in de scheepvaart werden geïntroduceerd, bestelde de Nederlandse Koninklijke Marine schepen, die vanwege het doel waarvoor ze zouden worden ingezet, onder toezicht van Marinespecialisten werden gebouwd. Het doel van de marinestoomschepen was: Het bewaken van het zeegebied binnen het grondgebied (Nederland) in Europa en het beveiligen van koloniale gebieden waaronder Oost en West Indïe. Tot de marinetaken in deze gekoloniseerde gebieden behoorden: tegengaan van zeeroof, vlagvertoon in de hele archipel en ondersteuning van politie en militaire acties.

Het cultureel stelsel

In Indïe werd in verband met veiligheid en zekerheid diverse nieuwe ideeën ontwikkeld. Hiervoor ontwikkelde het bestuur het zogenaamde culturele stelsel. Niet alleen handelsbelangen maar ook Staatsbelangen en het welzijn van de inlandse bevolking zouden voortaan een rol moeten spelen. Het zou dus moeten gaan om “beider verenigd welzijn”. Omstreeks ongeveer 1807 werd een directe bestuursvoering met vanuit Nederland afkomstige bestuursambtenaren tot stand gebracht.

De door Nederland ontwikkelde systemen werden tussen 1807 en 1811 toen Engeland het beheer had over Borneo, verder uitgebouwd. Deze door Nederland ontwikkelde systemen bleken echter te duur.

Toen Nederland in Indië weer aan het bewind kwam, voerde Gouverneur Generaal J. van den Bosch het aanvankelijk door Nederland ontwikkelde Cultuurstelsel, definitief in. Dit stelsel was echter in hoofdzaak van toepassing op Java. Deze maatregel werd daar ingevoerd, omdat Java in die periode het meest winstgevende gebied was. De handelsposten in de buitengewesten kostten Nederland alleen maar geld en waren daarom alleen van belang vanwege de aanspraken die Nederland op de rest van het archipel wilde blijven behouden.

Omstreeks 1850 werd het Cultuurstelsel echter weer verlaten, omdat door dit systeem de werkomstandigheden en uitbuiting van de inlanders door hun eigen vorsten enorm toenam. Door het vormen van een speciaal gouvernement op Borneo probeerde Nederland in omstreeks 1848 verdere Engelse aanspraken bij monde van J.Cookes, op Borneo te verhinderen. Met de komst van de Gouverneur Generaal  J. J. Rochussen in 1845 veranderde de politiek in velerlei opzicht. Hij streefde naar een politiek die onafhankelijk van Nederland was. Daarnaast  propageerde hij de buitenbezittingen meer te ontwikkelen en op Java de stagnerende economie te stimuleren.

In 1848 zond hij een grote expeditie naar Bali om de Balinezen te onderwerpen.

In 1851 meldde Gouverneur A .J. Duymaer aan de Minister van koloniën in Nederland, dat hard optreden in Borneo noodzakelijk was, teneinde de onberekenbare opstelling van de inlandse vorsten te doorbreken. Er bestond voorts een sterke behoefte aan exploitatie van natuurlijke rijkdommen, zoals kolen en andere mineralen.

In 1861 attendeerde de minister van koloniën J. Loudon, dat de uitbreiding van de bedoelde activiteiten veel te veel kosten met zich meebrachten, die de Staatskas niet kon dragen. Desondanks was dezelfde minister van koloniën bereid om zich in 1875 in een bloedige en kostbare strijd in de Atjeh-oorlog te werpen. Een oorlog, die zoveel kostte en die een einde zou maken aan de winstgevende positie van het gezag in Indië. Na 1816 had het bestuur in Oost Indië, om de gezaghandhaving te garanderen, meer maritieme middelen nodig. Hieronder viel uitbreiding van materieel voor de zeemacht, wat geschikt zou moeten zijn voor de orde handhaving in de hele archipel. Hiervoor zijn onder meer kleinere schepen nodig. Om hun taken goed te kunnen uitvoeren werd in 1815 naast de Koninklijke Marine, de Koloniale Marine opgericht. Deze eenheid kreeg de beschikking over schoeners, brikken en afgedankte verouderde oorlogschepen van de Koninklijke Marine. Daarmede moest onder andere de communicatie binnen de archipel worden onderhouden en vooral de zeeroverij  bestreden worden. In 1821 werd bovendien ook nog een Civiele Marine geïnstalleerd. Al in het zelfde jaar ontstond er een probleem met de bevelvoering, omdat het commando van de Koninklijke Marine en de Koloniale Marine in dezelfde persoon was vertegenwoordigd. Door dit ondoelmatige bevelssysteem werd in 1838 de Koloniale Marine weer opgeheven en vielen al het materieel en personeel onder het commando van de koninklijke Marine. Deze  nieuwe Koninklijke Marine eenheid werd met de volgende taken belast: Bestrijding van zeeroof, het vlagvertoon in de hele archipel, de communicatie, verrichten van politietaken alsmede ondersteuning van de landmacht bij hun operaties. In 1844 begon een grote actie tegen de zeerovers uit Koetei in Borneo. Tijdens deze risicovolle actie drongen 2 schoeners via de rivieren diep het binnenland in. Na evaluatie van deze actie werd aangedrongen op de toevoeging van twee nieuwe oorlogsstoomschepen, waardoor betere resultaten in de strijd tegen opstandelingen zouden kunnen worden bereikt. Het duurde echter tot 1848 voordat het oorlogstoomschip Zr. Ms. ”Onrust” in Indië in bedrijf werd genomen. Dit schip had een actieradius van 1500 kilometer. Om de kolenbehoefte van de schepen te garanderen werden onder andere op Java, Sumatra en Borneo de exploitatie en vervoersmogelijkheden ervan onder de loep genomen. Het eindresultaat was dat men op Borneo, de plaats Bandjarmasin het meest geschikt achtte voor de beoogde doelen. Het vervoer van kolen kon dan vanaf de delfplaatsen via de vele rivieren plaatsvinden, waardoor de logistiek tegen relatief geringe kosten kon worden georganiseerd en kon plaatsvinden.

Het sultanaat  Bandjarmasin werd in hoofdzaak bevolkt door Javanen, Madoerezen en Maleiers. De oorspronkelijke bevolking, de Dayakers, werden verdrongen en hield zich bijna uitsluitend in de binnenlanden van Borneo op. De contacten met de in Bandjarmasinse gemengde bevolking waren echter niet altijd vriendschappelijk. In 1606 werd er onder andere een Nederlandse Kapitein van een Nederlands schip vermoord. De onderlinge contacten werden echter in verband met de handel ononderbroken gecontinueerd. In 1848/1849 maakte de minister van Koloniën, per  Zr. Ms. “Onrust” een inspectiereis door Borneo om van het bestuursbeleid inzicht te krijgen.

In 1849 werd tijdens de derde Bali-expeditie  de Zr. Ms  “Onrust” aldaar ingezet. Het schip diende als sleepboot, maar ook als kanonneerboot tegen Balinese versterkingen. In dat zelfde jaar diende de “Onrust” als proefschip om te varen op in Borneo gewonnen kolen. De “Onrust” liep daarbij te Soerabaja vast op een rif voor de haven, waardoor het bijna zonk. Na reparatie in 1853 werd de “Onrust” weer ingezet bij diverse taken, waaronder: troepen- en wapenvervoer voor het leger, kruistochten tegen zeerovers, enzovoorts. Ook werd het schip ingezet tegen strafexpedities te Djember op Oost Java en later te Boni bij Bandjarmasin op Borneo, toen daar weer eens een opstand uitbrak. De opstand te Kalangan ging gepaard met een aanval op de kolenmijn “Delft” waarbij  33 personeelsleden van Europese afkomst werden vermoord. In het nabijgelegen Poeloe Petak werden Europese zendelingen vermoord. Voorts werden diverse andere mijnen overvallen en de beambten vermoord. De installaties van de mijnen werden door de opstandelingen vernield. In juni 1853 werd door de Nederlandse Koloniale overheid op Borneo de steden Poeloepetak heroverd, Martapoera weer bezet en de plaats Pengaron ontzet. De troepen beperkten zich daarna tot het beveiligen van alle aan- en afvoerwegen en de kolentransporten naar de havens en depots. Tijdens diverse acties tegen de opstandelingen werd met hulp van met marinestoomschepen het kustfort  “Tabanio ” heroverd. Maanden later probeerden de opstandelingen met verrassingsaanvallen de plaatsen Bandjarmasin en Martapoera  in hun bezit te krijgen. Met aangevoerde militaire assistentie uit Java werden de plaatsen Beraskoening en nog andere plaatsen tegen aanvallen van opstandelingen beveiligd. Ook werd Tanah Laut ten zuiden van de belangrijke kolen opslag en vervoersplaats Bandjarmasin van opstandelingen gezuiverd. Met stoomschepen en militaire versterkingen werden uiteindelijk mede door hun superieure vuurkracht, de opstandelingen overwonnen. Daarna werd bij een geheim Indisch besluit op 17 december 1859 het Bandjarmasinse rijk onder direct Nederlands bestuur geplaatst. Aanleiding hiervoor was het bestuurlijke onvermogen van de afgetreden sultan Tamdjit Illah en het gebrek aan een voor hem geschikte opvolger. Bovendien was het bezit van de kolenmijnen bij Bandjarmasin voor de overheid van groot en eminent landsbelang. In de ruim vier jaar durende guerrilla oorlog werd het inlandse verzet gebroken, door de inzet van ongeveer 2.000 à 3.000 man militairen, gesteund door een zevental marine stoomschepen. De Zr.Ms. “Onrust”, die circa 400 kilometer landinwaarts was opgestoomd om de leider van de opstand te pakken, werd echter door de bevolking aangevallen en tot zinken gebracht. Alle opvarenden lieten hierbij het leven.

Atjeh, al heel vroeg een moslimstaat

Vanaf de 13de eeuw was er sprake van Islamisering in de Indonesische archipel. Mogelijk bestond er een Islamitisch vorstendom waar Marco Polo in 1293 een aantal maanden verbleef op zijn terugreis van China. De Portugezen namen even na 1.500 het aan de overzijde van de zeestraat gelegen Malakka in bezit. Vanwege de geloofsverschillen en de streng opgelegde regels werden vele inwoners van Malakka aangespoord om naar Atjeh uit te wijken. Onder hen bevonden zich vakbekwame Egyptische en Arabische handelaren, handwerklieden uit India, goudsmeden uit China en Islamitische geestelijken. Allen droegen bij aan de verhoging van de welvaart van Atjeh. Toen later de eerste Nederlandse expeditionaire legermacht te maken kreeg met het fanatisme van de bevolking werd de Atjehers een groot aantal “ondeugden” aangemeten. Ze werden bestempeld als dierlijke vechtersbazen die, aangemoedigd door de djihad (heilige oorlog) zich met fanatisme in de bajonetten van de soldaten storten. Het waren notoire opiumschuivers en lijkenverminkers. Ze leken op geen enkele manier op de gemiddelde inlander en mochten daarom absoluut geen aanspraak maken op toegevendheid van het koloniale bewind.

De macht van Atjeh voor de Nederlandse verovering

In 1585 schreef de sultan van Atjeh in een brief aan de Engelse vorstin, Koninging Elisabeth I. Een zin uit deze brief luidt als volgt:

“. . . . . .I am the mighty ruler of the region below the wind, who holds sway over the land of Atjeh and over the land of Sumatra and over all the lands tributary to Atjeh., which stretch from the sunrice to the sunset”.

Deze brief kondigde het begin van de bijna 280 jaar durende (handels)verdrag tussen Atjeh en Engeland. Het laat ook zien hoe groot de invloedsfeer van Atjeh toen was. Als een handelsnatie en als een autonoom gebied. Hoewel de macht van Atjeh aan het einde van de 17de eeuw verminderde, bleef de onafhankelijke status nog heel lang voortduren. Singapore en Atjeh waren dankzij het verdrag met Engeland, actieve handelspartners. Hieraan kwam een einde toen in 1871 onderhandelingen plaats vonden tussen Engeland en Nederland over een nieuw verdrag. De Engelse regering zou Nederland niets in de weg leggen om Atjeh te veroveren. In 1873 verklaarde Nederland Atjeh de oorlog.

De aanleiding tot de Atjeh oorlog

Door de opening van het Suezkanaal in 1869 werd het noordelijk deel van Sumatra, en vooral Atjeh van groot strategisch belang voor de controle op de zeevaart bewegingen in de straat van Malaka. De kustsultanaten aan de Noordkust waren berucht door hun gewelddadige zeeroverij.  De winstgevende piraterij werden uitgevoerd met militaire precisie en vormden een ernstige bedreiging van de scheepvaart. Het Nederlandse gezag op Sumatra had zich uitgebreid tot aan de grenzen van Atjeh. Het lag dan ook voor de hand, het Noordelijk deel van Sumatra onder Nederlands gezag te plaatsen. Met Engeland was in het verdrag van Londen in 1824 afgesproken, dat Atjeh een zelfstandige sultanaat zou blijven. Door de voortdurende grensgeschillen met Atjeh werd in 1857 een vriendschapverdrag gesloten, waarin de grenzen werden vastgelegd. Atjeh, zich terdege van bewust van de bedreigende expansiedrift van Nederland, zocht steun bij andere mogendheden. Dit waren Turkije (het kalifaat van de Islam), Engeland, Frankrijk en de Verenigde Staten. Dit baarde het Nederlandse gouvernement grote zorgen. Een buitenlandse mogendheid op Sumatra, dat kon Nederland niet toestaan.

Atjeh de grote onbekende

Generaal majoor J. H. R. Kohler, de territoriale commandant van west Sumatra, had een heel eenvoudig krijgsplan. Eerst zou een basis aan de monding van de Atjeh-rivier worden ingericht en vandaar uit zou men vervolgens moeten oprukken naar de kraton van de sultan in het toenmalige Kota Radja. Na de aanval van dit “regeringscentrum” van Atjeh zou het hele land zijn ontwricht en daardoor zwichten voor het Nederlandse gezag. Zo verging het in andere delen van de archipel en zo zou het hier ook gaan. Echter, in Atjeh was alles anders georganiseerd. Vanaf het moment dat de eerste fuseliers aan land kwamen kreeg de expeditie te maken met woest krijsende grote drommen Atjeh-ers die zich met zwaaiende klewangs fanatiek op de troepen storten. De fuseliers met hun lange onhandige bajonetten konden de vijand nauwelijks afslaan. Ook het geschut van de Atjeh-ers was beter dan men ooit had meegemaakt. Het aanvoer schip de “Citadel van Antwerpen” werd de eerste dag door twaalf kanonkogels geraakt. De heftige klewang aanvallen en het gerichte vuur  kwam de Nederlandse bataljons op 9 doden en 46 gewonden te staan. Dat was abnormaal volgens de legerleiding.

De eerste Atjeh expeditie

De legermacht van de Nederlanders bestond uit 3000 manschappen, die furieus werden aangevallen door fanatieke goedgeorganiseerde Atjehers. De legermacht kon nog maar net stand houden bij de monding van de Atjeh rivier, ondanks de klewang aanvallen van de schuimbekkende Atjehers. Niet tegenstaande deze aanvallen werd zo snel mogelijk een Nederlands basiskamp ingericht. Nu kon de expeditie oprukken naar de kraton van de Sultan van Atjeh. Men wist echter niet waar de kraton precies lag. Het zakboekje die de officieren van de expeditie meekregen, bevatte volkomen verkeerde informatie. Ook was de bijbehorende tekening van het gebied onjuist. De riviermonding, de rivier zelf, de kraton en de kustwegen waren anders aangegeven. Vanaf het strand konden geen waarnemingen op enige afstand plaats vinden vanwege de hoge bomen langs de moerassige kust. Op zoek naar de kraton werd een ommuurde missigit (moskee) voor de kraton aangezien. De moskee werd met grote verliezen veroverd op de fel verdedigende moslims. De commandant van de expeditie, Kohler, liet de moskee tegen het invallen van de nacht ontruimen, omdat hij vond dat zijn manschappen te vermoeid waren om deze bedreigde stelling gedurende de nacht te kunnen verdedigen. Drie dagen daarna werd de moskee opnieuw aangevallen door het expeditieleger en met zware verliezen heroverd. Commandant, Kohler, werd bij deze aanval dodelijk getroffen. Zijn opvolger kolonel E. E. van Daalen, nam het bevel over. De tegenstand van de Atjehers was vel en onverwacht. De vernietiging van de kraton van de sultan bleef echter het doel van de expeditie. Onder leiding van de kolonel van Daalen, werd de opmars naar de kraton voortgezet. De troepen werden echter voortdurende belaagd door guerrilla troepen. Door de djihat (vrijheidstrijd) opgezweepte in het wit geklede moslimvechters stormden met fanatieke doodsverachting op de Indische bataljons. Ook ’s nachts werden de bataljons onder ijzingwekkende krijsgehuil aangevallen en beschoten. Ruim 14 dagen na de landing bereikte de expeditie de kraton. De aanval om de kraton te veroveren werd ingezet met 2 bataljons. De aanval werd echter afgeslagen en het leger trok zich terug met een verlies van ongeveer 100 slachtoffers aan en gewonden en doden. Na een overleg te velde realiseerde van Daalen zich, dat er andere middelen nodig waren om de Atjehers te kunnen overmeesteren. Na zeventien dagen scheepte het expeditieleger zich in en  keerde terug naar Batavia. De Atjeh expeditie had zes weken geduurd. Van de 3.000 manschappen waren er 56 gesneuveld en werden 438 gewond.

In Batavia was men niet gelukkig met de terugkeer van de troepen. Gouverneur Generaal Loudon zeker niet. Hij moest verantwoording afleggen voor de mislukking van de expeditie.

De voorbereiding van de tweede Atjeh expeditie

De eerste Atjeh expeditie was mislukt. Nederland wilde Atjeh echter beslist onder hun gezag plaatsen en ruste daarvoor zo snel mogelijk een tweede expeditie uit. Deze werd echter nauwelijks voorbereid, omdat alleen een klinkende overwinning  het nationale en koloniale prestige zou kunnen herstellen. Europeanen werden geworven door een hoger handgeld te bieden. Aan hun uitrusting en bewapening werd veel aandacht besteed. Ook de marine kreeg betere bewapening. Kosten noch moeite werden bespaard voor de ondersteunende diensten. Er gingen onder andere een stoombakkerij, moderne waterpompen en twee ijzeren bruggen, rails en wagons voor de smalspoor van zes kilometer, een geweermakerij en een smederij, mee. De totale legermacht bestond uit ongeveer 13.000 manschappen. Tot de legermacht behoorden ongeveer 3.000 man dwangarbeiders voor het vervoer over land van het geschut en uitrusting. Er waren ruim 1.000 bedienden voor de ongeveer 400 officieren. Voor de inheemse troepen gingen er 240 vrouwen mee. Twee compagnieën Afrikanen, geworven in de Goudkust, vormden een onderdeel van de troepenmacht. De lokale troepen Javanen en Ambonezen noemden deze Afrikanen “Belanda hitam” (zwarte Hollanders) vanwege hun bijbelse en Nederlandse namen zoals Mozes, Jodocus, Johannes, et Het transport en de lading van de tweede Atjeh expeditie.

Op 11 november 1874 vertrokken negentien schepen vanuit Batavia naar Atjeh. De opperbevelhebber was generaal van Swieten, die ervaring als legercommandant van het Nederlands Indisch Leger (NIL) in Indië en grote expeditie op Celebes en Bali had geleid. Op het tijdschip van vertrek had een cholera epidemie Batavia bereikt. De dood voer mee met de schepen naar Atjeh. De duizenden in vuile en bedompte scheepsruimten samengepakte mensen vormden gemakkelijke prooi van de epidemie. Tijdens de veertien dagen durende overtocht naar Atjeh, overleden 60 personen aan de ziekte. Bij aankomst op de plaats van bestemming aan de moerassige kust van Atjeh  werd overhaast ontscheept, omdat langer verblijf aan boord van de schepen tot een grote ramp zou leiden. Vanwege de aanhoudende regenbuien duurde het twee weken voordat de legermacht gereed was met de bivakken. De onderkomens waren op drassige grond gebouwd. Het tentenhospitaal, waar meer dan 500 cholerapatiënten werden verpleegd, moest meerdere malen naar een hoger gelegen stuk grond worden verplaatst. Door deze cholera epidemie was de sterkte van de troepenmacht met 10 procent gereduceerd

De overwinning van de Atjeh expeditie

Na vertraging door de verliezen aan manschappen, door de cholera epidemie tijdens het transport en de landing te Atjeh, kon eindelijk de opmars naar de kraton van de sultan beginnen. Eindelijk stonden de Nederlanders weer voor de zwaar verdedigende Missigit (moskee) alwaar zij tijdens de twee eerder gelanceerde aanvallen zware verliezen leden en de bevelhebber Kohler was gesneuveld.

Na 10 maanden stonden zij klaar om de belangrijkste Atjehse moskee te veroveren. Deze keer lukte het, maar niet zonder slag of stoot. Van de brigade van 1.400 man raakten er 214 man gewond. De aanval op de kraton werd grondig voorbereid. Eerst werden verkenningen uitgevoerd, die gevolgd werden met zware artillerie beschietingen. Na het aanleggen van loopgraven en het in stelling brengen van zwaar vestinggeschut werd de aanval ingezet. Het bleek, dat de verdedigers de kraton gedurende de nacht hadden verlaten. Het kratonterrein kon daarom zonder slag of stoot worden ingenomen. In Batavia en Nederland werd de aanval op de kraton ontvangen als een enorme triomf. De schandelijke nederlaag van april 1873 was in april 1874 gewroken. “Wien Neerlands Bloed” klonk door de kraton en de champagne vloeide rijkelijk. “De kraton is van ons” riep van Swieten  zijn troepen toe.

V.O.C. en de Banda eilanden.

Al spoedig na de oprichting van de VOC volgden een reeks van veroveringen van Portugese forten en andere versterkte posten. De in verval geraakte fortificaties  werden gerenoveerd en kregen Hollandse namen. Er werden garnizoenen gestationeerd en in de directe omgeving ontstonden soms Hollandse nederzettingen. Hoe belangrijk de Banda eilanden waren voor de VOC blijkt uit een lastbrief die de bewindvoeders in Nederland op 26 maart 1608 schreven aan hun hoogste vertegenwoordiger in Azië,  de Admiraal Pieterszoon Verhoeven “ . . .De eylanden van Banda en Moluques is het principaele wit, waernaer wij schieten.. . Wij kunnen U.E. niets gewissers ordoneeren , dan alleenlijck  op het hoochste  deselve soeckende met tractaet of te geweld aan  de Compagnie te verbinden voor den eersten september  ofte eerder, oock op elck landt een cleen fortes opwerpe, met eenich crijghsvolk bezettende. . . .”

Ze moesten de Banda eilanden in hun bezit hebben, want in een andere missieve van 11 april 1608 werd Verhoeven er nogmaals aan herinnerd. . .  “de Moluques en de eylanden. .  Banda boven alle”. . te bezetten om zodoende de specerijeneilanden . . in handen te krijgen.

De bloedige overwinning van de Banda eilanden.

Na felle gevechten werd Lonthor, het grootste Banda eiland, door Jan Pieterszoon Coen veroverd. Het verzet was echter niet uitgeroeid en er heerste een geladen sfeer op de eilanden.  Toen een samenzwering werd ontdekt en een opstand dreigde trad Jan Pieterszoon Coen op. Dit eindigde in een bloedbad. Er werden strafexpedities naar alle eilanden gestuurd, die bijna de gehele lokale bevolking uitroeide. Naar schatting werden ongeveer 10.000 Bandanezen op brute wijze vermoord. Tientallen dorpshoofden (Orang Kaya’s) werden later veroordeeld wegens samenzwering. Japanse huurlingen met Samorai zwaarden onthoofden de veroordeelden, waarna de lichamen werden gevierendeeld. De hoofden en andere lichaamsdelen van de vermoorde mensen werden op bamboestokken gespietst en te kijk gezet. Ongeveer 1.000 dorpelingen overleefden het bloedbad van 8 mei 1621. Zij werden op transport gezet naar Batavia en als slaven verkocht.  Fase1 van het meesterplan van Coen was ten uitvoer gebracht. De Banda eilanden waren ontvolkt en de nootmuskaat gebieden waren nu in VOC handen. Fase 2 hield de exploitatie van de nootmuskaat gebieden in. Het was tijd om nieuwe arbeidskrachten te werven. Na de slachting waren er geen Bandanezen meer over  om de plantages te bewerken. In ruil daarvoor werden zij voorzien van slaven uit verschillende delen van Indïe. Het productieve land met ongeveer een half miljoen nootmuskaatbomen werd verdeeld in 68 perken. Een perk is een perceel van 1,2 hectare, waarvoor Nederlandse planters (perkeniers) vergunningen konden krijgen. Het waren voornamelijk Nederlandse vrijburgers, militairen en handelaren die hun contract met de VOC hadden uitgediend en besloten hadden in Indië te blijven.  Zij verplichten zich tot de zorg van de nootmuskaatbomen en het oogsten van de noten. De noten moesten tegen een vastgestelde prijs aan de VOC worden geleverd. Om zeker te zijn van een winstmarge van 300% betaalde de VOC de perkeniers 1/222ste deel  van de gangbare nootmuskaatprijs in Nederland. Toch boerden de perkeniers het goed. De kooplieden die de kosten van de Banda oorlog hadden gedragen begonnen woekerwinsten op te strijken. Banda was, zo melde een verslag, de helderste ster aan het firmament van de VOC.

De Perkeniers van Banda

De Hollandse Perkeniers waren grotendeels vrijgevochten mannen die het niet zo nauw namen met de Christelijke normen en zeden. Vele lokale vrouwen, vaak slavinnen, baarden buitenechtelijke kinderen van de Perkeniers, waardoor een mengelmoes van diverse bevolkingsgroepen ontstond. De Perkeniers beschouwden hun werkgever al snel als hun vijand, die te weinig betaalde voor hun nootmuskaat en die hun het recht onthield eigenaar te worden van het perk. Het gevolg was, dat er een levendige smokkel in nootmuskaat ontstond.

De intenties van Portugal

Portugal lag precies op het kruispunt van de bloeiende kustvaart tussen de beide handelregio´s Vlaanderen en Italië. Nadat de kruistochten tegen de Islamitische erfvijand waren afgelopen zochten de adel en geestelijken naar mogelijkheden om elders zich te laten gelden voor de missie, maar ook naar uitbreiding van de handel en economisch gewin. De jonge prins Hendrik vestigde zich in Sagres, een plaatsje in zuiden van Portugal. Daar richtte hij een centrum op voor het bestuderen van de zeevaart. Wetenschappers, scheepsbouwers, cartografen en zeelieden schaarden zich om prins Hendrik heen. Telkens stuurde hij schepen de zee op om zoveel mogelijk informatie te vergaren. Door de verkenningstochten langs de kusten van het onbekende Afrika raakten de Portugese zeelieden vertrouwd met zeestromingen, windrichtingen en het meten van breedte- en lengte graden. Van de Arabieren namen zij de dwarsgetuigde, vierkante zeilen over en rustten hun driemasters daarmee uit. Tevens werden de schepen uitgerust met kanonnen zodat oorlogsvoering op zee veel effectiever kon plaats vinden. De Portugese zeevaarders waren gereed om de sprong naar Azië te maken om daar de nieuw verworven zeevaart technieken toe te passen.

Portugal op specerijenjacht

Specerijen zoals peper, kruidnagel, foelie en nootmuskaat werden in Europa tegen hoge prijzen verkocht. De traditionele route waarlangs deze producten werden vervoerd en verhandeld liep vanaf Azië naar de Rode Zee, Egypte en vandaar uit naar de gebieden rond de Middellandse zee. De Portugezen zochten een andere door hen te controleren maritieme route om de traditionele route te kunnen beconcurreren. Door weloverwogen en gedegen maritieme voorbereidingen en het gebruik van nieuwe militaire technologie slaagden zij erin als eersten in de zeevaartgeschiedenis de grote afstand tussen west Europa en Azië te overbruggen. In zuid oost Azië troffen zij talrijke vorstendommen aan. Om verschillende redenen waren deze vorstendommen voordurend met elkaar in conflict. Van deze verdeeldheid maakten de Portugezen gebruik om een actieve rol te spelen in het Aziatische handelsnetwerk. Langs de traditionele handelsroutes werden kleine handelsposten gesticht die later uitgroeiden tot bloeiende handelscentra. In 1505 werd Goa in India veroverd. In 1511 kregen de Portugezen het strategisch belangrijke Malakka in handen en in 1522 vestigden zij een steunpunt op Ambon. Verder stichten zij een netwerk van handelsposten op cruciale plaatsen, die versterkt werden volgens de modernste fortificatie techniek van Europa.

De verovering van de Oost op Portugal.

Door Spaanse embargo’s was Nederland (de VOC) uitgesloten van handel op het Iberische schiereiland. Dit gebied was de stapelplaats en doorvoerhaven van specerijen uit de Oriënt, waar de handel dan ook bloeide. Door deze blokkade zagen de Nederlanders zich genoodzaakt andere zeeroutes te exploreren. Men zocht naar een noordelijke doorvaart. Verschillende Nederlandse en Engelse expedities faalden echter door het ontoegankelijke ijs van de poolzee. De bekende Nederlandse zeevaarder Willem Barentsz vond onder ander in Nova Zembla zijn dood. Er bleef daarom nog slecht een mogelijkheid over om hun doelen te bereiken. Besloten werd de Portugezen uit hun vestingen te verdrijven. Hiertoe stichtte men in 1662 De verenigde Oost Indische Compagnie (VOC). In enkele jaren slaagden de Nederlanders erin de Portugezen uit de voor hun belangrijkste specerijen eilanden te verdrijven door de gebieden te veroveren. Portugal was spoedig uitgeteld. De nieuwe machthebbers waren de Nederlanders.

Bali, de vroegere periode.

Een overlevering vertelt dat een Javaanse hoge priester zijn vinger plaatste op een plek op het gebied dat Bali verbond met Java. Dit werd de scheidslijn tussen Bali en Java, en hier scheidde Bali zich af van Java. De zeestraat tussen Java en Bali is ongeveer drie kilometer breed en zestig meter diep. Dit duidt er op dat Java en Bali ooit met elkaar waren verbonden. Er is weinig bekend over de geschiedenis van Bali. Geologische vondsten op het eiland hebben echter aangetoond dat omstreeks 300 v. Chr. het eiland redelijk bevolkt was en er zich een ordelijk dorpsleven had ontwikkeld. De eerste gedocumenteerde informatie stamt uit de 9de eeuw. Het waren stenen inscripties. Rond die periode had de Balinese gemeenschap zich zodanig ontwikkeld dat het de basis vormde voor de hedendaagse samenleving. Rijst werd toen al verbouwd met behulp van een complex irrigatiesysteem, waarschijnlijk volgens de methodes die nu worden gebruikt. Metaalbewerking, beeldhouwkunst en houtsnijkunst waren zich aan het ontwikkelen. Het eiland was verdeeld in kleine vorstendommen die later onder het gezag van de zich ontwikkelende Balinese koninklijke dynastie kwamen te staan.

Marco Polo als leidsman naar Azië

In de loop der eeuwen hadden zich in Azië vele machtige bolwerken ontwikkeld met uiteenlopende culturen en miljoenen inwoners. Deze bolwerken waren machtiger en welvarender dan de Europese landen in die tijd. Marco Polo getuigde hiervan in zijn relaas van de reis door de landen die hij bezocht op weg naar China. Toen de eerste Europeanen in Azië arriveerden was het subcontinent een rijk van machtige staten met geschakeerde culturen en een florerende wetenschap. In het noorden ontstond het omvangrijke Mogol rijk, dat was samengesteld uit vele welvarende keizerrijken. Ook de Indonesische archipel had afwisselend kleinere en grotere rijken met bloeiende culturen gekend, die op Java de boeddhistische Borobudur en de hindoeïstische Prambanan hadden voortgebracht. Het islamitische sultanaat Mataram op Java, dat een groot deel van Java zou beheersen, was zich aan het ontwikkelen. Tussen de rijken in Azië was sinds eeuwen een nauwsluitend handelsnetwerk ontstaan met vastgelegde maritieme routes en karavaanwegen over land. Op zoek naar aansluiting op dit handelsnetwerk in Azië lieten de Portugezen en Spanjaarden zich op hun eerste tochten leiden door de ervaringen van Marco Polo.

Oost Indië in Engelse handen

De Engelse troepen ondervonden weinig tegenstand van de gecombineerde Nederlandse en Franse legermacht. Op 17 september 1811 capituleerde de Nederlandse gouverneur-generaal J. W. Janssens. In een brief doet een van de officieren hiervan verslag. “Op 26 augustus viel in een tijdsbestek van 4½ de enige vesting van belang op Java, de Meester Cornelis. De Engelsen ruktten die dag al vroeg in de morgen ten strijde. Het Nederlandse kamp was op deze aanval niet voorbereid. Een deel van het ‘Javaanse’ leger op een van de flanken lag nog te slapen en werd direct overmeesterd. De bevelvoerende generaal Jumel werd gewekt toen de Engelse aanval al was begonnen. Hij gaf de cavalerie opdracht de vijandelijke infanterie aan te vallen en beval tegelijkertijd zijn eigen infanterie op diezelfde vijand te schieten. Hierdoor kwam de oprukkende cavalerie tussen twee vuren te liggen. De chaos in het Nederlandse kamp was compleet. De terugtocht werd een ‘harddraverij’ waar alle wapens aan deelnamen. De rijdende artillerie brak in galop door de terugtrekkende infanterie die verpletterd werd door de wagens of werd afgemaakt door de Engelse cavalerie. Een poging om de verstrooide soldaten te herformeren mislukte doordat alle inheemse soldaten waren teruggekeerd naar de kampongs”. De eerste bewoners van de Archipel

In het vroege verleden zijn twee grote migratie golven op gang gekomen vanuit zuid China. Deze volkeren vestigden zich in de loop der tijd op de kusten van diverse eilanden. Zij leefden van de jacht en visserij. Tevens beoefenden zij akkerbouw en een beperkte mate van veeteelt. Het is bekend dat in de 7de eeuw n. C. er in de Indonesische Archipel hoog ontwikkelde en georganiseerde gemeenschappen bestonden. Sommige dorpen leefden van de rijstbouw. De bewoners hadden de tot op de dag van vandaag bestaande geraffineerde bevloeiingssystemen ontwikkeld. Later werd de scheepsbouw ontwikkeld. Evenals hun buren, de Polynesiërs, voerden zij met hun vlerkprauwen heel ver de zeeën op. Dit duidt op een goede kennis van navigatie. Er ontstond een intensief handelsverkeer met landen op het Aziatische continent, vooral met India. India fungeerde als belangrijkst tussenstation voor de handel met het Middellandse zeegebied. Het handelsverkeer met India werd van groot belang. Er was daar steeds meer vraag naar kostbare artikelen zoals parels, edelstenen, specerijen en dure houtsoorten. Hierdoor werd aan het begin van onze tijdrekening steeds meer Indiase invloed merkbaar in zuid oost Azië. Inheems verzet tegen de Nederlanders In het begin van de 19de eeuw werden inheemse tegenstanders door de Nederlanders opstandelingen, amokmakers, struikrovers, gifmengers, bandieten en schurken genoemd. De inheemse vijand was een veelkoppig monster dat verschilde van streek tot streek en zich verzette tegen het ´wettig´ gezag van Nederland. Zo werd bijvoorbeeld in de Java oorlog de leider van het verzet, Diponegoro, betiteld als hoofdmuiter. In gebieden waar het Nederlandse bestuur en het leger voor het eerst doordrongen en er helemaal geen ´wettig Nederlands gezag´bestond werd het inheemse verzet aangeduid als opstand tegen het gezag. Een kenmerk hadden alle inlandse vijanden gemeen, namelijk dat zij een ongeciviliseerde oorlogsvoering toepasten tegenover geciviliseerde Nederlandse troepen. Zij droegen geen uniformen en hadden geen militaire organisatie zoals de Europeanen dat kenden. Ze voerden een guerrilla oorlog en hielden zich niet aan de spelregels van de ´normale´ Europese oorlogsvoering. Hierdoor achtte men in de strijd met de inheemse vijand alles geoorloofd. Ja, en toen… gemengd bloed

Bevolkingsstatistieken toonden aan dat in het jaar 1880 er 56.903 Europese inwoners in Nederlands Indië woonden, voornamelijk op Java en voor het overgrote deel mannen. Op elke 1.000 mannen waren er 471 vrouwen. Aan te nemen valt dat de 529 alleenstaande mannen zich niet uitsluitend aan de onanie overgaven. Buiten Java en vooral op Deli was de situatie omstreeks 1.900 nog schrijnender. Hier woonden ongeveer 1.500 mannen tegenover circa 500 vrouwen. Vanwege het ruwe pionierskarakter van het verblijven op Deli werden Europese mannen afgeraden vrouwen mee te brengen. Het ongehuwd samenleven met een njai, oftewel concubine, was een geaccepteerd verschijnsel in de hele kolonie. De kinderen werden in sommige gevallen geëcht of door huwelijk´gewettigd´. Anderen werden half erkend door hen een naam te geven die ontleend was aan de omkering van de achternaam van de vader, zoals Nesnaj (Jansen) of Rhemrev (Vermehr). Maar het overgrote deel bleef naamloos. Als de verwekker terugkeerde naar Nederland of, als het een militair betrof, sneuvelde, verdween de ongehuwde moeder met haar Indo kinderen in de kampong zonder financiële middelen.

De gemiste afslag

De heenreis van de VOC schepen naar Azië duurde gemiddeld acht a negen maanden. Terug, dankzij gunstige zuidoostelijke winden en een kortere route, gemiddeld zeven maanden. De heenreis voer door het Kanaal de Atlantische Oceaan op. Om de harde tegenwinden bij de Afrikaanse kust ter hoogte van Senegal te vermijden, zeilde men via de Kaap Verdische eilanden de oceaan op richting Zuid Amerika. Vervolgens zeilde men in een grote boog in de richting van Kaap de Goede Hoop om daarna de gunstige westelijke winden gordel te benutten. Deze werd in 1610 door Henrick Brouwer ontdekt. Eenmaal op koers, zeilde men rechtstreeks door de Indische Oceaan in de richting van Java. Ten zuiden van Java sloeg men via de Soenda Straat af om Batavia te kunnen bereiken. Werd deze afslag gemist, dan zeilde men rechtdoor langs de zuidkust van Java om onherroepelijk terecht te komen nabij de barre west kust van Australië met zijn gevaarlijke riffen. Dit gebeurde met het bekende VOC schip “Batavia” dat op deze kust schipbreuk leed. De Batavia was een van de grote retourschepen die een enorme vuurkracht met een grote ladingscapaciteit combineerde. Een reconstructie van dit schip is in Lelystad.

Onafhankelijkheid voor de Nederlanden

De Spaanse landvoogd Fernando Alvarez de Toledo, hertog van Alva,  kwam in 1568 naar de Nederlanden om de ketterij uit te roeien en de Rooms-katholieke kerkelijke indeling te waarborgen. De tachtig jarige oorlog was begonnen. Al tijdens het hardvochtige bewind van Alva bestookten de watergeuzen vanaf hun kleine scheepjes de hoge Spaanse galjoenen en verdreven de Spanjaarden uit de Hollandse wateren. De inname van Den Briel in 1572 was het sein voor de algemene opstand in de noordelijke provincies. Onder aanvoering van prins Willem van Oranje verklaarden de Zeven Verenigde Provinciën zich in 1584 onafhankelijk van Spanje. Dit had grote gevolgen voor de handel in specerijen. De doorvoerhandel van specerijen was grotendeels in handen van de Hollanders. Zij haalden hun vracht op in Lissabon en verscheepten de specerijen naar de noordelijke landen. Het uitroepen van de onafhankelijkheid was voor de Spaanse autoriteiten aanleiding om alle havens van het Iberische schiereiland voor de Hollanders te sluiten. Nu moesten de Hollanders zelf naar “de Oost”.

De Ambonnezen in het K.N.I.L. (Koninklijk Nederlands Indisch Leger)

Na de verovering van de Molukse eilanden op de Portugezen  sloot de VOC een overeenkomst af met de stamhoofden waardoor de VOC het alleenrecht op de inkoop van specerijen verkreeg. Met harde hand werd dit beleid bijna twee eeuwen gehandhaafd. Gedurende het Engelse bewind onder Raffles ondervonden de Molukkers een andere variant van het kolonialisme. Herendiensten werden verminderd, voor producten werd er meer betaald en de kruidnagel monopolie werd versoepeld. Tevens werd een Ambonees soldatenkorps opgericht, dat een hoger soldij ontving. De terugkeer van de Hollanders in 1817 leidde tot een bloedige opstand in Saparua. De opstand sloeg over naar andere Molukse eilanden. De leider van de opstand was Thomas Matulessy, bijgenaamd Pattimura. Hij was een gewezen sergant uit Britse militaire dienst. De opstand werd met moeite hardhandig neergeslagen en Pattimura werd opgehangen. Hierdoor bleef er in de Molukken een sterke afkeer tegen de Hollanders. Tot omstreeks 1900 stuitte de werving van soldaten van de Molukken op grote tegenstand. Het merendeel van de soldaten bij het KNIL waren toen criminelen. Door het betalen van een hoger handgeld was er rond 1920  pas sprake van een toename van Amboneze soldaten bij het KNIL. In de tijd dat daarna volgde waren de Amboneze soldaten niet meer bij het KNIL weg te denken. Zij vochten zij aan zij  met Hollandse expeditielegers tegen de diverse opstandelingen in Indië

Het KNIL na 1830

Na de teruggave van de koloniën door de Engelsen, werd de formatie van het leger in Nederlands Indië vastgesteld. Het Europese deel van de troepen werd als ´Corps d´armee´ van het Nederlandse leger in Nederlands Indië gedetacheerd. Deze ´Indische brigade´ arriveerde in Batavia in 1816. Het besluit van 4 december 1830, dat de formatie van het Nederlands Indisch Leger   (NIL) regelde, was verantwoordelijk voor de scheiding tussen de legers in Nederland en Nederlands Indië. Deze reorganisatie betekende dat de gouverneur-generaal opperbevelhebber werd en de Indische landmacht een leger commandant kreeg. Net na de Java oorlog (1925-1930) werd de landmacht van Nederlands Indië gereorganiseerd. Dit was noodzakelijk omdat aflossing van de Koninklijke landmacht eenheden door nieuwe troepen vanuit Nederland niet of nauwelijks plaats vond. Een aanzienlijk percentage van de troepen bleef voortdurend in Indië. Het zou tot 1933 duren alvorens het predikaat  “Koninklijk” werd toegevoegd aan de naam van het Nederlands Indisch Leger. In een brief aan de Gouverneur-generaal onderstreepte de toenmalige minister van Koloniën, dr. H. Colijn, dat al in 1836 het predikaat door Koning Willem I was toegekend als opschrift op de vaandels van het leger in Nederlands Indië.

De ontdekking van Nieuw Guinea

Nieuw Guinea´s zuidkust werd voor de Nederlanders het eerst gezien door de kijker van Willem Janszoon. De VOC had in 1606 een expeditie uitgerust met het schip de “Duyfken”. De expeditie kreeg de opdracht om vanuit Bantam, ter hoogte van West Java, oostwaarts te varen om te onderzoeken of er onbekende gebieden waren, die vol met goud zaten. In 1616 voeren Schouten en Le Maire langs de gehele noordkust. Zij brachten de eilanden in kaart die later naar Schouten genoemd werden. In 1623 vertrok Jan Carstensz. vanaf de rede van Ambon in oostelijke richting. Via de Kei- en Aroe eilanden stuitte hij op de zuidwest kust van Nieuw Guinea. Een landing mislukte door een aanval van de Papoeas. Hierbij lieten een deel van de bemanning het leven. Hierna trok hij verder langs de zuidkust. In zijn scheepsjournaal beschreef hij de besneeuwde toppen van een hooggebergte. In Nederland werd hij uitgelachen. Het was onmogelijk dat er sneeuw kon liggen zo dicht bij de evenaar. In 1642 voer Abel Tasman langs de noordkust van Nieuw Guinea naar Nieuw Zeeland. Op de terugweg verkende hij dezelfde kust nogmaals en bracht het een en ander in kaart. De VOC had weinig interesse voor Nieuw Guinea. Het land bracht geen handelsproducten voort.

Hollanders als hekkensluiters

Onder leiding van Cornelis de Houtman en Piet Dirksz. De Keyzer vertrokken op 2 april 1595 vier schepen vanuit de haven van Amsterdam. Het waren de “Mauritius”, de “Hollandia”, de “Duyfken” en de “Amsterdam”. De reis was goed voorbereid. Bij twee Nederlanders die in Portugese dienst waren geweest, Jan Huygen van Linschoten en Dirk Jansz. Pomp alias ´China´, werd uitgebreide informatie ingewonnen. Beide mannen waren zeer goed bekend met Azië. Een jaar later, op 15 juni 1596, lieten de vier schepen het anker vallen in de baai van Bantam. De heenreis had zich gekenmerkt door interne ruzies, allerlei ziekten, gebrek aan leiding, verkeerde beslissingen en organisatorische wanorde. Na aankomst in de Indische archipel stapelden zich de problemen nog meer op door de botte houding van Houtman tegenover de Bantamse inheemse bevolking. Bovendien werden de meegebrachte Europese ruilproducten door de bewoners afgewezen. Daarnaast ondervond men enorme tegenwerking van de plaatselijke Portugese kooplieden.

Vroege nationalistische bewegingen

Steeds meer jongeren uit vooraanstaande Indische kringen volgden het westers onderwijs. Als gevolg hiervan opende zich de mogelijkheid voor goed opgeleide Indische jonge mannen functies te vervullen binnen de Europese maatschappij. De Europese maatschappij was niet voorbereid op de komst van deze afgestudeerde jonge mannen. De toegang tot de betere maatschappelijke functies was beperkt. Voor deze afgestudeerden werd de toegankelijkheid tot de betere functies in feite zwaar afgeschermd. De Indische elite begreep dat de weg naar inburgering in de Europese maatschappij moest worden afgedwongen. Om binnen te kunnen dringen in de elitaire Europese maatschappij zou gezocht moeten worden naar andere toegangsmogelijkheden. Tevens zou uitbreiding van het westers onderwijs voor Indische jongeren een pre zijn om langzamerhand terrein te winnen binnen de Europese samenleving. Er ontwikkelden zich emancipatie bewegingen. Deze waren toen nog belangengroeperingen van bepaalde Indische bevolkingsgroepen zoals de lagere Javaanse adel, Chinezen, Indo-europeanen, Islamitische handelaren, etc. Later zouden enkele van deze bewegingen uitgroeien tot nationalistische bewegingen die streefden naar de onafhankelijkheid van Indië.

De stichting van de stad Batavia

Batavia werd het bestuurscentrum van de Aziatische tak van het VOC. De stad was centraal gelegen tussen de verbindingswegen uit Europa, de straat Soenda, de straat Malaka  en de Zuid Chinese zee. Bovendien waren de Molukken niet ver verwijderd. Aanvankelijk was Jacatra (het huidige Jakarta) niet meer dan een versterkt pakhuis voor de opslag en bescherming van de VOC goederen. De dreiging van het machtige Bantam, dat van oudsher een belangrijke rol vervulde in de Aziatische peperhandel, en de vijandig gestemde Engelsen die hun overwicht op de Aziatische handel probeerden veilig te stellen, noodzaakte de VOC om haar vestiging in Jacatra te versterken. In 1618 brak er een conflict uit en werd de vestiging van de VOC door een grote overmacht van Engelsen, Bantammers en Jacatranen belegerd. Jan Pieterzoon Coen maakte gebruik van de onderlinge verdeeldheid onder de belegeraars en versloeg de vijand. Jacatra werd verwoest. De nieuwe stad Batavia werd gesticht in 1619. Op de plaats van het pakhuis werd het Kasteel van Batavia gebouwd met bestemming als opslagplaats van VOC goederen en een verblijfplaats voor het bestuur en het garnizoen. Aan de monding van de Tjiliwoeng rivier verrees op de linker oever het kasteel van Batavia. Het fort werd gebouwd volgens het zogenaamde veelhoekige fortificatiesysteem. De wallen werden aangelegd langs de zijden van een vierhoek. En op de hoeken werden de wallen doorbroken door vijfhoekige bastions. Vanaf deze bastions had men een perfect zicht op alle wallen. Daardoor had de artillerie een zo groot mogelijk schootsveld. Het ontwerp van heet kasteel werd uitgevoerd volgens de nieuwste richtlijnen van Simon Stevin, een mathematicus en vestingbouwkundige. Hij nam de ideeën over van Italiaanse architecten, die zich de Italiaanse renaissance  bezig hielden met het ontwerpen van een “Cite ideale “. Binnen de wallen van het kasteel bevonden zich grote pakhuizen met VOC goederen, de gebouwen van de bestuursambtenaren en de woningen van hoge bestuursambtenaren. Tevens was in het Kasteel het garnizoen gelegerd.

West Timor

De VOC verdreef de Portugezen uit een gedeelte van Timor vanwege de handel in sandelhout. Sandelhout was gewild om de etherische olie van het hout. Een viskeuze geelbruine olie die werd toegepast bij het produceren van parfums en de fabricage van zeep. Kupang, de beste haven van Timor, werd omstreeks 1650 veroverd op de Portugezen. Omstreeks 1750 trokken de Portugezen zich halverwege het eiland terug. Dit werd de grens tussen Nederlands en Portugees Timor, en men liet het voor wat het was. Zowel Nederland als Portugal liet het beheer van het ruige binnenland over aan de vele inheemse koninkrijkjes. Nederland liet ook toe dat aan de noordkust van het eiland een Portugese enclave bleef bestaan binnen het Nederlandse grondgebied. Hier in ´Oeikoesi´ woonden nazaten van Portugezen die zich indertijd hadden verzet tegen de VOC. De ingenomen posities leidden tot grensgeschillen. Men trachtte de grens tussen de beide landen vast te leggen in de verdragen van 1854, 1859, 1893 en 1904. Telkens zonder succes. Als eindelijk op 1 november 1916 het langst durende grensgeschil uit de Nederlandse koloniale geschiedenis beëindigd is, wordt tevens voorzien in de definitieve afbakening van Oeikoesi, dat Portugees bleef.

De Banda eilanden voor de komst van de Europeanen

Weinig is bekend over de oorspronkelijke inwoners van de Banda eilanden voor de komst van de Europeanen. Wel is bekend dat ze leefden in kleine dorpjes langs de kust en dat ze de Islam bedreven. De dorpen werden geleid door ´Orang Kaya´, de traditionele dorpshoofden. De dorpelingen leefden van de opbrengst van nootmuskaat en foelie, het vlies van de noot. De specerijen werden verkocht aan Chinese en Arabische handelaren die het doorverkochten in Azië en Europa. Bij elke verkoop steeg de waarde met honderd procent. De Banda eilanden waren de enige leverancier van deze specerijen in de wereld, met als gevolg dat zij het doelwit werden van handelsnaties zoals Portugal, Engeland en Nederland. De Portugezen waren de eerste die ten tonele verschenen. Zij maakten een overeenkomst met de sultans van Ternate en Tidore. Van Tidore was kruidnagel afkomstig. Hierdoor kregen de Portugezen vaste voet in de Molukse specerijhandel. Bijna negentig jaar dreven de Portugezen in alle rust handel in de Molukken tot in 1599 vice-admiraal Jacob van Heemskerk met zijn schepen de Gelria en de Zeelandia de Banda eilanden aandeed en op het grootste eiland, Lonthor, een handelspost stichtte. De stichting van Hollandia op Nieuw Guinea

In september 1909 bivakkeerden een detachement militairen aan de kust van Nieuw Guinea. Zij moesten voorafgaande werkzaamheden verrichten t.b.v. de Nederlandse-Duitse grensregeling commissie, omdat het noordoostelijk deel werd opgeëist door Duitsland. De Duitse militairen noemde hun bivak ´Germania´. In navolging hiervan doopte kapitein Sachse het Nederlandse bivak aan de Humboldtbaai in naam der koningin ´Hollandia´. Op 7 maart 1910 werd overeengekomen dat de grens met het Duitse deel zou lopen volgens de 141ste meridiaan O.L. in de loop van de jaren groeide de militaire nederzetting uit tot een klein dorpje. De bestuursambtenaar ging er wonen. De zending vestigde eer een school en een kerk. Later werd een postkantoor gebouwd met een radio zend- en ontvangst installatie. Er kwam een politie kazerne met een gevangenis, een hospitaal, een pasangrahan, een moskee, Chinese winkels en stenenhuizen met sirappen daken. De jaren verliepen in gezapigheid. Pas in 1938 werd de rust aangenaam verstoord door de komst van de derde Archbold expeditie die de noord flank van het Sneeuwgebergte wilde exploreren. Dit was nog een witte plek op de kaart van Nieuw Guinea.
De Javaanse koninkrijken Shailendra en Mataram

Op midden Java ontwikkelden zich tussen de 8ste en de 10de eeuw twee grote dynastieën. Het Boeddhistische Shailendra en het Hindoeïstische Mataram. Onder de Shailendra dynastie werd ten noorden van Djokjakarta het beroemde Boeddhistische monument de Boroboedoer gebouwd. De sporen van het Hindoeïstische rijk Mataram vinden we terug in de tempel ruines op het Dieng plateau en het aan de goden Siwa, Brahma en Wisnu opgedragen tempel complex Prambahnan. De dynastie van Shailendra werd aan het einde van de 8ste eeuw ondergeschikt gemaakt aan het Sumatraanse grootrijk Sriwijaja. Hierdoor strekte het machtsbereik van Sriwijaja zich nagenoeg over de gehele archipel uit. Het Mataramse rijk verplaatste om tot nu toe onbekende redenen zijn machtscentrum in oostelijke richting, zonder aan invloed te hoeven inboeten. Het groeide onder de laatste koning Airlangga uit tot een machtig rijk, dat later ook Bali omvatte. Onder zijn bewind werden waterwerken voor de landbouw gebouwd.

De eerste vlucht naar Indië

Je moest in het begin van de jaren ´20 een idealist zijn om te dromen van een vliegreis naar Indië. Thomassen a Theussink van der Hoop, gezagvoerder bij de KLM, was dat in ieder geval en hij liep al jaren met dat stoutmoedig idee rond. Eindelijk kreeg hij toestemming om zijn ideaal waar te maken. Onder grote belangstelling steeg op 1 oktober 1924 de eenmotorige Fokker F8 van Schiphol op met een driekoppige bemanning. Naast van der Hoop waren dit luitenant vlieger van Weerden Poelman en boordwerktuigkundige van den Broeke. Na twee dagen, boven Bulgarije, begaf de radiateur het plotseling en van der Hoop moest een noodlanding maken. Door de klap van het landen bezweek het landingsgestel en de motor werd vernield. Was dit het einde van de tocht? Nee. Vanuit Nederland werd onmiddellijk een nieuwe Rolls Royce Eagle motor aangevoerd en door meegereisde technici van Fokker gemonteerd. De reis werd op 2 november hervat. Ondanks vele technische problemen lande het toestel zonder nodeloos oponthoud bij Batavia op 24 november. De bemanning waren de nieuwe nationale helden.

Op 18 december 1933 vertrok vanaf Schiphol wederom een Fokker F XVIII, genaamd de “Pelikaan” voor een retourvlucht Amsterdam- Batavia v.v. Het was een speciale postvlucht van de KLM om de concurrentie te laten zien waartoe zij in staat was. De gezagvoerder was Iwan Smirnoff, een ervaren piloot, die zijn sporen als jachtvlieger in dienst van de Tsaar had verdient. Hij was na de revolutie Rusland en het communisme ontsnapt. Sinds 1922 was hij in dienst van de KLM. Het vliegtuig had een bemanning van 6 koppen. Naast Smirnoff bestond de crew uit co-piloot Piet Soer en werktuigkundige Chef.

Het grootrijk Sriwijaja

Het pas ontstane rijk Malayu op Sumatra werd al snel opgeslokt door zijn buurstaat Sriwijaja, die ook het zuidelijke deel van het Maleisisch schiereiland veroverde. Tegen het einde van de 7de eeuw ontstond dus een zeestaat die sterker was dan alle andere staten in de archipel. Vanuit de hoofdstad Palembang controleerde dit rijk een groot deel van de handel in zuidoost Azië. De belangrijke Straat van Malakka tussen Sumatra en het Maleisisch schiereiland werd door Sriwijaja gecontroleerd. De internationale handel was voornamelijk in handen van de Tamils uit India en van de Chinezen. Kooplieden uit Arabie, Perzie en India brachten goederen voor lokale producten en goederen uit China en de specerij eilanden. Uit China kwamen zijde, porselein, en Chinese rabarber, befaamd vanwege zijn medicinale eigenschappen. Deze producten werden geruild tegen ivoor, schildpadschilden, rinoceros horens, kruidnagel, kardemon, peper, parels, koraal, kamfer, barnsteen en parfum. Er werd ook gehandeld in kostbaar hout zoals eboniet en kamferhout. Sandelhout, ebbenhout, ivoor, tin en specerijen werden geëxporteerd naar Arabie. Sriwijaja wist zijn grondgebied tot een groot deel van Java uit te breiden en bleef tot het einde van de 13de eeuw zijn macht als grootrijk handhaven.

De kolonisatie van Nieuw Guinea

De eerste pioniers arriveerden in Nieuw Guinea in november 1930. Zij woonden in zelfgebouwde dorpjes met namen als Abelsdorp, Bijslag, Julianadorp, en Weversdorp en verkeerden meestal in belabberde omstandigheden. Ondanks dat velen teleurgesteld naar Java terugkeerden was de kolonisatie geen mislukking. De wilskracht en het idealisme van de overgebleven kolonisten waren daarvoor te sterk. De meeste waren goedwillende dilettanten, maar de volgende generatie was opgegroeid in een landbouw omgeving waardoor het landbouw beroep hun aangeboren was. Zij konden de landbouw met meer liefde en inzicht beoefenen. Toch heeft de kolonisatie van voor de 2de Wereldoorlog, ondanks alle tegenslagen, zijn vruchten afgeworpen. Zonder gedegen voorkennis van de grond en een betere selectie van het mensenmateriaal zou het nooit lukken. Naar aanleiding hiervan besloot de Nederlandse regering exploratie- en bodem verkenningsexpedities naar de omgeving van Hollandia te sturen. Dit gebeurde in de jaren 1931, 1932, 1938 en 1941. Door dit wetenschappelijk onderzoek in de noordoost hoek van Nieuw Guinea werden er meer en betere terreingegevens bekend dan van andere gebieden op Nieuw Guinea.

De groei van Batavia

Batavia groeide in de 17de en 18de eeuw uit tot een van de mooiste steden in Azië en werd ´De Koningin van het Oosten´ genoemd. Batavia werd gesticht door Jan Pietersz. Coen. Als eerste werd het kasteel op de ruines van Jacatra gebouwd. Het dominerende bouwwerk werd gebouwd volgens de richtlijnen van Simon Stevin. De latere stadsuitbreiding vond eveneens plaats volgens de richtlijnen van Simon Stevin. De stad werd gebouwd volgens een schaakpatroon met rechthoekige huizenblokken gelegen aan rechte straten en grachten. Met het oog op de brandveiligheid werd een voorschrift uitgevaardigd dat de woningen alleen van baksteen gebouwd mochten worden. De bouwmaterialen zoals bakstenen, dakpannen, hardstenen, marmeren vloertegels en vensterglas werden gedeeltelijk vanuit de Molukken aangevoerd. De rest werd vanuit Nederland verscheept en diende als ballast voor de schepen die meestal vrijwel leeg naar Azië voeren. Langs de brede straten en grachten werden statige woningen gebouwd in Hollandse stijl. Het waren grotendeels getrouwe kopieën van de woningen in het vaderland en ongeschikt voor bewoning in de tropen. De aanleg van de grachten was eveneens typisch Hollands. De aarde van de grachten werd gebruikt om de wallen van de stad op te hogen. Gedurende de regentijd werden de grachten gebruikt als een afwateringsysteem.

Radiotelegrafie in Indië

Voor de radio het berichtenverkeer tussen de eilanden overnam was men aangewezen op betrouwbare telegraafverbindingen. Om een telegraafdienst in te richten voor de archipel waren telegraaflijnen en zeekabels nodig. Rond 1922 had het Indische zeekabelnet een lengte van 12.500 kilometer bereikt. Zeekabels waren in aanschaf en onderhoud zeer kostbaar, en hadden een korte levensduur. Dit gaf aanleiding tot het zo snel mogelijk overstappen naar de snel ontwikkelde radiotechniek. Het gebruik van korte golf zenders en ontvangers gaf, gezien de lange afstanden, betere resultaten en was minder kostbaar. Op vele plaatsen in de buitengewesten werden een of meer zenders en ontvangers opgesteld. Hierdoor kon men over en weer communiceren. Batavia werd het centrum voor de radio verbindingen. De installaties stonden op de Bandoengse hoogvlakte opgesteld en communiceerden met de grote plaatsen in de buitengewesten, zoals Medan, Makassar en Menado. De installaties in deze plaatsen dienden op hun beurt als tussenstation voor de kleinere plaatsen. Rond 1940 waren de landlijnen en het zeekabelnet in de archipel geheel vervangen. Hongi tochten

Gedurende de periode dat de VOC de Molukse eilanden in een ijzeren greep hield, werden op bevel van de gouverneurs ‘hongi’ tochten ondernomen. Deze tochten werden ondernomen om toezicht te houden op de aanplant van nootmuskaat- en kruidnagelbomen. Tevens kon men het vervoer van de producten onder controle houden. De hongi tochten zijn genoemd naar de platte oorlogsprauwen die in die tijd in de Molukken een groot gevaar waren voor de hogere en trage zeilschepen van de Hollandse vloot. De inheemse bevolking plantte de vruchtbomen clandestien op verstolen plaatsen. Hierdoor kon de smokkel van de vruchten soms ernstige vormen aannemen. Indien de bomen buiten de geregistreerde plantages werden aangetroffen, werd de aanplant grondig vernield. Overvloedige aanplant kon de VOC financieel ernstig benadelen en het vernielen van de clandestiene aanplant was noodzakelijk om de prijs op de Europese markt op peil te houden. Hongi tochten werden ook ondernomen om geschillen tussen de verschillende bevolkingsgroepen op te lossen en de inwoners, Alfoeren en Makassaren, te straffen. De hongi tochten werden in 1824 afgeschaft .

Het ontstaan van het Hof van Pakoe Alaman

Tijdens het Engelse bewind kwam sultan Hamengkoe Boewana de Tweede van Djokjakarta in conflict met de Engelsen. Luitenant gouverneur Sir Stamford Raffles stuurde strijdkrachten en stelde de sultan een ultimatum waarin zijn aftreden werd geëist t.b.v. zijn zoon. De Engelsen werden in het conflict bijgestaan door een oom van de sultan, prins Natakoesuma. De sultan weigerde het ultimatum te aanvaarden, waarna zijn kraton door de Engelsen werd ingenomen. De sultan werd afgezet en met twee van zijn zonen verbannen naar Penang op Maleisië. Krachtens een besluit van Raffles werd, als tegenwicht van het sultanaat Djokjakarta, op 1 maart 1813 een onafhankelijk vorstendom met een apart grondgebied gesticht. De naam van het vorstendom was Pakoe Alaman en de broer van de afgezette sultan, Pangeran Natakusuma werd tot vorst Pakoe Alam de Eerste verheven. Het vroegere koninkrijk Mataram was nu definitief verdeeld in twee grote en twee kleine vorstendommen. De opeenvolgende vorsten van Pakoe Alaman hebben zich faam verworven als de meest verlichte vorsten van de Javaanse vorstendommen. Dat gold niet alleen op financieel en agrarisch gebied, maar ook op het gebied van onderwijs en geestelijke zorg voor de jeugd. Bijna alle kinderen van dit huis hebben westers onderwijs genoten. In 1937 werd Pakoe Alam de Achtste geïnstalleerd. Later werd hij gouverneur van Yogyakarta. Veel is veranderd sinds het ontstaan van de Republiek. De vorsten regeren nu slechts over hun paleis en hun familie.

De Mardijkers

De eerste groep Mardijkers waren afkomstig uit India. Het waren meestal soldaten die in de Portugese en Spaanse oorlogen gevangen genomen waren en daarna in aparte compagnieën werden ondergebracht of als slaven werden verhandeld. Na het vrijkomen uit de slaven status werden ze aangeduid als Mardijkers ( in vrijheid gestelden). Allen hadden zich tot het christendom bekeerd. Eerst tot het Rooms katholieke geloof en in de 17de eeuw tot het Protestantisme. Ze kleedden zich Europees en spraken een Creool Portugees. Later werden ze aangevuld met vrijgelaten slaven afkomstig uit de Indonesische archipel. Hieronder waren Bandanezen, Ambonezen, Makassaren, Buginezen,  Balinezen en nog andere volkeren. Hierdoor kreeg de Indonesische cultuur steeds meer invloed. Toch bleef heel lang het Creool Portugees de voertaal. In 1670 werd voor de Mardijkers in Batavia de Portugese kerk gebouwd. Vanwege hun christelijk geloof kregen zij bepaalde privileges in de stad, zoals recht op armenzorg en scholing. De meerderheid was in dienst van de VOC als soldaat, arbeider of klerk.

Batavia, een Europese stad

Het lag niet in de bedoeling van de VOC om vanuit Batavia het eiland Java te veroveren. Tot ver in de 17de eeuw hadden de Compagnie werknemers in Batavia geen notie van het omringende achterland. Buiten de wallen had men niets te zoeken. De blik was op zee gericht. Het voedsel werd overzee aangevoerd met eigen schepen uit Europa, met jonken en prauwen uit Mataram op Java en vanuit India en Thailand. Naar de ideeën van de roemruchte stichter van de stad, Jan Pieterszoon Coen, moest Batavia een overwegend Europese stad worden. De bevolking zou uit mannen en vrouwen moeten bestaan die voornamelijk uit Holland kwamen. Het zou een Europese kolonie moeten zijn. Op die manier, zo dacht hij, zou eer een elite klasse van vrije burgers ontstaan die onder streng toezicht van de VOC de inter-Aziatische handel kon beheersen. Dit bleek niet haalbaar. Indiensttreding bij de VOC was in Nederland niet populair. Een poging om alleenstaande vrouwen en weesmeisjes te laten overkomen mislukte. Het zedelijke karakter van de vrouwen en meisjes bleek niet te kunnen leiden tot een vaste gezinsopbouw.

Het ontstaan van de vorstendommen Djokjakarta, Soerakarta en                            Mankoenegara

Sinds 1742 heerste Pakoe Boewana de Tweede, de Soesoehoenan van Soerakarta, over het koninkrijk Mataram. De steun van het Nederlandse gezag was hierbij noodzakelijk, omdat ontevreden familieleden van de koning nog altijd oorlog voerden tegen de VOC en daarmee ook tegen Pakoe Boewana de Tweede. Bij het overlijden van Pakoe Boewana de Tweede in 1749 wakkerde de oorlog opnieuw aan toen de VOC zijn zoon als wettelijke opvolger erkende. Directe familieleden van de nieuwe vorst, Pakoe Boewana de Derde, schaarden zich met hun aanhang onder een oom van de nieuwe vorst. De oom liet zich in Djokjakarta uitroepen tot Soesoehoenan van Mataram. Het paste de VOC in hun verdeel- en heerspolitiek het rijk van Pakoe Boewana de Tweede na zijn dood te verdelen onder de ruziënde belanghebbers. De VOC bewerkstelligde een verdeling van het rijk tussen de zoon, zijn oom en een neef, Mas Said genaamd. Het koninkrijk Mataram werd in 1755 definitief in drie vorstendommen gesplitst. De Kesoesoehoenan van Soerakarta onder Pakoe Boewana de Derde, de Kasoeltanan van Djokjakarta onder Hamengkoe Boewana de Eerste en het kleinere vorstendom van Mangkoenegaräan onder Mas Said. Dit laatste vorstendom kwam tot stand in 1757. Koeboe

Vermoedelijk zijn de Koeboe afkomstig uit India of Sri Lanka. Zij worden beschouwd als de oudste inwoners van Sumatra. Eeuwen geleden trokken ze de oerwouden van centraal en zuid Sumatra in. Zoveel mogelijk vermeden zij contact met de inwoners van de omringende Islamitische sultanaten, om zich op die wijze te ontrekken aan onderwerping. Als bosnomaden leefden zij in kleine groepen van vijftien tot dertig personen. Hun onderkomens waren slechts een bladerdak op palen in de buurt van een riviertje. De mannen maakten jacht op wilde zwijnen, apen, bosschildpadden en andere kleine dieren. Zij gebruikten voor de jacht eenvoudige houten speren met een ijzeren punt of valstrikken. Muziekinstrumenten, dansen en liederen waren bij de Koeboe onbekend. De Koeboe wast zich nooit, het vuil werd met bladeren afgewreven. De huid van de Koeboe is vaak schurftig, hard en vol huidaandoeningen. Ook een natuurgeneeswijze is de Koeboe totaal vreemd. Nu nog leven er tientallen families als nomaden in het oerwoud. De meeste Koeboe hebben zich gevestigd in de omgeving van Jambi. De mannen werken in de rubbertap of houtkap tegen betaling van afgedankte kleren, zaklantaarns, sarongs en tabak.

De Chinese emancipatie beweging

Het Indische gouvernement had omstreeks 1900 een aantal maatregelen ingesteld om de Chinese handelsactiviteiten in te perken. De traditionele functies in de opium handel (bereiding en verkoop) en het drijven van pandhuizen werd door het gouvernement overgenomen. Zij mochten niet zonder pas reizen, waardoor hun bewegingsvrijheid werd beperkt. Zij werden gediscrimineerd t.a.v. het nieuw ingestelde onderwijs en opleidingen. De van oudsher gemengde Chinese bevolkingsgroep, de peranakan (nakomelingen) Chinezen, die gedurende het VOC tijdperk tot stand kwam, en een belangrijke functie vervulde in de handel tussen Nederland en Indië, zag zich voor het blok geplaatst. Er ontstonden Chinese handelsverenigingen die ook allerlei grieven en klachten behandelden. De verenigingen hadden succes. Het gouvernement gaf toe en hief het embargo op voor toetreding tot inheemse en Europese scholen. In 1908 werd een Hollandse Chinese school opgericht. Het succes van de Chinese emancipatie beweging kreeg in Indonesië grote invloed, omdat hiermee was aangetoond dat een etnische bevolkingsgroep met medewerking van de koloniale overheid een doeltreffend instrument bleek te zijn.

De Chinese goud Kongsi´s (samenwerkingsverbanden) op Borneo

Aan de westkust van Borneo, ongeveer twee honderd kilometer boven Pontianak, ligt een gebied waar Chinezen op zoek naar goud en diamanten zich ver voor de komst van de Nederlanders hadden gevestigd. In de loop van de tijd verenigden de Chinezen zich in vijf grote Kongsi´s. De Kongsi´s groeide langzamerhand uit tot kleine republiekjes met een eigen bestuur, rechtspraak en leger. Montrado fungeerde als hoofdplaats. Het lag ongeveer veertig kilometer van de kust verwijderd. De goudmijnen van de afzonderlijke Kongsi´s met namen zoals Ha-bok, Sing-bok en Sjong-bok lagen verspreid. Elk Kongsi huis, een soort raadhuis, was een versterkte vesting bewapend met lichte kanonnen. De Kongsi´s waren voortdurend in conflict met elkaar of met de sultan van west Borneo. In 1850 besloot het koloniale gouvernement in te grijpen. De expeditielegers ondervonden heftige tegenstand van de naar schatting 7.000, gewapend met scherpe dubbelzijdige zwaarden, Chinezen. Er vonden bloedige gevechten plaats. In 1854 werd Montrado veroverd door een Nederlandse en Indische troepenmacht. De Chinezen legden de stad helemaal in de as. Nu verplaatste de strijd zich naar het oerwoud. Eindeloze achtervolgingen, met behulp van Dajaks, duurden voort. Aan beide kanten werden wrede strijdmethoden toegepast. Pas in 1884 werd de laatste Kongsi bedwongen. Alle in west Borneo woonachtige Chinezen ressorteerden nu onder koloniaal bestuur.

Het Padangse hoogland

Rondom de stad Padang strekt zich het Padangse hoogland uit, een van de meest fascinerende Indonesische landschappen. Het dominerende hooggebergte de Bukit Barisan, de ruggengraat van Sumatra, loopt van noord naar zuid. Rondom de stad Padang wisselen hoge vulkanen, vruchtbare vlakten en dalen, diepe ravijnen en canyons met een dicht oerwoud en blauwe kratermeren elkaar af. Het landschap is uniek. Dit is het land van de Minangkabau. Zij bouwen hun woningen met een zadeldak waarvan de punten de horens van de karbouw voorstellen. De huizen zijn op palen gebouwd en versierd met bont beschilderd houtsnijwerk en dierenkoppen. Met hun veelkleurige bloemmotieven op een rode achtergrond behoren de huizen van de Minangkabau tot de meest decoratieve in Indonesië. Een andere lezing over de zadeldaken van Minangkabau was, dat de punten van deze daken de punten van het achter- en het voorsteven van de prauwen voorstelden, waarmede de eerste Minangkabau-ers van Zuid China en Achter Indië naar Oost Indië voerden.

De Minangkabau-er kijkt neer op tahoe en tempeh, zij eten het liefst rundvlees. Rendang, drooggekookt rundvlees in kokosmelk en lombok, is het karakteristieke en onmisbare gerecht in de west Sumatraanse keuken. Wie goed en snel wil eten gaat naar een Padangs eethuis. Een keuze hoeft men vooraf niet te maken want talrijke gerechten worden meteen op tafel gezet. Na afloop rekent men alleen af wat er is gegeten. De west Sumatraanse keuken is over het algemeen hartig, kent zware lang gekookte gerechten en is door toepassing van lombok, rawit en peper erg heet.

Bandoeng en de Grote Postweg

Waar de Tjikapoendoeng rivier uitmondde in de Tjitaroem rivier moet vroeger een klein dorpje hebben gelegen genaamd Bandoeng. De bewoners leefden van de landbouw. De grond in dit gebied was zeer vruchtbaar. Het gebied was eigendom van het vorstendom Bupati´s Wiranatakoesoemah. Halverwege de 17de eeuw arriveerden de eerste Europeanen vanuit Batavia en nestelde zich op de vruchtbare grond in het achterland. Omstreeks 1786 was de weg van Batavia naar Bandoeng voltooid. Begin 1800 kreeg de Gouverneur generaal, Hein Willem Daendels, de opdracht van koning Lodewijk Napoleon om de verdediging van Java te verbeteren. Dit om een eventuele aanval van de Engelsen te kunnen afslaan. Langs de kust zouden verdediging worden gebouwd een bevoorradingsweg van Batavia naar Cheribon. Helaas waren de kustgebieden te moerassig voor de aanleg van een weg, en besloot men een weg aan te leggen door de Preanger Hooglanden. In 1809 werd niet ver van het dorpje Bandoeng begonnen met de aanleg van de Grote Postweg die Java van oost tot west doorsneed. Door het besluit van 25 mei 1810 werd het dorpje Bandoeng op bevel van Daendels verplaatst naar de kruising van de in aanleg zijnde Grote Postweg en de Tjikapoendoeng elkaar kruisten. Dit was het ontstaan van de stad Bandoeng.

De VOC en de Aziatische handelsmethoden

De VOC was als handelsorganisatie in Azië niet uit op het veroveren van grote gebieden. Met politieke en militaire methoden trachtte de VOC de bestaande Portugese en Spaanse handelsroutes over te nemen en hun steunpunten te bezetten Om de commerciële belangen zo goed mogelijk te behartigen maakte de VOC afspraken met Aziatische vorsten, die in hun eigen vorstendom alleenheersers waren. Dit systeem was onvergelijkbaar met de Europese politieke systemen. De afspraken die de Aziatische vorsten maakten met buitenlandse handelaren waren: -De economische variant In ruil voor financiële vergoedingen bood de vorst  de buitenlandse handelaren bescherming en gaf toestemming om commerciële activiteiten te verrichten; -De politieke en militaire variant Lokale vorsten sloten met de buitenlandse handelaren een bondgenootschap tegen een gemeenschappelijke vijand. Militaire steun en bescherming werden geleverd tegen contracten voor leveranties van producten. -De vorsten beschouwden de contracten als tijdelijk voor alleen de toegezegde leveranties. De zogenaamde monopolies waren niets anders dan de afgesproken leveranties tegen vastgestelde prijzen. Twee compagnieën Afrikanen, geworven in Goudkust, vormden onderdeel van de troepenmacht. De lokale troepen, Javanen en Ambonezen, noemden deze Afrikanen ´belanda item´ of zwarte Nederlanders vanwege hun bijbelse en Nederlandse namen zoals Mozes, Jodocus, Johannes etc.

Radiotelefonie

Na de radiotelegrafie ontwikkelde zich de radiotelefonie in een snel tempo. In maart 1927 werd voor het eerst een stem uit Nederland in Indië gehoord. In mei van dat jaar was het gesproken woord uit Indië duidelijk hoorbaar in Nederland. Op 8 januari 1929 werd het radiotelefoonverkeer tussen Nederland en Indië en omgekeerd voor het publiek opengesteld. Gelijktijdig werd in Nederland de verbinding met Indië officieel opengesteld en werden ´Indië cellen´ geïnstalleerd in de grote steden. De PTT zag het historische belang van deze gebeurtenis in en heeft de persoonlijke ervaringen van de eerste sprekers vastgelegd in het boekje “Hallo Bandoeng, hier den Haag”. In 1931 werd in Medan een radiotelefoniestation in gebruik genomen waardoor telefoonverkeer mogelijk werd tussen Java en noord Sumatra. Abonnees in noord Sumatra konden ook verbonden worden met Nederlandse abonnee´s en met alle landen waar Java mee verbonden was. Door het plaatsen van nieuwe radiotelefoniezenders kon het telefoonnet zich over de gehele archipel uitbreiden.

De Marineluchtvaartdienst (MLD) rond 1940

Nederlandse jongens in Indië die de leeftijd van achttien jaar bereikten werden net zoals in Nederland dienstplichtig. Indien de dienstplichtige voor de Marine en de Marine Luchtvaart Dienst (MLD) koos, volgde hij eerst een algemene opleiding van drie maanden in de marine kazerne Goebeng in Soerabaja. Daarna werd hij overgeplaatst naar het marine vliegkamp Morokrembangan eveneens in Soerabaja. De opleidingen waren metaalbewerking, houtbewerking, motoren en onderdelen. Na deze opleiding werd men overgeplaatst naar de vliegtuigen van de MLD. Rond 1940 vloog de MLD met vliegboten en watervliegtuigen. De MLD bezat 42 Dorniers, een vliegtuigboot die diende als verkenner en bommenwerper. 21 Fokker vliegtuigen die dienden als verkenners en bommenwerpers, en 47 Ryan trainingsvliegtuigen. Het Nederlands Indisch grondgebied had een lengte van 5.000 kilometer van oost naar west, en 2.500 kilometer van noord naar zuid. Om de omvangrijke wateren in dit gebied te kunnen controleren bestonden er 145 steunpunten. Ze lagen, rekening houdend met het vliegbereik van de verschillende MLD vliegtuigen, verspreid op strategische plaatsen binnen de archipel. Begin 1940 werden 15 groepsvliegtuigen (GVT´s) gevormd. Dit waren groepjes van drie vliegtuigen die elkaar moesten beschermen. Verdeeld over diverse locaties voerden deze vliegtuigen verkenningen uit boven de diverse deelgebieden.

Boodschappen komen pas twee jaar later aan

De VOC scheepsverbinding op de bestaande zeeroutes tussen Nederland en de Oost kon, afhankelijk van de heersende winden, alleen op bepaalde tijden van het jaar plaats vinden. Jaarlijks vertrokken er drie vloten uit Nederland naar Azië.

• De Kerstmisvloot vertrok in september en arriveerde rond maart of april van het volgende jaar in Batavia. • De Kerstmisvloot vertrok in december of januari en arriveerde in juni van datzelfde jaar. • De Paasvloot vertrok in april en arriveerde in oktober van datzelfde jaar in Batavia.

Na gelang van de Nederlandse binnenlandse vraag en de resultaten van de veilingen voor Aziatische producten gaven de Heren Zeventien bestellingen mee aan de vloten. Tussen de bestelling en de aflevering van de producten in Nederland was een tijdsspan van ongeveer twee jaar. Een bestelling meegegeven met de Kerstvloot van december 1700 kwam omstreeks de zomer van 1701 aan in Batavia. Als alles probleemloos verliep werden de goederen meegenomen door een van de twee retourvloten. Die van december 1701 die in Nederland aankwam in de zomer van 1702 of die van april die ongeveer eind 1702 arriveerde.

De Badui (Orang Kanekes)

De Badui is een volkstam die wonen op de hellingen van de Paglaran in het zuidoosten van Bantam (Lebak) op west Java. Vermoedelijk zijn de Badui uitgeweken naar de ondoordringbare binnenlanden van Bantam gedurende de opkomst van de Islam op west Java. Hun godsdienst vertoont Hindoe invloeden, maar vooral oud Javaanse invloeden van voor de Hindoe periode. De hoofddesa heet Kanekes. Uiterlijk verschillen zij niet veel van de andere Indonesiërs. Ook hun zeden en gewoonten tonen weinig verschil. De naam Badui is waarschijnlijk afkomstig van het woord voor Arabische woestijnbewoners, Beduwa. Ze leiden een sober en eenvoudig leven doen aan voorouderverering. Zij passen besnijdenis toe hoewel zij geen Moslims zijn. De dorpshoofden dienen blijkbaar ook als geestelijken. Zij heten Pu-un. De leider van de Pu-uns is de Pu-un girang. Hij woont bij de overledenen en is het medium voor de voorouderverering. In de desa Kanekes ressorteren drie kleinere dorpen. In deze dorpen mogen slechts veertig gezinnen wonen, de Binnen Bandui. Overtallige gezinnen moeten verhuizen en heten de Buiten Bandui. De Buiten Bandui hebben meer contact met de omwonende moslim bevolking. Lief en leed

Samenleven of trouwen met Indonesische vrouw stelde een Europese man vaak voor het probleem in welke cultuur de kinderen zouden opgroeien. Door het verwekken van kinderen voelden sommige Europese vaders zich moreel verplicht om bij zijn inheemse vrouw te blijven wonen. De vaders wilden dat de kinderen werden opgenomen in de Europese gemeenschap, maar de meeste moeders wilde de kinderen naar de kampong meenemen. Daarnaast bestond de mogelijkheid dat de moeder niet de morele verplichting voelde zoals de vader. Zij verdween dan  met de kinderen. De vader kon vanwege een regeringsbesluit de kinderen ´erkennen´ en later ´wettigen´. Hierdoor kreeg de vader de ouderlijke macht over een kind, en werd de moeder ontzet. In het aanvraagformulier voor erkenning stond een clausule waarin de moeder de man erkende als de vader en het kind aan hem afstond. Indien de vader en moeder trouwden kon het kind “gewettigd” worden door een Europese ambtenaar. Hiervoor was het noodzakelijk dat een Indonesische geestelijke een verklaring zou afleggen dat de vrouw ongehuwd was. Het was de gewoonte dat Indonesische meisjes conform adatregels, al op zeer jonge leeftijd werden uitgehuwelijkt.
De Europese bevolking van Batavia

Pogingen om van Batavia een Europese stad te maken mislukte door te weinig animo vanuit Holland en de slechte ervaringen met de overgekomen Hollandse vrouwen en meisjes. Daarom was het beleid van de VOC voor compagniedienaren om samen te wonen of te trouwen met Aziatische vrouwen of mestizo vrouwen. De laatste waren dochters van een Europese vader en een Aziatische moeder. Later werden deze vrouwen Indo-europese of Indische vrouwen genoemd. De VOC had voor ogen om in ieder geval een blijvende toplaag te creëren die loyaal de handel voor de VOC zouden uitvoeren. De Portugezen hadden dit probleem in de havensteden op dezelfde manier opgelost. In de zeventiende en achttiende eeuw waren de nieuw aangekomen Europeanen grotendeels mannen. Zij konden een huwelijkspartner zoeken uit de kleine groep Europese vrouwen, de Indische vrouwen of de Aziatische vrouwen. Voorwaarde was dat de huwelijkspartner christelijk was. De regels van de VOC eisten dat niet-christelijke vrouwen eerst onderricht kregen in de catechismus en daarna werden gedoopt. Omdat dit lang duurde koos het merendeel van de mannen het concubinaat met Aziatische vrouwen. Het werd een wijdverbreid verschijnsel.

De Tangsi (kazerne)

Militaire kampementen lagen over de hele archipel verspreid. In de buitengewesten waren het kleine met prikkeldraad (kawatduri) omgeven kazernes of tangsi´s. Op Java waren het, eveneens met prikkeldraad omgeven, ruim opgezette gebouwencomplexen. In de tangsi woonden de militairen beneden de rang van onderofficier in legeringgebouwen. Het dagverblijf, soms met een kantine, lag in het midden. In de zijvleugels van het gebouw waren grote slaapzalen onderverdeeld voor gehuwde en ongehuwde militairen. Meestal waren de gebouwen ingedeeld naar afkomst. Bijvoorbeeld Ambonees, Menadonees, Timorees. Soendanees of Javanen. In de slaapzalen voor gehuwde militairen woonden vele families bij elkaar. Elke familie had een beperkte  afgeschermde prive ruimte. Als slaapgelegenheid voor de ouders diende een slaaptafel of stapelbed. De kinderen sliepen onder de slaaptafel of het stapelbed (onder de kolong). Men sliep op een tikar, een dun houten bamboe matje. Een zeildoek of een groen katoenen gordijn, dat wel zichtbare maar geen hoorbare privacy bood diende als afscheiding. Persoonlijke bezittingen, kleding en schoeisel werden bewaard in legerkisten met het nummer en de naam van de vader erop genoteerd. De legerkisten werden opgeslagen in de resterende verloren ruimtes.

De Cocos eilanden

Britse vrijbuiters vestigeden zich in 1820 op de kleine Cocos eilanden die even ten Zuiden van Java liggen. Het Nederlandse gouvernement liet dat oogluikend toe, maar de marine hield alles argwanend in de gaten. Tijdens het vijf jarig Engels bestuur over de Indische archipel had de Britse ambtenaar Alexander Hare het gebied Maluko op Borneo van de sultan van Bandjermasin verworven. In 1816 moest hij Maluko echter teruggeven aan Nederland dat de macht over de archipel weer had overgenomen. Hare zeilde op de schoener “Maluko” met enkele Engelse volgelingen en een aantal slaven naar de Cocos eilanden en nam bezit van de eilanden. Hare vestigde zich op Rice eiland, het kleinste en hoogste eiland. Een van zijn volgelingen, Ross, ging met zijn gezin en zes Engelse matrozen op Scott eiland wonen. Hare ontpopte zich als een ware tiran. Hij voelde en gedroeg zich heer en meester over zijn volgelingen. Vanuit zijn armoedige woning op Rice eiland terroriseerde hij de overige Engelsen en de vrouwen onder de slaven. Hij regelde met eigen goeddunken de rijstvoorziening en nam kinderen weg bij hun ouders en sloot ze op in hokken op Rice eiland. Het was een bizarre en vijandelijke gemeenschap op de Cocos eilanden.
Het Indische meisje

De Europese gemeenschap verstond, in het Indië van na 1900, onder een Indisch meisje, een meisje van gemengd bloed. In Nederland was het voorstellingsvermogen van de doorsnee Nederlander dat een Indisch meisje een halve wilde was, die nog maar pas uit het oerwoud gekomen was. De algemene Nederlandse opvatting dat ´Indisch´ hetzelfde betekende als ´Inlands´ of inheemse, resulteerde dat men in Nederland concludeerde dat een Indisch meisje niets anders was dan een ´zwarte wilde´. Een Nederlander die in het huwelijk trad met een Indisch meisje werd door zijn familie in Nederland, aan wie per brief met grote trots zijn huwelijk mededeelde, geacht geestelijk gestoord te zijn of hij leed aan manische depressiviteit. Ook al was zijn bruid recentelijk benoemd tot docente aan de juridische faculteit in Batavia. Omgekeerd konden Indische mensen, die Nederland alleen maar kenden van aardrijkskundelessen op school, zich geen voorstelling maken van blanke mannen die zelf hun hutkoffers droegen bij aankomst in Nederland, of van het bestaan van blanke wegwerkers, blanke vuilnismannen, etc.

De Chinezen in Batavia

Vanaf de stichting van Batavia in 1619 waren er al Chinezen in de stad aanwezig. Voor de VOC was de handel met China belangrijk. De Chinese jonkenhandelaren brachten producten, zoals thee, porselein en zijde. Ook was er een grote vraag naar Chinese arbeidskrachten. Ze waren ijverig en vreedzaam. In een korte tijd werden de Chinezen de grootste etnische bevolkingsgroep in Batavia. Jan Pieterszoon Coen benoemde een Chinese vertrouweling tot Kapitein Chinees. Deze functionaris vormde met een aantal luitenants het bestuur van de Chinese bevolking in de stad. Dit bestuur behartigde de Chinese belangen bij het gezag van de VOC. Elke Chinese inwoner betaalde”hoofdgeld”, een maandelijkse belasting. Dit werd door het Chinese bestuur geïnd. De Chinezen in Batavia vormden een op zichzelf staande groep. Zij vermengde zich niet met de lokale bevolking. Zij behielden hun eigen taal en gewoonten. Via de rechtstreekse scheepvaartverbindingen hadden ze regelmatig contact met hun familie in China.  De meeste Chinezen beschouwde hun verblijf in Batavia als tijdelijk.

De dagindeling van passagiers naar de Oost omstreeks 1840

Op de schepen van de VOC mochten alleen dienaren van de Compagnie mee naar Indië. Na 1816 kon iedereen die naar Indië wilde de overtocht wagen. De Nederlandse Handelsmaatschappij, de opvolgster van de VOC, bouwde veel schepen voor de zeereizen naar Indië. De heenreis om Kaap de Goede Hoop duurde meer dan honderd dagen. De hutten waren hokjes, waar naar de wens van de passagier de scheepstimmerman nog enige verbeteringen kon aanbrengen zoals een klaptafeltje of een boekenplankje. Baden kon alleen maar als het regenwater van een tropische regenbui werd opgevangen in een pierebad van geteerd zeildoek. De dames trachtten hun handen schoon te houden door ze in te wrijven met schijfjes citroen. Citroen bleef lang goed, maar andere fruitsoorten, vers vlees, verse groenten en wit brood waren na twee weken op. Er bleef dan alleen de scheepskost van de kok over voor de kajuit passagiers. Maandag en donderdag grauwe erwten met zout vlees. Dinsdag witte bonen met spek. Woensdag zuurkool met aardappelen en spek. Vrijdag snert. Zaterdag stokvis met aardappelen. Op zondag was er soep met vers vlees, want dan werd een varken geslacht. Men stond vroeg op en dronk een kop koffie en gortwater, en om twaalf uur een kop chocolade. Van drie tot half vijf werd de maaltijd geserveerd. Na de maaltijd verpoosde men zich aan dek. Na de thee ging men om negen uur naar beneden om tot bedtijd zich bezig te houden met een bezadigd patience.

Suiker in de omliggende gebieden van Batavia

In de loop van de 17de eeuw verminderde het gevaar van aanvallen van de omliggende rijken Bantam en Mataram. Voorzichtig werden de stadspoorten van Batavia geopend. De eerste burgers die zich buiten de stad waagden waren Chinezen en enkele Compagnie dienaren. Stukken van de omliggende bossen werden omgekapt en de vrijgekomen grond werd gebruikt voor het verbouwen van groenten, rijst en rietsuiker. De verbouwing van rietsuiker groeide in een snel tempo. De aanplantingen breidden zich verder uit. Er werden molens (fabrieken) gebouwd om het rietsuiker lokaal te verwerken. Omstreeks het midden van de 17de eeuw waren er twintig suikermolens in gebruik. De VOC zag dat de handel in suiker winst zou opleveren. De eigenaars van de molens, waaronder vele Chinezen, werden verplicht hun product tegen een door de VOC bepaalde prijs te leveren, en verkopen aan derden werd uitgesloten. Helaas duurde het niet lang of de VOC was wederom verwikkeld in conflicten met Bantam en Mataram. Door de conflicten stagneerde de suikerindustrie door een gebrek aan arbeidskrachten. Pas nadat de VOC het Bantam rijk had verslagen en zodoende haar positie in de streek had versterkt nam het aantal koelies (arbeiders) weer toe. In 1696 waren er 116 door de landrost van Batavia geregistreerde suikermolens in gebruik in de omgeving.

Het vertrek van Europese vrouwen naar de Oost

In de begin periode van de exploitatie van Deli aan de oostkust van Sumatra leefden de jonge en ongehuwde tabaksplanters op ruige wijze en vrijgevochten samen met hun njai´s (bijvrouwen). Met sterke afkeur werd in Nederland gekeken naar deze wetteloze manier van leven van de jonge planters die vanwege de schaarste aan Europese vrouwen hun leven deelden met inheemse huishoudsters. Maar ook was het niet gewenst dat jonge, welopgevoede Europese vrouwen naar Indië vertrokken vanwege de ongebonden zedenpraktijken. Door de explosieve uitbreiding van de tabaksondernemingen en de toename van de Europeanen kwam er een verandering in de burgerlijke opstelling. In eerste instantie was het beter ongehuwd te zijn, maar met de verandering ten goede van de planters gemeenschap werd een huwelijk met het Europese personeel als voordeliger voor de samenleving in Deli beschouwd. Het zou een bijdrage leveren aan het toenemen van de beschaving in het gebied. Om als vrouw van een administrateur of assistent naar de Oost te vertrekken werd steeds meer gebruikelijk. Vele Europese dames trouwden met de handschoen en reisde hun man achterna naar Indië. Met de komst van Europese echtgenotes verdween de rol van de njai´s grotendeels uit het leven van de planters in Deli.

De moord op de Chinezen

Aan het begin van de 18de eeuw waren er 84 suikermolens in bedrijf in de omgeving van Batavia. De meeste suikermolens waren in handen van Chinezen. Voor de VOC was de suikerexport een belangrijk onderdeel van de inter-Aziatische handel geworden. In 1722 werd de dynastie van de grootste afnemer, Perzie, omver geworpen. Tegelijkertijd nam de concurrentie van Bengaalse suiker toe. De VOC verloor het grootste aandeel van de markt en veel suikermolens moesten sluiten. Dit had verstrekkende gevolgen voor de Chinese bevolking. Zij kwamen in armoede en ellende terecht. De spanningen werden opgevoerd door gebrek aan voedsel. In oktober 1740 kwamen de Chinezen in opstand en werd Batavia door duizenden Chinezen aangevallen. Hoewel de aanval werd afgeslagen brak in de stad paniek uit over het ´Chinese gevaar´. Uit vrees voor de omvangrijke Chinese bevolking en de vele in omloop zijnde geruchten begonnen de burgerij en de garnizoenssoldaten een dagenlange klopjacht op weerloze Chinese mannen, vrouwen en kinderen. Tien duizend Chinezen verloren het leven in deze massamoord. Achteraf bleek dat zij onschuldig waren en niets met de opstand te maken hadden. Deze massamoord is de geschiedenis ingegaan als de “Chinezenmoord”. Een incident op de kade van Batavia

Op 1 mei 1874 keerde generaal van Swieten triomfantelijk terug in Batavia na de ´geslaagde´ tweede Atjeh expeditie voor een eervolle en overweldigende ontvangst. Gouverneur generaal Loudon wachtte op de kade. Ook aanwezig was de gewonde uit Atjeh teruggekeerde kapitein van Daalen. Hij was de broer van de door Loudon ontslagen hoofdredacteur van de Java Bode en een neef van de door Loudon verguisde kolonel die de mislukte eerste Atjeh expeditie aanvoerde. Loudon liep op de kapitein af om hem te eren vanwege zijn deelname aan de tweede Atjeh expeditie. Maar de familie van Daalen waren eensgezind in hun minachting tegen de Gouverneur generaal. Kapitein van Daalen boog eerbiedig, maar weigerde de uitgestoken hand van de landvoogd te aanvaarden. De in het openbaar vernederde Gouverneur generaal wilde de kapitein op staande voet uit het leger ontslaan. Legercommandant Whitton verhinderde dit door de Gouverneur generaal er op te wijzen dat het optreden van de kapitein eerst door een ereraad van officieren moest worden beoordeeld. De ereraad kwam tot de volgende uitspraak: “ De kapitein had eerbiedig gebogen en toen iets niet gedaan, namelijk de hand van Loudon niet aangenomen en iets niet doen kon volgens de ereraad geen aanranding van de eerbied jegens de persoon  van de vertegenwoordiger des konings heten.

Met de KLM naar Indië

Na de geslaagde vlucht van Amsterdam naar Batavia en terug 1924 werden in de jaren daarna verschillende proefvluchten uitgevoerd. In 1930 opende de KLM een lijndienst Amsterdam – Batavia. Eens per veertien dagen vloog men in beide richtingen. De Fokker F-7b met een laadvermogen van 500 kilogram had twaalf dagen nodig voor de oversteek. In 1937 had de KLM DC-3´s in gebruik genomen voor de lijndienst. De DC-3 had een laadvermogen van 9600 kilogram, kon elf passagiers meenemen en de duur van de vlucht werd verkort tot vijf en een halve dag. De lijndienst vloog nu drie maal per week. De dienstregeling was zo nauwkeurig, dat niet alleen de dagen van aankomst en vertrek op de luchthavens stonden aangegeven, maar ook de uren en minuten. Er was een grote toename van het postverkeer en het aantal passagiers. Er vlogen drie keer zoveel buitenlandse passagiers mee dan Nederlandse passagiers. Gedurende de vlucht werd overnacht in Athene, Basra, Jodhpur, Rangoon en Singapore. In 1939, net voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, werden 4.888 passagiers, 121.274 kilogram luchtpost en 74.570 kilogram vracht vervoerd.

Halfbloeden

In 1911 werd in Londen het ´First Universal Races Congress´ gehouden. In de ´Papers on Inter Racial Problems´ uiten de politici en wetenschappers van die tijd hun zorgen over de problematiek t.a.v. mensen van gemende rassen. In zijn inleiding over ´ Metis or halfbreeds of Brazil´ schreef Jean Baptiste de Lacerda: “Hoewel het onmogelijk is om mestiezen voorbeelden van schoonheid te noemen, zowel in figuur als contouren, is het desalniettemin waar dat we, vooral onder het vrouwelijk geslacht, typen tegenkomen met gracieuze en goed geproportioneerde figuren. In hen zijn de voluptueuze instincten sterk ontwikkeld, en dat is te zien aan de smachtende ogen, sensuele lippen, indolente houding en vergelijkenderwijs trage wijze van spreken”. Verschillen tussen rassen werd geaccepteerd, maar de halfbloeden werden lange tijd gezien als degenererende mensen waarbij de wellust sterk ontwikkeld was. Zij waren de afstammelingen van de overschrijding van de grenzen tussen rassen. Ruim dertig jaar tevoren had de journalist Daum het niet beter hebben kunnen schrijven in zijn artikelen in het Bataviaasch Nieuwsblad.

Het ontstaan van het hof van Soerakarta

De Chinezenmoord in 1740 had als gevolg dat overgebleven Chinese rebellen hun woede tot uitdrukking brachten door het veroveren van een aantal steden langs de Javaanse noordkust. De vorst van Kartasoera, Pakoe Boewana de Tweede, dacht zijn voordeel te kunnen halen uit de Chinese veroveringen en sloot zich bij de Chinezen aan. Hierdoor probeerde hij zich te ontworstelen aan het juk van de VOC. Het gecombineerde Javaanse en Chinese rebellenleger veroverde nog een aantal steden, maar de belegering van Semarang mislukte. Pakoe Boewana de tweede werd zwaar bekritiseerd door de bevolking. Hij besloot zich weer te onderwerpen aan de VOC door spijt te betuigen voor zijn daden. Het antwoord van de rebellen liet niet lang op zich wachten. In 1742 verwoesten zij het paleis in Kartasoera. Na hevige gevechten werden de rebellen door de VOC verslagen en werd Pakoe Boewana de Tweede koning van het Mataram rijk. In het de overeenkomst tussen de nieuwe koning en de VOC stond dat vrijwel het hele Mataram rijk onder het gezag van de VOC stond. Vanwege de verwoesting door de rebellen van het paleis in Kartasoera verhuisde de koning naar Soerakarta en vestigde hier zijn hof,de Kraton Soerakarta Handininggrat

Harderwijk, het gootgat van Europa

In 1814 koos kolonel Johannes van de Bosch, een latere Gouverneur generaal, die belast was met de werving voor het koloniale leger Harderwijk als werfdepot. Vanaf 1815, na de val van Napoleon, stroomden vrijwilligers uit verschillende delen van Europa toe. Tot 1830 was 60% van de vrijwilligers buitenlanders. Het waren militaire criminelen, fortuinzoekers, Franse deserteurs, ontslagen Duitse militairen, armoedzaaiers en avonturiers. Later kwamen Nederlandse vrijwilligers die vanwege de armoede tekenden of bijtekenden. Het koloniale werfdepot bleef tot 1909 in Harderwijk gevestigd. De middenstand kon bijna een eeuw lang profiteren van de uitspattingen van de koloniale rekruten die hun handgeld verkwanselden aan losbandigheid. De Christelijke bevolking gruwelde van het zedeloze gedrag van de rekruten in de kroegen en bordelen. Zij werden gesteund door de fanatieke zedenprekers van de Middernachtzending, die een bordeel verbod eisten. Op 1 januari 1892 werden hun eisen ingewilligd en gold een verbod op het houden van openbare huizen van ontucht. Het Werfdepot Harderwijk verhuisde in 1909 naar de Koloniale Reserve in Nijmegen.

In de zevende eeuw ontstond op Sumatra het vorstendom Malayu, het eerste Boeddhistische grootrijk. Malayu gedroeg zich als een absolute grootmacht, maar werd al snel opgeslokt door de buurstaat Sriwijaja, die ook heerste over het Maleisische schiereiland en het zuidelijk deel van Thailand. Tegen het einde van de zevende eeuw was Sriwijaja het sterkste rijk in de archipel. Het rijk heerste over de zeestraat van Malakka en kon zodoende vanuit de hoofdstad Palembang de handel in zuidoost Azië controleren. Deze handel was in handen van Tamils uit India en Chinezen. Kooplieden uit India, Arabie en Perzie brachten goederen in ruil voor lokale producten, goederen uit China en specerijen. De Chinezen brachten zijde, porselein en Chinese rabarber( bekent voor de medicinale eigenschappen) in ruil voor ivoor, schildpaddenschilden, rinoceros horens en specerijen. Tevens ruilden zij hun waren tegen kostbaar hout, zoals eboniet en kamferhout. Andere door de Chinezen gewilde producten waren parels, koraal, kamfer, barnsteen en parfum. De Arabieren ruilden hun waren tegen sandelhout, ebbenhout, ivoor, tin en specerijen. Sriwijaja veroverde een groot deel van Java en bleef tot aan het einde van de dertiende eeuw haar macht handhaven.

De soldaat en zijn inheemse huishoudster

De Indonesische huishoudster was in de jaren na 1900 een aanvaard begrip binnen de militaire gemeenschap in Indië. Na de laatste militaire expeditie op Bali in 1908 brak er een lange periode van rust aan. Veel van de jonge soldaten zochten een vrouw om bij hen in de kazerne te komen wonen. De militairen zonder een vrouw leden geen kuis leven, met alle gevaren van dien. De soldij van een Europese soldaat omstreeks 1915 lag tussen de f 0,85 tot f 1,15 elke vijf dagen. Een korporaal ontving f 2,80 en een sergeant iets minder dan f 5,00. Met zo´n inkomen was het, voor degenen die het wilden, onmogelijk een gezinsleven op te bouwen met een Europese vrouw. Wat voor hen overbleef was het concubinaat met een Indonesische vrouw. In de kazernes waren kleine kamertjes ingericht, afgescheiden van elkaar door zwaar zeildoek. Er was ruimte voor een tweepersoons bed, een tafeltje, een stoel en een hangkastje. Dit was het nachtverblijf. Kinderen sliepen onder het bed. Overdag verbleef men in het centrale dagverblijf. Sommige soldaten verhuisde naar de kampong en leefde met hun vrouw in een bamboe hut.

Reizen op VOC schepen

Vanaf de oprichting in 1602 tot aan de opheffing in 1799 handhaafde de VOC dat alleen eigen personeel met de VOC Oost- Indiëvaarders werden vervoerd. Dit waren de hoge VOC ambtenaren met hun families en bedienden. Kooplieden, chirurgijns en predikanten, ambachtslieden soldaten en natuurlijk de matrozen. De VOC driemasters van de zeventiende en achttiende eeuw waren handels-, oorlog-, en troepenschepen die de reis naar Indië in ongeveer acht maanden volbrachten. De Heren Zeventien gaven de schippers nauwkeurige zeilorders waarvan niet mocht worden afgeweken. Het ´Wagenspoor´ gaf nauwkeurig de zeilroute aan die moest worden gevolgd i.v.m. de verschillende windrichtingen. Afwijking hiervan kon betekenen dat terecht kwam in windstille gebieden of te maken kreeg met sterke tegenwinden. Beiden betekende langdurig oponthoud, waardoor de voorraden opraakten en ondervoeding en ziekte plaats vond, zeker onder de bemanningsleden.

De opium opbrengst van Bali

De opbrengst van de opium handel was een van de redenen waarom Nederland rechtstreeks Bali en Lombok wilde besturen. Opiumgebruik was normaal onder de bevolking en werd verhandeld op de vrije markt. De vorsten hadden groot belang bij de handel in opium omdat de Boeginese en Chinese handelaren een deel van de winst afstonden als belasting. De VOC en de Nederlandse staat hadden eveneens aan de opium handel verdiend. In 1904 maakte Nederland een wet, de opiumregie, die verplichte de handelaren alleen aan opiumhuizen te verkopen met vastgestelde hoeveelheden en prijzen. Omdat de Balinese bevolking altijd opium op de vrije markt hadden kunnen kopen ontstonden er rellen. In de plaats Gelgel in het sultanaat Kloengkoeng werden de opiumhuizen aangevallen en de door Nederland aangestelde Javaanse ambtenaren vermoord. Het KNIL greep in en doodde ruim honderd Balinezen. De vorst van Gelgel, die de opstandelingen had gesteund, vluchtte naar het paleis van Kloengkoeng. Van Heutz stuurde een KNIL bataljon vanuit Soerabaja naar Kloengkoeng. De aanval op het paleis werd ingezet op 28 april 1908. De vorsten en hun aanhang pleegden in een poepoetan rituele zelfmoord.

De opbouw van het federale Moslim sultanaat Atjeh

De bevolking van Atjeh woonde in (kerk)dorpen. Dit waren moskee gemeenten, of Moekims. Binnen het grondgebied van een vorstendom lagen een aantal Moekims. Elk vorstendom ontleende haar naam aan het aantal Moekims die binnen haar grens  lagen. Een vorstendom met vijf Moekims binnen haar grensen heette ´Vijf Moekims´. De vorst was een “Oeleebalang “, een traditioneel hoofd en van adel. Zijn aanspreektitel was “Teuku”. Hij werd geadviseerd door de “Oelema”, de geestelijke leider met de aanspreektitel “Tuenku”. Atjeh was een federale staat onderverdeeld in Sagi’s. Elke Sagi had een aantal vorstendommen binnen zijn grenzen. Een Sagi ontleende zijn naam aan het aantal vorstendommen. Sagi 26, had dus zes en twintig vorstendommen op zijn grondgebied. Elke Sagi stond onder leiding van “Penglima”, de eretitel van de belangrijkste commandant. Ook de Panglima werd bijgestaan door Oelamas. De Sagi´s samen vormden de Atjeh federatie onder de ´Sultan Dalam´, maar ze behielden hun eigen bevoegdheden en militaire structuur.

De eerste dagbladpers in Indië

Jan Pieterszoon Coen verordenden in 1615 dat er een blad in Indië moest verschijnen naar het vaderlandse voorbeeld van de ´Courante nouvelles´, een met de hand geschreven blad met nieuwstijdingen. In 1644 veranderde de naam in ´Memorie der Nouvelles´ Het prototype en tevens oudste drukwerk in Indië werd in 1688 op last van de regering in Batavia uitgegeven. Het duurde meer dan een halve eeuw voordat er een echte krant verscheen. Op 7 augustus 1744 verscheen de ´Batavische Nouvelles´. Het had als eerste een licentie verkregen. De voornaamste bron van inkomsten kwamen van vendu advertenties. In 1746 verboden de Heren Zeventien de krant omdat zij het als een bedreiging zagen voor het monopolie positie van de VOC. Pas in 1776 verscheen de opvolger, het ´Vendunieuws´, dat ook een licentie van het gouvernement had gekregen. In 1809 kocht het gouvernement de Stadsdrukkerij op en had hierdoor de berichtgeving in eigen hand. In het krantje werden alle artikelen van het Reglement op de Landsdrukkerij uitvoerig uiteen gezet. Het krantje ging onmiddellijk failliet vanwege de hoge kosten. In hetzelfde werd door Daendels de ´Bataviasche Koloniale Courant´ opgericht, die onder het Engelse bewind de ´Java Governement Gazette’ werd genoemd. Met de terugkeer van het Nederlandse gezag in 1814 verdween de krant.

De “Poepoetan”. De rituele zelfmoord op Bali

Het vijfde expeditieleger lag voor de poorten van Denpasar. Vanaf oorlogsschepen werd de hoofdstad van het vorstendom Badoeng gebombardeerd. De drie aanwezige prinsen realiseerden zich dat als zij zich overgaven, gevangenneming en verbanning hen te wachten stond. Zij kozen voor de Poepoetan, het eervolle zelfmoord gevecht met de vijand. De vorst, de prinsen, priesters en hun volgelingen tooiden zich in goudgestikte gewaden en droegen schitterende juwelen. Ze zwaaiden met gouden krissen waarvan de met edelstenen belegde gevesten om hun lichamen slingerden. Over de feestelijke kleding droegen zij een hagelwitte mantel. Met de vorst voorop stormden ze met gevelde lansen en opgeheven krissen op de soldaten af. Het geweervuur van de soldaten maaide het grootste deel van hen neer. De gewonden doodden zichzelf of staken eerst hun kris door het hart van andere gewonden. Ruim twee duizend Balinezen vonden in een dag de dood. Enkele dagen later werd de vorst van Tambanan gevangen genomen en verbannen naar Lombok. Ook hij pleegde zelfmoord. Kloengkoeng en Bangli erkende hierna het Nederlandse gezag.

Het dagelijkse leven in Batavia in de zeventiende eeuw

Gedurende de vroege periode van de VOC woonden de Europeanen binnen de muren van het Kasteel van Batavia. Het leven was over het algemeen eentonig. Bij het aanbreken van de ochtend stond men op en verliet het benauwde slaapvertrek om een koud bad te nemen. Er waren ook mensen die twee of drie keer per week genoeg vonden om het zweet van hun lichaam af te wassen. Dan dronk men thee om de nieren te zuiveren, daarna volgde het ontbijt. Na het ontbijt kauwde men op een sirihpruim om de mond te verfrissen. De mannen gingen rustig naar hun werk, terwijl de dames de slaven aan het werk zetten in de huishouding. Daarna gingen zij op bezoek bij buren of vriendinnen. De kinderen werden aan baboe´s overgelaten. Tegen twaalf uur luidde de gong voor de middagmaaltijd, waarna een middagdutje werd gehouden. Omstreeks vier uur liep men in de straten mee met de pantoffelparade om te zien of gezien te worden. Om precies zeven uur werd in het Kasteel het gebed voorgelezen door een voorganger, gevolgd door psalmgezang begeleid door een orgel. Hierna werd het avondeten genuttigd en dronk men nog een ´zoopie´(borrel) voordat men weer ging slapen. Bedden waren er niet, men sliep op matrassen. Om tien uur ´s avonds werd het weer rustig in de stad, maar de ´zuypgierigen´ gingen voort met drinken.

Ernstige communistische opstanden

Tot de verbannen leiders van de Partai komunis Indonesia (P.K.I.) behoorden Tan Malakka, Semaoen, Darsono, en Alimin Prawirodirdjo. Allen ware verbannen vanwege hun leidende rol in de stakingsacties van 1922, 1923 en 1925. In 1926 dachten zij dat de tijd rijp was om een algemene opstand tegen het Nederlandse gezag te beginnen. Moskou stuurde instructies om de opstand te beginnen, maar trok deze even later weer terug. De PKI leider, Moeso, hield de laatste instructie achter. Op 12 november 1926 braken opstanden uit op west Java in Banten, Batavia en Bandoeng. In begin 1927 braken opstanden uit op west Sumatra in Padang. Met veel moeite werden de opstanden bedwongen. De Indische samenleving was in grote beroering. Ongeveer 13.000 opstandelingen werden gearresteerd, waarvan ruim 4.500 vrijheidsstraffen kregen en 1.300 werden veroordeeld en verbannen naar de interneringskampen in Boven Digoel op Nieuw Guinea. Geen van hen mocht naar het buitenland. Door de arrestatie van de PKI leiders stortte de communistische organisatie in elkaar. In 1927 werden alle communistische organisaties verboden. Wat resteerde ging ondergrond. Pas in 1945 werd de PKI opnieuw opgericht.

Pracht en praal

De fatsoenlijk gehuwde vrouwen van de VOC dienaren baadden zich in schitterende kleding, sieraden, huisraad en rijtuigen. De huishoudelijke artikelen moesten zoveel mogelijk van zilver zijn. Zij droegen kleding van zijde en satijn en, niettegenstaande de hitte, zelfs fluweel, en alles bezet met dure kant. Gouden haar- en armbanden tooiden hun haar en polsen, en aan hun vingers flonkerden diamanten. Ook de mannen konden de zucht naar weelde niet weerstaan. Mannen van hoge posities droegen zwarte fluwelen kostuums bezet met kant en versierd met gouden knopen. Een dure degen met een gouden gevest prijkte aan hun heup of zij hadden een rotan stok met een gouden knop in hun hand. De overvloed van weelde had tot gevolg dat de een niet onder wilde doen voor de ander. De bewindvoerders van de VOC troffen maatregelen om dit te beperken. Het dragen van juwelen, parels en gouden versiersels werd aan strenge regels gebonden, en was afhankelijk van de positie van de echtgenoot. Tevens vermelde de regels voor de verschillende posities hoeveel slaven achter de families mochten lopen, welk soort rijtuig of draagstoel werd toegestaan en hoe de koetsier diende te groeten.

Het Tawankarang recht op Bali

De VOC had weinig interesse voor Bali. Er waren geen verhandelbare producten op het eiland en de kust was voor grote schepen niet bereikbaar vanwege de vele koraalriffen rond het eiland. Regelmatig strandden er schepen op de gevaarlijke kusten van het eiland. De gestrande schepen werden onmiddellijk door de kustbewoners leeggeplunderd. Hier gold het tawan karang recht, dat de kustbewoners het recht gaf om gestrande schepen leeg te plunderen en het werd oogluikend toegestaan door de vorsten. Het gouvernement nam hier geen genoegen mee en probeerde tot een regeling te komen met alle vorsten om, tegen een vergoeding van gemaakte kosten, gestrande schepen, de bemanning en de scheepsgoederen bescherming te bieden tegen beroving door de kustbewoners. Sommige vorsten stemden met tegenzin in met de regeling. Zij gingen er vanuit dat zij hierover geen zeggenschap hadden. In 1844 werden aan de noordkust van Bali twee gestrande schepen geplunderd. Een jaar later herinnerde het gouvernement de noordelijke vorstendommen Boelèlèng en Karangasem er aan dat er door de vorsten een overeenkomst was ondertekend. De vorsten antwoorden dat zij daar geen boodschap aan hadden en het Nederlandse gezag niet erkenden. Beide vorstendommen bereiden zich voor op een oorlog.

Het Fort Rotterdam op Makassar

De vesting Rotterdam op Makassar was oorspronkelijk een Portugees fort en heette de Vijfsprong naar de vijf bastions waarmee het was versterkt. Het is het best bewaard gebleven bolwerk uit de VOC tijd. De latere Gouverneur generaal Cornelis Speelman (1681 – 1684) veroverde het fort en noemde het naar zijn geboortestad Rotterdam. Voor een lange periode was Fort Rotterdam het sterkste bolwerk in de archipel, inclusief het Kasteel van Batavia en het Kasteel Victoria op Ambon. Dit was niet toevallig. Makassar was vroeger de sleutel tot het Oosten, en de inwoners hadden de bijnaam ´de haantjes van het Oosten ´, omdat zij vechtlustig en stoutmoedig waren. In het fort lagen rond een groot centraal plein de gebouwen uit de zeventiende en achttiende eeuw, die gebouwd waren oud Hollandse stijl met de typische topgeveltjes, schuin aflopende daken, kleine raampjes en lage brede deuren. Dit waren de kerk, het chirurgijnhuis, de ambtelijke gebouwen en het stadhuis. Dit laatste had een balkon. Hier zaten de strenge heren van het Gerecht te kijken naar de uitvoering van het vonnis van de gestraften. De gestraften werden op hun rug gegeseld met een zweep of ze kregen ´vijf en twintig slagen met de “rotan”. Ze werden gebrandmerkt en er werden gloeiende tangen gebruikt voor andere straffen. Alle straffen dienden als een preventief of repressief middel. De brave burgers dienden te zien wat hun stond te wachten indien zij wet overtraden. De doodstraf werd buiten het fort voltrokken, gadegeslagen door het toegestroomde volk dat zich verzamelde rondom de galg.

Nederlandse Indische Spoorweg Maatschappij (NIS)

De eerste spoorweg in Indië werd door de NIS in 1867 geopend. De spoorweg liep van Djokjakarta naar Soerakarta op midden Java. Het spoor was aangelegd met de Europese standaard breedte van 1.435 meter . Deze spoorbreedte werd in Indië ´breedspoor´ genoemd, omdat tijdens de bouw van de spoorlijn een voorstel was aangenomen om de standaard breedte voor Indië te bepalen op 1.067 meter. Dit was uit het oog van kostenbesparing bij de aanleg van spoorwegen in bergachtige gebieden. De NIS had in de eerste tien jaar van haar bestaan met zware financiële moeilijkheden te kampen. Tot twee maal toe werd een dreigend faillissement afgewend door voorschotten van het gouvernement en particulieren. De NIS herstelde zich langzamerhand en werd een bloeiende onderneming Intussen werd het breedspoor Djokjakarta – Solo doorgetrokken naar de havenstad Semarang. De spoorlijn kwam in 1873 gereed. Tevens was ook de lijn Buitenzorg – Batavia gereed gekomen. Deze 56 kilometer lange spoorlijn was aangelegd met de Indische standaard spoorbreedte. Er werden meer nieuwe lijnen aangelegd of bestaande lijnen werden verlengd. Het totale NIS spoorwegennet had een lengte van negenhonderd kilometer.

Kaneel en de VOC

Naast de specerijen van de archipel handelde de VOC ook in kaneel. Maar kaneel groeide op Ceylon, een eiland in Portugees bezit. Kaneel groeide ook op verschillende gebieden van Voor Indië, met name op Malabar. Deze soort kaneel was van minderwaardige kwaliteit. De Portugezen noemde het ´canella de matta´, wat wilde- of boskaneel betekende. De fijne hoog kwalitatieve pijpkaneel groeide uitsluitend op Ceylon. De kuststreken van het eiland, waar de kaneel groeide, werden omstreeks het midden van de 16de eeuw veroverd op de keizer van Kandi. Vanaf dat tijdstip hadden en handhaafden de Portugezen hun monopolie van de kaneelhandel. De VOC keek reeds een lange tijd met begerige ogen naar de kaneelhandel op Ceylon. Toch duurde het nog lang voordat de VOC geweld gebruikte (het credo van de VOC) om de kaneelhandel te bemachtigen. In 1656 viel na een zware strijd de hoofdstad Colombo in handen van de VOC. Hierna heeft de VOC het monopolie van de handel in kaneel  140 jaar kunnen handhaven. In 1795 en 1796 hebben de Engelsen Ceylon veroverd op de VOC.

De politie in Indië tot begin 1900

Omstreeks 1900 beschikte men over de desa  (dorps) politie die niet was opgeleid voor politietaken, en de gouvernementspolitie die bestond uit politie oppassers en mantri politie die aan de ambtenaren van het binnenlands bestuur waren toegevoegd. Door de gebrekkige politie organisatie was er bijna geen algemene veiligheid te bespeuren. Men was aangewezen op de desa politie, wat in feite het desa hoofd betekende. De desa hoofden waren onbetrouwbaar en onderontwikkeld. Veelal werd uit vrees voor represailles geen aangifte van delicten gedaan. Indien er wel aangifte was gedaan bij de hogere autoriteiten, dan volgde een onbetrouwbaar en gebrekkig onderzoek zodat de rechter veelal de verdachte vrijuit liet gaan. De gouvernementspolitie bestond uit enkele politie-oppassers en mantri (hoofdagent) politie die plaatselijk aan Europese en inlandse bestuursambtenaren werden toegewezen. Rond 1907 waren er op Java 5000 politieambtenaren in dienst. Zij werden slecht betaald, waren niet opgeleid voor hun taak en verrichten hun politiedienst uitsluitend in hun standplaats. Meestal werden zij door hun superieuren bij hun thuis ingeschakeld voor huishoudelijke werkzaamheden. Er was dus destijds sprake van een zeer gebrekkige politieorganisatie.

De Gouvernementspandhuisdienst

De Gouvernementspandhuisdienst, opgericht in 1904, had een wettelijke monopolie voor het verstrekken van leningen tot f. 100.- op onderpand van roerende goederen. Pandkrediet paste uitstekend bij de plotseling opgekomen dringende behoefte bij de Indonesiër aan een kleine geldsom. Bovendien paste het bij de mentale instelling van de Indonesiër om een tijdelijk geldoverschot te beleggen in gouden munten, juwelen en andere beleenbare goederen. Het pandkrediet werd zowel voor consumptie als voor productie gebruikt. Bijvoorbeeld voor financiering van seizoensbehoeften. Het pandkrediet werd zonder kredietwaardigheidonderzoek verstrekt tegen een deel van de waarde van het onderpand en was, dank zij de mogelijkheid van herlenen tegen betaling van een kleine rente, aan geen aflossingstermijn gebonden. Hierdoor raakte men niet in financiële moeilijkheden omdat bij niet inlossing van de lening men alleen het onderpand kwijt raakte. Tot aan het begin van de Tweede Wereldoorlog werden kredieten verstrekt door ongeveer 480 pandhuizen. De opgenomen leningen waren meestal lage bedragen, ver onder het wettelijk maximum van f. 100.- In tegenstelling tot de originele bedoeling was het Gouvernementspandhuisdienst een commerciële overheidsinstelling geworden. De winsten vloeiden terug in de schatkist.

De vrouwen van Batavia

De meeste kolonisten kwamen uit de onderste lagen van de Nederlandse maatschappij. Het was dus niet verwonderlijk dat conversatie en vermaak zich op een laag niveau bevonden. Van hoogwaardig cultureel amusement was geen sprake. Men liet zich leiden door de woorden van J.P. Coen, “onse natie moet drincken of sterven”. De meeste gaven daar gehoor aan en het drankgebruik van de ´zuypgierigen´, die na de avondmaaltijd hun hart ophaalden aan allerlei prikkelende drankjes was alcoholisch te noemen. Er werd zoveel gedronken dat velen in de bloei van hun leven stierven. Hetzelfde gold voor de liefde. Kuisheid was in de zeventiende eeuw een eigenschap die men bij vrouwen in Indië slechts zelden aantrof. Er was in dit opzicht geen verschil tussen vrouwen van zuiver Europees bloed of gemengd bloed. De Europese vrouwen in Indië in de 17de en 18de eeuw kwamen meestal uit de onderkant van de Europese samenleving. De levenswandel van deze vrouwen was verre van onberispelijk. De meeste hadden in Nederland als dienstmeid of schoonmaakster gewerkt of achter de fruitkar gelopen. Zij kwamen naar Indië om hun geluk te zoeken in een huwelijk, bij voorkeur met Compagnie dienaren die een betrekking aan de wal hadden. Als dit lukte, dan waren ze ´binnen´. Lukte dit niet dan verzeilde velen van hen in het schandaleuse, vuyle en ongebonden leven”, om later te eindigen in het tuchthuis. De Nederlands Indische Radio Omroep Maatschappij (NIROM)

De Nederlandse Indische Radio Omroep Maatschappij (NIROM) kreeg van het gouvernement op 31 maart 1933 een concessie om programma´s te maken voor zowel de westerse als de oosterse bevolking van Nederlands Indië. Voor april 1934 was er weinig te vinden op het gebied van een radio omroep. De ongeveer 5.000 draadloze radiobezitters hadden te kampen met slechte ontvangst door atmosferische storingen. Vooral zender boven golflengten van 100 meter waren bijna niet te verstaan. In Indië was men aangewezen op kortegolf zenders tussen de 16 en 60 meter en die waren zeldzaam of niet te krijgen. Op 1 april 1934 uit te zenden met vier zenders die opgesteld waren in Batavia, Bandoeng, Semarang en Soerabaja. Nog hetzelfde jaar werd het zenderpark uitgebreid naar zeventien zenders. Aanvang 1935 was de omroep goed te ontvangen op heel Java. Elf zenders zonden een algemeen en westers programma uit, en vier zenders een oosters programma. Eind 1939 waren er 28 zenders in de lucht. Sommige waren duidelijk te ontvangen in Europa. Rond 1940 bedroeg het aantal luisteraars ongeveer 100.000. De programmering bestond uit culturele en godsdienstige programma´s, toneelopvoeringen, concerten en redevoeringen van politici. Er was grote belangstelling voor internationale voetbal- wedstrijden. Het best beluisterd programma was het dagelijkse ’Anetapers’ nieuws. De VOC en de suikerboeren

Tot in de wijde omgeving van Batavia had zich omstreeks 1.700 een welvarende suikerindustrie ontwikkeld. De landrost van Batavia en omstreken had 116 suikermolens geregistreerd. Het aantal suikermolens lag veel hoger. Door de wurgcontracten van de VOC die het inkooprecht van de suikerproductie opeiste, hadden veel eigenaren hun suikermolens niet geregistreerd. Toen de VOC tastbare bewijzen in handen kreeg verkondigde de Compagnie dat degenen die de registratieplicht ontdoken een boete zouden oplopen van minimaal twee honderd rijksdaalders, en dat de Compagnie zich het recht voorbehield om alles wat los en vast zat in de molen met de grond gelijk te zullen maken. Aangezien het, volgens de Compagnie, de suikerboeren voor de wind ging werden zij verplicht een extra geldelijke bijdrage te leveren voor het bouwen of restaureren van Compagnie woningen. De VOC stoorde zich niet aan het tegen gepruttel. De voorgeschreven extra bijdragen werden minutieus geïnd. In die dagen hadden particuliere eigenaren te betalen en verder geen gezeur.

Het Hindoe koninkrijk Majapahit

Sinds de dertiende eeuw is de politieke en culturele geschiedenis van Indonesië beschreven in het ´Boek der Koningen´, de ´Paraton (1481)´. Majapahit werd in 1293 gesticht door prins Wijaja. Na de overwinning op het Mongoolse leger van Kublai Khan werd de macht en het aanzien van Majapahit aanzienlijk vergroot. Onder koning Hajam Woeroek (1331-1380) ontwikkelde het zich tot het machtigste koninkrijk in de Indonesische geschiedenis. De vergroting van de machtspositie van het koninkrijk word toegekend aan de rol van de energieke rijksbestuurder, de patih, Gadjah Mada. Majapahit beheerste een grondgebied dat omvatte het huidige Indonesië en Maleisie. De macht werd indirect uitgeoefend. De talrijke stammen behielden hun eigen politieke en sociale structuur. De vertegenwoordigers van de koning waren meestal Hindoe geestelijken. De koning werd beschouwd als een goddelijke incarnatie. De staat hield zich bezig met de rechtspraak, wegenbouw en het bewaren van de vrede. Door een intensief programma voor het ontwikkelen van scheeps - en akkerbouw werd Majapahit een van de voornaamste Aziatische zeemachten. Indonesische historici beschouwen deze periode als de Indonesische Gouden Eeuw.

Het leven in de buitenkantoren van de VOC

Op zondag werd er door de compagniedienaren niet gewerkt, maar de lagere klasse in Batavia werkte wel degelijk. Indien men geen relaties had met ´hoge omes´ betekende het hard werken voor een bevordering. Voor de meerderen toonde men eerbied die eerder aan kruiperigheid en slaafsheid deed denken. In de gunst komen en blijven was het begin en einde van alle wijsheid. Was dit het geval in Batavia, nog veel meer gold dit voor de buitenkantoren. De Compagnie werd hier vertegenwoordigd door hoofden of directeuren, de Resident. De Resident had maar een doel voor ogen. Het welzijn en de roem van de VOC tegen andere naties uitdragen. Vanwege dit streven waren de Residenten kleine despoten voor het personeel. Wie zich verzette tegen de resident kon vertrekken. De Resident werd terzijde gestaan door de assistent of boekhouder, ook wel ´Tweede´ genoemd. Het personeel moest schipperen tussen de twee als ze een onderling conflict hadden. Het leven op de buitenkantoren was uiterst vervelend. Men wist zich met de tijd geen raad. Alleen bij aankomst en vertrek van een schip had men het druk. De andere dagen had men alleen een half uurtje schrijfwerk te verrichten. De rest van de dag werd gelummeld, geroddeld, gegeten en daarna besloten met een lange siësta (middag rust). Sinds de omwenteling in het Nederlandse politieke denken over de positie van Indië, vertrokken veel mannen, al of niet met hun gezin, naar het land van de onbegrensde mogelijkheden. Met het op gang komen van de grote toestroom vanuit Nederland trad er tegelijkertijd een verandering op in de woonsituatie van de Europeanen in de grote steden van Indië. In de steden met een hoog Europees inwoneraantal ontstonden ruim aangelegde parkachtige buitenwijken voorzien van scholen en ziekenhuizen. De bouwstijl en woonomgeving waren aangepast aan de klimatologische omstandigheden. De woningen bestonden uit een of twee verdiepingen. Ze waren vrijwel allemaal voorzien van hoge, ver uitstekende daken, wit gepleisterde gevels, diepliggende vensters, ventilatieroosters en meestal een open voor- en achterveranda. Achter de hoofdwoning lagen de bijgebouwen aan beide kanten van de riante achtertuin. Aan een kant een langgerekt gebouw gekoppeld aan de hoofdwoning met de keuken, een aantal kamers voor opslag van goederen (gudang), een rust- of slaapgelegenheid voor het bedienend personeel en voorzien van een open veranda. Aan de andere kant een twee- of meerkamer paviljoen voor loges en een grote garage. Meestal liep de grote voortuin langs de woning over in de achtertuin. De woningen lagen diep naar achter gelegen aan door bomen beschaduwde straten.

De VOC en de ontbossing

Omstreeks 1710 waren er in de omgeving van Batavia 130 suikermolens in bedrijf. Duizenden mensen waren in de bedrijfstak werkzaam. Het sap werd op primitieve wijze uit het suikerriet geperst door de molenstenen in beweging te houden met behulp van karbouwen. Daarna werd het sap ingedampt in open pannen. Dit proces vereiste grote hoeveelheden brandhout. Het gevolg hiervan was de ontbossing van de directe omgeving van de suikermolens. In de achttiende eeuw ging zich meer slib vastzetten in de grachten van Batavia. Het slib was afkomstig uit de gebieden stroomopwaarts, waar de ontbossing erosie van de bodem veroorzaakte. Opeenvolgende Gouverneur generaals vaardigden om ecologische redenen besluiten uit tegen overmatig hout kappen, alsmede bevelen tot herbeplanting. Op straffe van 500 rijksdaalders boete werd de uitvoer van hout uit de omgeving van Batavia verboden. Herhaaldelijk werden gedurende het bestaan van de VOC besluiten uitgevaardigd om het kappen van hout ´met oordeel te doen geschieden, opdat de suikerteelt niet kome te vervallen´. De terechtstelling van Pattimura

Tijdens de opstand op Saparoea in 1817 kreeg het koloniale leger steun van de sultans van Ternate en Tidore. De eerste poging om de opstand op de Molukken gewapenderhand te onderdrukken mislukte. De veel te kleine troepenmacht onder leiding van majoor Beetjes werd in de pan gehakt. Een nieuw expeditieleger werd gevormd onder leiding van Schout-bij-nacht A.A. Buyskes. Bij de samenstelling van het expeditieleger werd zoals gewoonlijk gebruik gemaakt van de diensten van de inheemse vorsten. Zij stelden, in ruil voor politieke en militaire steun van de koloniale overheid, hulptroepen, gidsen, schepen en roeiers beschikbaar. Zonder de hulp van de inheemse vorsten waren de campagnes van het koloniale leger niet uitvoerbaar geweest. De expeditiemacht van Buyskes telde vijf oorlogschepen, 300 Europese militairen en 1.500 hulptroepen van de sultan van Ternate. De gevechten met de opstandelingen duurden drie weken. De strijd was van beide kanten weergaloos. Er werden geen gevangenen gemaakt en dorpen werden platgebrand. Plundering en brandstichting waren de belangrijkste beloningen voor de Ternataanse hulptroepen. Uiteindelijk werden de aanstichters en leiders van de bloedige opstand terechtgesteld. Matulessy, later bekend als Pattimura, werd opgehangen. Zijn laatste woorden waren: “Slamat tinggal, toean-toean”(een goed verblijf mijne heren).

Soldatenleven

Na de laatste militaire expeditie van 1908 op Bali was het Nederlandse gezag overal in de archipel gevestigd. Voor achttien jarige jongens die zich aanmelden in Harderwijk voor een dienstverband van zes jaar verdween de zucht naar avontuur snel door het rustige en eentonige garnizoensleven in de militaire kampementen. Na de uitvoering van de verplichte diensttaken bleef er veel vrije tijd over. Zoals door alle jonge mannen overal in de westerse wereld werd de vrije tijd benut door bij elkaar te hokken in kantines buiten het kampement. Daar dronken de fusiliers een paitje (borreltje) of, in termen van die tijd, een ´dikkop´ aan de vaste stamtafels. Vaak ontaardde het drinkgelag in wilde en felle onderlinge vechtpartijen. De vechtersbazen kwamen onverbiddelijk terecht bij de provoost. De meest beruchte straf was ´ de klas´, de tweede klasse van militaire discipline die vier maanden duurde. Als teken van schande kreeg men een witte 2 op de kwartiermuts. De gestrafte had zware corveediensten en de eerste maand doorlopend arrest. In de volgende twee maanden werd het arrest minder, en in de vierde maand kon men zich weer vrij bewegen. Als men binnen de vier maanden weer gestraft werd voor hetzelfde feit dan verviel achterliggende straftijd en moest men na het uitdienen van het contract vier strafmaanden onverkort nadienen.

Peper

In tegenstelling tot de kruidnagel- en nootmuskaatboom waarvan het verspreidingsgebied vrij beperkt is kwam peper in een veel ruimer gebied voor. Deze klimmende heerster groeit alleen 500 meter boven de zeespiegel in heuvelachtige gebieden tussen de twintigste noorder- en zuiderbreedtegraad, waar een regelmatige regenval, een goede luchtvochtigsheidgraad en een goed doorlatende humeuze grond aanwezig zijn. De peperranken beginnen na ongeveer 2-6 jaar na het planten vrucht te dragen. De plant kan, mits gesnoeid, 20 jaar vruchten dragen en 2 oogsten per jaar leveren. De bessen worden na het plukken gedroogd en leveren zwarte peper. Voor het maken van witte peper worden de rijpe bessen gewassen, waarna ze langdurig in water weken zodat de buitenkant afrot. In de heuvelachtige streken van Bantam bestond vroeger een gedwongen pepercultuur. Geleidelijk verplaatste dit naar zuid Sumatra (de Lampongs) en werd bij het einde van de 18de eeuw peper bijna niet meer op Java geteeld. Witte peper werd door chinezen op het eiland Banka geproduceerd. In 1940 werd ruim 55.000 ton peper uitgevoerd met een waarde van zeven miljoen gulden.
Sisal

De twee Agave soorten, sisal en cantala, tonen veel overeenkomsten met elkaar. Beiden werden in Indië geteeld. De plant bestaat uit een korte stam met naar alle kanten uitstaande vlezige bladeren met een scherpe stekel aan het uiteinde. In het blad, dat een lengte kan bereiken van 1 1/2 meter, bevinden zich parallel aan elkaar de nerven en de vezelbundels die de gehele lengte van het blad doorlopen. Het vezelgehalte nam toe met de leeftijd. Als het gewas twee jaar in het veld had gestaan werden de onderste bladen om de zes tot twaalf maanden afgesneden. De vezelbundels werden in goed geoutilleerde fabrieken machinaal van het bladmoes gescheiden. De vezel van de sisal was langer en sterker dan de vezel van de cantala die fijner en soepeler waren. De grotere ondernemingen planten voornamelijk sisal vanwege de hoge opbrengst. De cantala werd op minder gunstige grond geplant omdat de plant minder eisen stelde aan de soort grond. De vezels van beide planten werden gebruikt voor het maken van touw, kabels, matten en ter vervanging van jute. Het export percentage van harde touwvezels was 17% van de totale wereld productie.

Kapok

Kapok is een bevolkingscultuur. De hoge kapokbomen groeiden op de erven in de desas en langs de wegen. Vooral aan de noordkust van midden- en oost Java. Gedurende de oost moesson, in de droge tijd, rijpten de vruchten. Met lange bamboe stokken werden de vruchten, voordat deze opensprongen, uit de bomen geplukt en naar de fabriek gebracht. Handmatig werden de langwerpige vruchten (kolven) geopend en de pluizige inhoud verwijderd. In de vrucht, die een lengte kan bereiken van ongeveer dertig centimeter, liggen talrijke erwt uitziende zaden die zijn ingebed in ´noppen´ vruchtpluis. Dit pluis bestaat uit lange, holle uit de vruchtwand gevormde vezels. De ruwe kapok, het pluis met de zaadjes, werden in de zon gedroogd, en omgewoeld met vorken waardoor de zaadpitjes loskwamen van het pluis. Met ontpitmolens werden daarna de pitjes verwijderd in de fabriek. De vezels zijn licht, veerkrachtig en warmte isolerend. Deze eigenschappen maakten kapok geschikt als vulmiddel voor matrassen en kussens. Het werd ook gebruikt als geluiddempend materiaal in bijvoorbeeld vliegtuigen. Vezel van kapokproducten met het merk ´Javakapok´, evenals kapokpitten, kapokpittenolie en kapokpitten perskoek werden uitgevoerd naar Nederland, Australië en Amerika. Het gebruik van nootmuskaat

Nootmuskaat en foelie zijn ingrediënten voor een groot aantal producten. In het westen worden beide ingrediënten gebruikt om producten zoals koekjes, gebak, sausen en vlees smaak te geven. Nootmuskaat is essentieel in advocaat en hete grogs. Zelfs in ´Chaucer´s Canterbury Tales´ wordt nootmuskaat in bier aanbevolen. Extract van nootmuskaat olie geeft voedsel, frisdranken, likeuren en parfums aroma. Het is mogelijk ook onderdeel van het geheime recept van Coca Cola. In spuitbussen verdoezelt het de onaangename geur van het actieve bestandsdeel. De olie wordt gebruikt in medicijnen zoals Vicks Vaporub. Nootmuskaat boter is verwerkt in zeep en shampoo. Een smeersel van nootmuskaat boter wordt gebruikt als anti allergisch middel en verlicht reumatische pijn. Foelie wordt gebruikt om ketchup op smaak te brengen. Foelie olie vormt onderdeel van de complexe chemie van de parfum industrie. In de Aziatische volksgeneeskunst wordt gemalen nootmuskaat aanbevolen bij teveel eten, winderigheid, maagzuur en als versterking na een bevalling. Tevens wordt het ook gebruikt als middel tegen bloeddiarree, heupjicht, malaria, lepra en reumatiek in een vroeg stadium.

Tin

Tin wordt veelal aangetroffen als tinsteen. Na een raffinageproces door verhitting komt het als een witglanzend metaal tevoorschijn. Tin is goed pletbaar en kan bij een normale temperatuur gewalst worden tot zeer dunne blaadjes zoals tinfolie of zilverpapier. Door deze eigenschap werd tin in de 18de eeuw een belangrijk handelsartikel. Dit kwam door de enorme export mogelijkheid naar China. De VOC bestelde thee in China en betaalde dit met tin. In China was er een grote behoefte aan tinfolie. Bij Chinese godsdienstige ceremonies werd tinfolie in offerpapier gebruikt als symbolische vervanging van offerandes in de vorm van zilvergeld. Het meeste tin kwam van de eilanden Bangka, Billiton en Singkep, gelegen voor de oostkust van Sumatra. De exploitatie van de drie afzonderlijke tin maatschappijen kwam later in handen van de in 1924 opgerichte Gemeenschappelijke Mijnbouwmaatschappij Billiton. Een samenwerkingsverband tussen de drie maatschappijen en het Gouvernement. Niet alleen aan land, maar ook op zee ronde de drie eilanden waren grote baggermolens bezig met het winnen van tin.

Kinine

Zuid-Amerikaanse indianenstammen kenden de bast van de kinaboom als geneesmiddel. Via de Spanjaarden werd het in Europa bekend, maar niemand wist van welke boom de kinabast afkomstig was. Pas in 1846 vond de Engelse plantkundige Weddell een kinasoort in Bolivia, die daar als de beste werd beschouwd. In latere jaren verzamelden vele onderzoekers kinaplanten materiaal uit Zuid -Amerika. Uit alle ter beschikking staande soorten werd op de gouvernement´s kinaonderneming gekozen voor de Ledgeriana en de Succiruba soorten. In de bergstreken werden beide soorten door grote ondernemingen gecultiveerd. Om de bast van de kinaboom te kunnen verwijderen moest de boom geveld worden. Er was geen andere methode. Ieder jaar werd een aantal bomen geveld. Herbeplanting vond op vrij korte afstand plaats, n.l. op een meter twintig van elkaar. De bast werd van de stam afgeschild en gedroogd in de zon of droogovens. Zeventig procent van de kinabast werd geëxporteerd Nederlands Indië had in 1936 negentig percent van de wereldhandel van kinabast in handen. De restanten van de bast werden verwerkt in de kininefabriek in Bandoeng.

Het in gebruik nemen van een Ladàng

Het zoeken naar een geschikt terrein voor het aanleggen van een ladang gebeurt met grote zorgvuldigheid. Eerst wordt onderzocht of op het stuk bos insecten voorkomen die schadelijk kunnen zijn voor de rijstverbouwing. Daarna worden aan de voet van een grote boom offergaven neergelegd. De doekoen (wonderdokter) of de landbouwer spreekt zelf zijn gebeden/prevelementen (mantra´s) uit. Als de boom gekapt wordt begint het eigenlijke werk. Het kleine hout en onkruid worden weg gekapt. Daarna worden de zware bomen op een hoogte van drie of vier meter geveld. De gevelde bomen en al het andere hout wordt na een droogperiode van een maand of langer in brand gestoken. Nadat de brand is uitgewoed worden de halfverkoolde stammen en takken nogmaals verbrand. Alleen de halfverkoolde zware stammen blijven liggen. Tenslotte wordt een omheining rondom het terrein aangebracht tegen de wilde zwijnen. Na het kappen van het bos vindt er geen bewerking van de humusrijke meer plaats. Nu kan men beginnen met het op korte afstand van elkaar poten (dit voorkomt de ongebreidelde groei van onkruid) van de padi. Met een puntige stok worden om de circa twintig à dertig centimeter gaten in de grond geprikt. In ieder gat worden een aantal korrels rijstzaad geworpen. De ladang rijst vergt weinig onderhoud. Na vijf of zes maanden kan de rijst worden geoogst. Om tot kiemen te komen is vooral in het begin het toedienen van water onontbeerlijk.

Cassave of ketèla pohong

Omstreeks 1900 was de cassave in vele streken van Indië nog onbekend. Tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen er een schaarste aan rijst was, werd het knolgewas in snel groeiend tempo geteeld. De cassavewortel neemt nu een belangrijke plaats in als voedingsmiddel voor de Indonesische bevolking. Cassave wordt als stengelstekken geplant met de spruiten naar boven gericht. Dit voorkomt opeenhoping van blauwzuur tijdens de groei, in de eetbare wortelknollen. Het gewas stelt geen eisen aan de soort bodem en kan op allerlei grond worden geteeld, behalve op kleigrond. De groeiduur van de knollen varieert. De bevolking oogsten de cassaveknollen van de vroeg rijpende variëteit na ongeveer zes tot negen maanden, en de laat rijpende variëteit na tien tot twaalf maanden. Voor consumptie doeleinden wordt de cassaveknol gepoft, gekookt, gestoomd of gebakken in olie. In de warongs (winkeltjes) zijn allerlei versnaperingen van de cassaveknol verkrijgbaar. Opàk als geroosterde platte koek of droge kroepoek. Met “ragi” gegiste  stukken, gesneden en gekookte Soendanese peujum ofwel op Javaanse tapé genoemd en Javaanse getoek  koek. Voor de export worden de knollen geschild, in stukken gesneden en gedroogd tot  gaplèk bestemt voor veevoer, of gemalen tot ongezuiverd gaplek meel. Tapiocameel wordt fabrieksmatig geproduceerd door het cassavemeel extra te zuiveren van schadelijke stoffen, waaronder een minimaal gehalte aan blauwzuur, uit de knolwortel.

Kruidnagel (Tjengkèh)

Kruidnagelbomen werden aanvankelijk alleen op de Molukken aangetroffen. Pas in het laatste decennia lukte het de Fransen de zaden en plantjes over te brengen naar Mauritius. Vandaar werden ze verspreidt naar Madagaskar, Zanzibar, en het Caribisch gebied. De bijzondere eisen die de kruidnagelboom stelde aan de bodem en het klimaat beperkte de spreiding er van. De nootmuskaatbomen vergen voor wat betreft het telen en de verzorging ervan weinig energie en tijd. Wel vragen ze langdurige aandacht. Er ligt tussen het aanplanten en de bloei van de boom een lange periode. Een kruidnagelboom draagt pas na tien tot twaalf jaar vruchten en bereikt een leeftijd van vijftig tot zestig jaar. De bomen staan in bloei tussen oktober en januari. De bloesemtrosjes worden dan geplukt door in de boom te klimmen of door de takken met een haak bevestigd op een lange bamboestok naar beneden te halen. Het plukken is zeer arbeidsintensief. Als de knoppen beginnen te bloeien zijn er slechts enkele dagen beschikbaar om deze te plukken, omdat de aroma ervan snel afneemt. In verband met de broos/teerheid van de knopjes moet het plukken van de bloesem voorzichtig plaats vinden. Kaneel

De kaneelboom groeit het beste in een gebergte op een hoogte van ongeveer duizend meter. De boom groeit probleemloos en die af en toe wordt toegepast voor herbebossing en als wegen beplanting. De bevolking in de bergachtige streken planten de boom op erven of in tuintjes. De boom groeit eveneens goed in lager gelegen gebieden, alleen is de bast dan dunner. In de kaneeltuintjes staan de bomen ongeveer twee meter van elkaar en dus is er sprake van dichte beplanting. Zeven of acht jaar na de beplanting kan de bast geoogst worden. Eerst wordt de kurklaag van de stam geschraapt. Daarna wordt de stam van boven naar beneden en in ringen overdwars ingesneden. De afstand tussen de ringvormige insnijdingen bedraagt ongeveer tien centimeter, afhankelijk van de dikte van de stam. Tussen de sneden in kan de bast probleemloos van de stam worden afgescheurd. Vervolgens wordt de boom geveld vanaf ongeveer vijf centimeter van de wortelhals. De bast wordt ook afgescheurd van de dikkere takken. De bast ervan is dan wel dunner en minder geurig. Gedurende het drogen en na het verwijderen van de buitenlaag rollen kleine stroken zich ineen tot zogenaamde pijpkaneel. Uit het bastafval wordt kaneel olie gedestilleerd.

De Deli tabaksindustrie

In 1858 onderwierp het kleine sultanaat Deli, gelegen aan de oostkust van Sumatra, zich aan het Nederlandse gezag. Als beloning hiervoor kreeg de sultan een rechtstreekse zakenrelatie met Batavia. Enige tijd later meldde zich J. Nienhuys, een ondernemende tabaksplanter uit Java, bij de sultan Mahmoed en verkreeg van hem een concessie met uiterst gunstige voorwaarden. Voor een pikol (is hoeveelheidmaat) van zestig kilo uitgevoerde tabak betaalde Nienhuys een prijs van vijftig cent. Java tabak bracht toen al op de Nederlandse veilingen een gulden per kilo op. In 1864 kwamen de eerste 50 pakken Deli tabak op de Nederlandse markt. De kwaliteit bleek schitterend te zijn, en vooral het Deli dekblad voor de sigaren fabricage kreeg de hoogste lof. De tabaksindustrie van Deli was toen nog beperkt tot een gebied van zeventig kilometer lang en zestig kilometer breed. In 1865 werd de Deli tabak geveild voor een gulden en negenenveertig cent per pond. De hoogste veiling prijs in de 19de eeuw. Deli tabak was voor de fabrikant en gebruiker ervan een sensatie. In 1870 werd de Deli Maatschappij opgericht in Nederlands Indië. Dit was de eerste naamloze vennootschap waarvan de directie niet in Indië, maar in Amsterdam zetelde. In het eerste jaar werd 200% dividend uitgekeerd. In het derde jaar zelfs 1.300%.

Java teak

Teak is een houtsoort afkomstig van de Tectona Grandis boom die groet in Birma, Thailand, Laos Vietnam en Indonesië. Later werd de Tectona Grandis in andere werelddelen aangeplant. De houtsoort ontleend haar bekendheid aan het feit dat het hout meer goede eigenschappen in zich heeft dan alle andere houtsoorten. De kleur van het hout is licht- tot donkerbruin en is vaak fraai getekend. Het is wat grof van nerf, niet te hard en niet te zwaar. Het is sterk en nagenoeg krimpvrij. Het is uitzonderlijk duurzaam, redelijk bestand tegen termieten en vele soorten chemicaliën. Hoewel gemakkelijk bewerkbaar, heeft het de eigenschap gereedschap snel bot te maken. Vroeger werd het hout in de scheepsbouw (als scheepsdekken) en in de woningbouw gebruikt. Door de vermindering van het aanbod is teak een dure houtsoort geworden en wordt het selectief in toepassingen gebruikt, waaronder als dekfineer. Naar gelang van herkomst maakt men onderscheid tussen Birma teak, Siam teak en Java teak. Het kwaliteitsverschil tussen deze drie soorten is minimaal. In Indië is teak bekend onder de naam kajoe djati. De naam ´teak´ word dikwijls gebruikt voor ander houtsoorten, om de goede eigenschappen te suggereren. Benamingen als African teak, Rhodesian teak en Yang teak zijn onjuist. Alle teak is hout, maar niet alle hout is teak!

Citronella olie(Seréholie)

Het seréhblad wordt in de keuken gebruikt om vele gerechten een aangename geur te geven. Uit de bladeren van sereh en aanverwante grassoorten komen etherische oliën die dienen als kruiden, geneesmiddel en een wrijfmiddel voor spierpijn. Seréhgras, citronellagras en lemongras zijn nauw aan elkaar verwant. De bladeren van deze grassoorten leveren een heerlijk geurende olie op. De wortels van een vierde aanverwante grassoort, vertivergras of akar wangi (geurige wortel) leveren ook olie op. De groeimethode van de grassoorten is identiek. De bladeren steken ongeveer één meter boven de aarde uit vanuit dicht op elkaar gedrongen pollen. Het gras wordt geteeld door ondernemingen en in de tuinen van de bevolking. De teelt vindt plaats door gewortelde stengels van oude planten af te scheuren, en die in een kuil te planten. De dicht tegen elkaar groeiende loten vormen pollen waarvan de bladeren geleidelijk naar boven groeien. Vroeger werd in kleine fabriekjes en thuiswerk met primitieve distilleerapparaten etherische oliën verkregen. Later werd het merendeel opgekocht door ondernemingen voor verwerking tot seréh-, citronella-, en lèmonolie. Vooral de citronellaolie was een gewild exportartikel. De wortels van het akar wangi (geurige) gras leverden de bekende akar wangi olie op. Deze olie was ook geliefd bij de Europese dames in Indië. Vanwege de aangename geur werden de wortels ook in de linnenkast gelegd.

Cacao

De cacaoboom heeft een eigenaardige groeimethode. Er wordt een zaadje geplant en hieruit groeit een boom van ongeveer 2 tot 5 meter hoog. Aan de top vormt zich een schijnkrans van meestal vijf schuin omhoog groeiende hoofdtakken. Vanuit de hoofdtakken vinden verdere vertakkingen plaats. Aan de stam groeien verder geen zijtakken, maar wel verticale waterloten die het proces herhalen. Zo ontstaan er verschillende etages van hoofdtakken boven elkaar. De bomen leveren de eerste cacoa-vruchten in het derde of vierde jaar. Na zeven tot vijftien jaar levert de boom een maximale opbrengst. De bomen worden dertig tot vijftig jaar oud. De vrucht (kolf) is ovaal van vorm en vijftien tot twintig centimeter lang. De zaadinhoud bestaat uit vijfentwintig tot vijftig zaadjes in vijf overlangse rijen. De rijpe vruchten worden met een kapmes afgekapt, open gekapt en op afgedekte hopen gelegd. Hierna vindt gedurende enkele dagen het fermentatie proces plaats, waardoor de bonen door gisting en bacterievorming de karakteristieke smaak/ en reukstoffen van cacao verkrijgen. Daarna worden de bonen gedroogd in de zon. Het volgende proces levert cacaopasta, cacaoboter en cacaopoeder op. Dit zijn noodzakelijke ingrediënten voor verwerking in de chocolade-, cosmetische-, en farmaceutische industrie. Java cacao was van uitmuntende kwaliteit.

Rituelen bij de rijstbouw

De boer bewerkt zijn sawah met de hand of met een door ossen getrokken ploeg. De grond wordt onder water gezet en verder bewerkt tot het de consistentie van modder heeft bereikt. Het zaad wordt uitgelegd in kweekbedden en als de plantjes vier tot zes weken oud zijn worden ze overgeplant in de sawah. Tegen de oogsttijd wordt de sawah droog gelegd. De rijst wordt geoogst of met een sikkel of op de traditionele manier door met een handmesje, de ani-ani, elke halmtop afzonderlijk af te snijden. De afgesneden halmtoppen worden dan gedroogd en gedorst. Gedurende de rijstbouwcyclus worden offers aan de goden, de geesten en demonen gebracht om hen gunstig te stemmen. De geesten van voorouders krijgen speciale aandacht. Op Java en Bali wordt de rijst verpersoonlijkt door de godin Dewi Sri. Als de rijst bloeit, is Dewi Sri zwanger. Op altaren in het veld legt men zure vruchten, suiker, bananen en eieren. Voedsel waar de meeste zwangere vrouwen dol op zijn. Op de archipel heeft rijst net als mensen, dieren en andere planten een ziel. Met vele rituelen beoogt men de ziel van de rijst in de aren vast te houden. Verlaten de zielen om welke reden dan ook de rijst, dan gaat de rijst dood   .

Koffie

Koffie komt oorspronkelijk uit het gebied ten zuiden van de Rode Zee, voornamelijk uit Jemen. Mokka, de havenstad van Jemen ontwikkelde zich destijds tot de grootste havenstad. Afhankelijk van de hoogte waarop de teelt plaats vond wordt de koffiesmaak en geur door de natuur bepaald en noemt men het product koffie Arabica of  Robusta op de koffiemarkten  van de wereld. De VOC had omstreeks 1660 een handelskantoor in Mokka en was in een felle concurrentiestrijd verwikkeld met de Oost Indische compagnieën van Engeland en Frankrijk. De Europese vraag naar koffie bleef gestaag groeien. Het lukte Nederlandse kooplieden bij het einde van de 17de eeuw om enkele koffieplantjes mee te nemen uit Jemen. Er werd met succes geëxperimenteerd met de koffieplantjes in de Preanger, de berglanden van west Java. Enkele jaren later was de koffie industrie op gang gekomen. Vele boeren verbouwden koffie en ontvingen daarvoor een hoge prijs. Volgens het gangbare VOC concept werden de boeren, via hun inheemse hoofden, verplicht alle koffie aan de VOC te leveren. De Java koffie werd in Nederland goed ontvangen en overvleugelde zelfs de Mokka koffie. Vanwege de groeiende productie van Java koffie werd omstreeks 1740 de VOC handelspost in Mokka opgeheven.

De ontwikkeling van de rubber industrie

Brazilië het enige rubber exporterend land in de wereld tot dat de Engelsman Wickham in 1876 nauwkeurig geselecteerde zaadjes van de Braziliaanse rubberboom (Hevea brasiliensis) naar Engeland bracht. De Engelsen zagen in, dat rubber een nieuw winstgevende industrie kon worden. Zij legden Hevea plantages aan in Malakka en Ceylon. In Nederlands Indië ontstonden de eerste rubberondernemingen in 1903 op Sumatra en in 1906 op Java. In het begin van 1900 begon de ontwikkeling van de automobiel industrie. Hierdoor steeg de behoefte aan rubber voor de fabricage van banden. Na 1910 werd rubber van grote betekenis voor Indië, niet alleen als industrie maar ook voor de bevolking. De vraag naar rubber overtrof de productie. In een snel tempo ontstonden in Indië nieuwe rubberplantages. In 1910 was 75.000 hectare grond met hevea beplant. In 1940 bedroeg de beplanting ongeveer 600.000 hectare grond, met 600 ondernemingen op Java en 600 in de buitengewesten hoofdzakelijk op Sumatra. Ook de bevolking legde kleine plantages aan. Veel Indonesiërs uit Borneo en noord Sumatra waren als koelie (grondarbeider)  werkzaam geweest bij rubberondernemingen in Malakka. Zij brachten de zaadjes mee naar huis en legden kleine rubberplantages aan. Door de hoge prijs van rubber na 1910 begonnen de Indonesiërs zich toe te leggen op de productie van rubber. De plantages hadden een gemiddelde grootte van ongeveer een hectare. Meestal werden de rubberplantjes geplant op de afgedankte ladàngs (grond voor droge rijst cultuur). De bomen hadden geen verzorging nodig en werden een paar jaar aan hun lot overgelaten. Het tappen en de bereiding van de rubber gebeurde op verschillende primitieve manieren. Over het algemeen werd de stam ingekerfd met sneden die schuin naar onder liepen. Aan het einde werd een tapbeker gehangen, die dagelijks werd geledigd. Meestal werd de latex in gehalveerde petroleum of benzineblikken verzameld en gemengd met aluin. Met mangeltjes of door plat trappen werd de substantie tot  koeken verwerkt, die in de zon worden gedroogd. De koeken, die nog een grote hoeveelheid water bevatten, gaan via een opkoper naar een verwerkingsfabriek. Op Sumatra en Borneo waren ongeveer 800.000 kleine rubberplantages. Het aandeel van deze plantages was goed voor 45% van de rubberexport. Met 38% van de wereldproductie werd rubber voor Indië het belangrijkste export product.

Arachide

De Katjang Tanàh of aardnoot is een plant die zijn vruchtdragende bonen onder de aarde ontwikkeld. De nootjes werden verwerkt tot de bekende arachide olie. Het apenootje of olienoot of gewoon pinda heeft een bijzondere en merkwaardige wijze van vruchtvorming. De bloemetjes ontstaan op een of twee korte steeltjes in de oksel van de onderste bladeren. Na de vruchtzetting groeit de plant en ontstaat er een langere steel van ongeveer twintig centimeter lengte met aan het einde de jonge vrucht. Vervolgens boort de steel zich in de rulle grond. Op een diepte van ongeveer vijf centimeter ontwikkelt de vrucht zich tot het bekende “katjang” of pindapeultje met twee of drie zaden erin. (pinda´s). De bevolking plantte de katjang tanah (aardnoot) na de rijstoogst, vaak als tweede gewas,op de ladàng of de sawah. Voor de teelt is losse grond vereist waar de plant met wortels makkelijk kunnen binnendringen. Gedurende de groei van de plant heeft het veel water nodig, maar gedurende het rijpingsproces is juist droge grond vereist. Het is dus duidelijk een gewas voor de laagvlakte. Na de oogst worden de plantenresten als mest in de grond verwerkt. De noten werden verwerkt tot olie. Dit gebeurde zowel in moderne fabrieken als in de kleine oliebedrijven van de tani (boer) zelf. Arachide olie is een lekkere slaolie die in de fabricage van margarine en de zeepindustrie wordt gebruikt. De pindanoot zelf wordt ook gebruikt en verwerkt tot ingrediënt voor gerechten of als onder andere beleg op brood.

Palmolie

Sinds 1911 was de palmolie industrie op de oostkust van Sumatra en Atjeh tot grote ontwikkeling gekomen. Een aantal kleinere ondernemingen bevonden zich op zuid Sumatra, Celebes en Java. Voor de productie van goede en geschikte palmnoten voor de palmolie grondstof, heeft de cocos- en sawitpalm een tropische temperatuur nodig. Deze palm ondernemingen lagen nooit hoger dan 500 meter boven de zeespiegel. Er mocht niet teveel regenval plaatsvinden en een korte droge periode was noodzakelijk. De cocos- en de sawitpalm, stellen verder weinig eisen aan de bodem waarop ze groeien. De verwerking van de oliepalmvrucht moest echter bij voorkeur ter plaatse plaats vinden. Het basisproduct vóór het verwerkingsproces tot olie, i.c. een laag vetzuur gehalte, verminderde kwalitatief vrij snel. Langdurige transporten ervan waren daarom toen economisch niet haalbaar. Onder westerse leiding bestond de palmolie industrie daarom uit een gebied van minimaal vijftien hectaren met een verwerkingsfabriek ter plekke. Vanwege de gering binnenlandse consumptie (men gebruikte cocosos/klapper-of sawit palmolie hoofdzakelijk voor het bakken van voeding) werd bijna alle palmolie geëxporteerd. Rond 1940 bedroeg de export 50% van de totale wereld export.

De Kina industrie

Indianenstammen in Zuid- Amerika gebruikten de bast van de kinaboom als geneesmiddel. De Spanjaarden introduceerden de bast in Europa, maar niemand wist van welke boom die afkomstig was. Pas in 1846 ontdekte de Engelse plantenexpert Weddell een kinaplant soort in Bolivia, die daar als de beste werd beschouwd. Later verzamelden vele onderzoekers kinasoorten en planten materiaal van Zuid -Amerika. Het Oost Indische koloniale gouvernement koos voor haar kinaonderneming in de Preanger de Ledgeriana en Succiruba soorten. In de bergstreken van west Java werden beide soorten door grote ondernemingen gecultiveerd. Om de bast van de kinaboom te kunnen afscheiden moet de boom gekapt worden, hetgeen de enige juiste werkmethode methode is.  Elk jaar werd een aantal bomen geveld. Herbeplanting vond plaats op korte afstand (ongeveer een meter en twintig centimeter ) van elkaar. De bast werd na het vellen van de stam verwijderd en gedroogd in de zon of in droogovens. Zeventig procent van de opbrengst werd geëxporteerd. Indië had negentig procent van de kina wereldhandel in handen. Het restant van de binnenlandse productie werd afgeleverd aan de kininefabriek in Bandoeng.

Opium( Tjàndu)

Door inkerving in de onrijpe zaaddozen van de papaver plant komt een sap vrij die snel stolt. Dit is opium. De kleverige substantie wordt in kleine hoeveelheden gedroogd en heet ruwe opium. Deze gedroogde substantie wordt tot bollen of plakken van ongeveer een halve kilo geslagen, in bladen gewikkeld en zo verkocht. Voordat de opiumbol kan worden geconsumeerd wordt het opgelost in water, gezuiverd van vezels en ander verontreinigende bestandsdelen, en dan weer ingedroogd tot een pasta. Als genees- of bedwelmingsmiddel is opium bekend door het belangrijkste bestandsdeel, morfine. Opium heeft echter groter bekendheid gekregen als een genotsmiddel. Het inhaleren van opium geeft enige tijd een roes van welbehagen of depressie aan de gebruiker. De VOC kocht opium voornamelijk in Bengalen in India.  De opium was bestemd voor de Javanen en Chinezen bij wie het een populair genotsmiddel was. Nadat de Engelsen omstreeks 1760 Bengalen veroverden werd het voor de VOC steeds moeilijker om opium te kopen. Door de hoge prijs voor kleine hoeveelheden werd er op grote schaal gesmokkeld in opium. Thans vindt de productie van opium vooral in klein Azië plaats.

Javaans rundvee

Lang geleden werd vanuit Bengalen in India, de Zebu of Bultrund op Java ingevoerd als tam rundvee. De zebu behoort tot de holhoornige herkauwers. De runderen kenmerken zich door een vetbult op hun nek en een los hangende huidplooi aan hun borst en keel. Ze komen voor in tropische en subtropische gebieden vanwege hun warmte weerstand, evenals in sommige gebieden van India, Australië en Midden- en Zuid Amerika. Vroeger kwamen ze nog in het wild voor, maar tegenwoordig zijn ze tam. Javaans en Sumatraans rundvee is een kruising van de zebu en een tamme afstammeling van de Sapi Banteng. Verwant aan de zebu, leefde de sapi banteng in Indonesië op Oost Java in het natuurreservaat “Alas Purwô” nog in het wild, in Borneo en op Malakka en India. De sapi banteng is de stamvader van het Madoerese en het Balinese rundvee, het dier heeft een schofthoogte van ongeveer 1.50 meter en is rood bruin van kleur met soms witte vlekken. Zowel de koeien als stieren dragen hoorns. De sapi (Japans voor rund) doet voornamelijk dienst als trekdier. Op de sawah trekken een tweetal sapi´s de ploeg van de landbouwer voort. Op de wegen zijn ze als twee- of viertal ingespannen voor grote huifkarachtige wagens (grôbaks) volgeladen met landbouw producten zoals rietsuiker of knolgewassen, enzovoorts.

De Oebi (zoete knolsoort)

De oebi is een kruipplant afkomstig uit het tropische gedeelte van Amerika. De wortelknollen zijn rijk aan zetmeel en hebben een zoete bijsmaak. In Noord -Amerika is de plant beter bekend als ´sweet potato´. In Indië wordt de oebi belangrijk als voedsel wanneer de rijst voorraad opraakte. Dit vond meestal plaats  in de laatste vier maanden voor het plantjaar. In die periode rijpen bovendien de knollen van de aangeplante oebistekjes. Gedurende de droge moeson-periode die in de tijd tussen juli en augustus aan breekt, teelt de landbouwer de oebi op de drooggevallen sawah´s na de rijstteelt. De losse rijstplant overblijfselen, worden na de oogst in vijftig centimeter brede rijen bijeengeschoffeld. De grond tussen de rijen stro wordt omgewoeld met een patjoel en verdeeld over het stro. Hierdoor ontstaan verhoogde plantbeddingen. De stekken worden tot minstens twintig centimeter diep in de losse teeltlaag gestoken. Na drie tot vijf maanden is de plant volwassen en de knollen volgroeit. De bladeren beginnen dan roodachtig te verkleuren en te verwelken. Door de stengels en de bladeren enige dagen voor de oogst te kneuzen wordt de groei van de knol extra gestimuleerd. Dit is het kenmerk voor de oogsttijd. Er bestaan veel oebi varianten. Ronde knollen met een witte schil (bolèd lampèneng), langwerpige knollen met een wijnrode schil (bolèd lampèkung) en nog andere varianten. De bewaartijd van de eetbare knollen zijn beperkt tot maximum een week à twee weken. Daarna krijgen de knollen weer uitlopers of rotten weg.

De sojaboon

De katjang kedelai werd lang geleden ingevoerd uit Mantsjoerije als belangrijk voedingsmiddel voor de bevolking. Na 1920 kwam de soja industrie op Java goed op gang, zodat de oogst aan de binnenlandse behoefte kon voldoen. Het telen van de katjang kedekai (kedelaibonen) vindt grotendeels plaats als tweede gewas op de sawah´s na de rijstoogst en soms op tegàlans (braakliggende grond voor de landbouw). Deze grond mag tijdens het zaaien van de kedelai-erwten niet droog zijn. De groeitijd van de kedelaiplant tot het rijpen van de peulen bedraagt gemiddeld drie maanden. De  kedelaiplant wordt meestal in combinatie geteeld met andere gewassen waaronder cassave, katjang idjo (groene erwt wordt mede gebruikt voor het maken van taugé), mais of terong (obergine). Gedurende het oogsten worden de planten handmatig uit de grond getrokken en in bossen gebonden. Ze worden daarna gedroogd in de zon en gedorst door er met een stok op te slaan. De bonen komen dan vrij. Zwarte kedelai zijn bonen met een donkerbruine vlies en vruchtvlees, terwijl de witte kedelai  bonen  ivoor kleurige vlies. en vruchtvlees hebben. De witte bonen worden gekookt en na toevoegingen tot langwerpige koeken geperst. Na afkoeling ervan worden de koeken op een donkere plaats opgeslagen en onder een constante temperatuur gehouden. Het eindproduct heet Tempeh. Van het bezinksel van met water vermengde gemalen witte kedelaibonen wordt onder toevoegingen Tahoe/Taufu gemaakt. Ketjap wordt aanvankelijk in de desa’s gemaakt. Later vond de fabricage van sojasaus (kètjap) in fabrieken plaats. De sojasausproductie was over het algemeen in handen van Chinezen. Dit product was een mengelmoes van gekookte en gemalen witte kedelaibonen met rode klapper-of arènsuiker en zout. Van de zwarte kedelai-erwt maakt men onder toevoegingen taotjo. Dit is een ingrediënt/smaakmaker, die men zowel in de Indische- als Chineze keuken veelvuldig gebruikt. De kedelai-erwt is een peul die veel vitaminen, mineralen, zetmeel en eiwitten bevat en die daarom voor vegetariërs als vleesvervanger dient. Het heeft bovendien een golestrol verlagende eigenschap.

In Indië komen een groot aantal geneeskrachtige kruiden voor die bij allerlei kwalen worden gebruikt. Het is normaal, dat elke dag een tukang Jamu’s ( kruiden-verkoopsters) met zelfgemaakte kruidendrankjes langs de deur komen en hun waar aanbieden. De kruidendrankjes  vinden enorme aftrek onder de bewoners. Sommige kruiden worden gebruikt om direct de ziekte te bestrijden, terwijl andere kruiden preventief tegen ziekten worden ingenomen. Enkele van de kruiden zijn: Temoe Lawak is een knol die met toevoegingen van o.a. asem (tamarinde) en bruine suiker gekookt wordt. Het product/drankje  werkt bloedzuiverend. Koemis Kutjing wordt gekookt, getrokken en als thee gedronken en zuivert de nieren; Dauoen minjana wordt na gewassen te zijn, fijn gemaakt. Het sap reinigt  de ogen en geneest oogziekten; Kentjoerknollen worden gewassen en met wat zout vermengd gekauwd, en langzaam doorgeslikt . De sappen genezen keelaandoeningen; Dezelfde knollen kentjoer vermengd met fijngemalen rauwe rijstkorrels en met water tot een papje gemengd worden bij kneuzingen over de zere plek gesmeerd, waardoor de pijn verdwijnt en de opzwelling spoedig slinkt, Jonge Djambu kloetoekbladeren met zout vermengd en geconsumeerd stoppen diaree; Een borrel glaasje petroleum op de nuchtere maag gedronken, verlicht en geneest keelproblemen, hoest en astma aanvallen. Zo zijn er nog honderden andere toepassingen waarbij geneeskrachtige kruiden een grote rol spelen.

De exploitatie van Minjaktanah (Aardolie)

Op Java en Sumatra werd al heel lang geleden aardolie gewonnen door de inheemse bevolking. De “Minjak Tanah” kreeg faam als geneesmiddel tegen allerlei kwalen. In 1879 werd bij de plaats Wonocolo in Oost Java de eerste olieplaats ontdekt en werd de olie op “primitieve” wijze door de Dortse Petroleum Maatschappij (DPM) gewonnen. In 1883 ontdekte een tabaksinspecteur op Sumatra in het sultanaat Langkat, grenzend aan Atjeh een tweede oliebron. De sultan verleende hem een concessie. De minjak Tanah borrelde op enkele plaatsen zo uit de grond. In 1885 was de financiering voor het boren rond en werd in dat jaar de tweede aardoliebron in Nederlands Indië productief gemaakt. In 1890 verleende koning Willem III financiële steun voor de oprichting van de “Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Exploitatie van Petroleumbronnen in Nederlands Indië”. De “Koninklijke” richtte zich in eerste instantie op noord Sumatra. In Pangkalan Brandan werd een primitieve raffinaderij gebouwd en het hoofdkantoor gevestigd. Het was een risicovol bedrijf. Men had weinig kennis van de bodem situatie en aanvallen van benden uit Atjeh waren aan de orde van de dag. Niettegenstaande de tegenslagen werden de aandelen van de “Koninklijke” meer waard en de dividend uitkering was redelijk. Ruim zeven jaar later ontstond er een ramp voor het bedrijf. De bronnen van Langkat waren plotseling opgedroogd en er bevonden zich in de nabijheid geen andere oliebronnen. Naarstig werd naar alternatieven gezocht!

De redding van Koninklijke Olie

Na het droogvallen van de oliebronnen in Telaga Said in het sultanaat Langkat op noord Sumatra was het voor Koninklijke Olie een zaak van leven en dood om zo snel mogelijk nieuwe oliebronnen te vinden. Die werden uiteindelijk gevonden in de kuststaatjes van noord Atjeh, vooral in het sultanaat Perlak. Juist in deze kustplaatsjes heerste geweld en terreur. Het gezag van het Indische gouvernement werd hier niet erkend en chaotische toestanden waren aan de orde van de dag. Pas nadat kolonel van Heutz een einde maakte aan de opstanden en Perlak militair had bezet, kon de “Koninklijke Olie” met het aanboren van oliebronnen starten. Het bedrijf was gered uit zijn benarde situatie. Kolonel van Heutz verzette zich hevig tegen de plannen van de olie maatschappij om de olie van Perlak naar Langkat via pijpleidingen te transporteren. Hij wilde een raffinaderij in Perlak om zo Atjeh te ontwikkelen. Ondanks zijn hevig verzet kon hij niet op tegen de sterke lobby van Koninklijke Olie in Den Haag en Batavia. Hij moest het afleggen tegen de olie maatschappij. Koninklijke Olie ontwikkelde zich snel tot een geduchte concurrent van de Olie Maatschappijen in  het Verre Oosten. Het verschijnen van Koninklijke Olie op de Europese markt veroorzaakte een jarenlange concurrentie strijd o.a. met Amerika.
De strijd om aardolie in Nederlands Indïe.

Na een fusie met het Engelse oliebedrijf in 1907 probeerde het nieuwe bedrijf Koninklijk Shell de monopolie over de oliewinning in Nederlands Indië te verkrijgen. In Palembang werd ”Moeara Enim” overgenomen en  later de “Dortse Petroleum maatschappij”, die oliebronnen in Wonocolo op Java exploiteerde. De Nederlandse regering weigerde concessies af te geven aan andere bedrijven, waardoor de “Koninklijke Shell” een tijd lang monopolie in Nederlands Indië had. Later kwam de concurrentie van het Amerkaanse bedrijf “Standard Oil of New Jersey”, eigendom van de familie Rockefeller. Door aankoop van oude concessies kreeg het bedrijf voet aan de grond. “Standard Oil” richtte de “Nederlandse Koloniale Petroleum Maatschappij” op (NKPM). Op grond van één van deze oude concessies werd in 1926 een grote raffinaderij gebouwd in Sungai Gerong aan de Kommering-rivier, een zijarm van de Moesi- rivier tegenover de BPM raffinaderij te Pladjoe. In 1939 werd deze raffinaderij de grootste van het verre Oosten. De naam NKPM was intussen gewijzigd in “Standard Vacuüm Petroleum Company” (Stanvac). Ook “Caltex” werd in 1939 actief in Nederlands Indië. In begin 1940 werd de oliewinning in Nederlands Indië verdeeld onder “de Grote Drie”  tw. “Shel”,” Stanvac” en” Caltex” het monopolie van deze drie werd later door wereld politieke beslissingen doorbroken.

Japanse handelseisen m.b.t. het leveren van olie

Schizo Kobayashi was de Japanse minister van handel. In september 1940 kwam hij, in opdracht van zijn regering, met een handelsmissie naar Nederlands Indië. Hij maakte de Nederlanders duidelijk dat sinds de capitulatie van de Nederlandse regering het beter zou zijn, als zij met het machtige Japan op goede voet zouden blijven en begrip  tonen voor de Japanse levensbehoeften. Boven aan de Japanse verlanglijst stond de levering van een enorme hoeveelheid olie. Olie vormde de sleutel tot de militaire overwinning waardoor Japan de heerser en ´beschermer´ van heel oost Azië zou worden. De olievelden van Sumatra, Borneo, Java en Nieuw Guinea namen dus in de onderhandelingen de eerste plaats in. Naast olie werd ook onderhandeld over de leveringen van rubber, tin, nikkel, mangaanerts, kinine en de opheffing van visserij beperkingen voor Japan. Tevens eiste de Japanse handelsmissie de opening van directe lucht verbindingen met Japan. Batavia bleef terughoudend gedurende de slepende onderhandelingen en wees alle eisen beleefd van de hand. Op 27 juni 1941 vertrok de Japanse delegatie onverrichter zake vanuit de haven Tandjong Priok bij Batavia terug naar Japan. Een paar maanden later brak de oorlog uit in oost- en zuid oost Azië.

Het belang van de specerijen vervoer voor de VOC

Om kruidnagel en nootmuskaat zouden vele oorlogen worden gevoerd en zou er veel bloed vloeien. De winsten op de fijne specerijen waren in relatie tot de vervoerde hoeveelheden zo ongehoord groot en het productie gebied zo beperkt dat de verleiding groot was om de exclusieve rechten in handen te krijgen en zodoende andere handelaren uit te sluiten. De fijne specerijen en kaneel dat door de VOC naar Europa werd getransporteerd bedroeg gemiddeld 15 procent van de inkoopwaarde van alle goederen. Op de veilingen van Nederland bedroeg de opbrengst van de specerijen in de 17de tot halverwege de 18de eeuw, gemiddeld 26 procent van de totale verkoopwaarde van alle goederen. De handel in peper was echter het belangrijkste. Tot het midden van de 17de eeuw bestond de helft van de vervoerde goederen door de VOC uit peper. Na 1670 daalde dit naar 30 procent. Peper gold dan ook als het primaire handelsproduct met Azië.

De Hollanders als vrachtvaarders

Oorspronkelijk waren de Hollanders alleen de vrachtvaarders van Europa. Ze vervoerden de handelswaar die de Portugezen uit het Oosten hadden gehaald vanuit Lissabon naar andere Europese havens. Daar kwam een einde aan toen in 1580 Philips de Tweede Spanje en Portugal onder een kroon verenigde. Hij sloot alle havens voor Hollandse handelsschepen. De Hollanders besloten toen zelf de zeeroute naar Oost Indië te zoeken. De route die de Portugezen al honderd jaar eerder hadden gevonden. Twee Hollanders hadden ervaring opgedaan in Portugese dienst. Jan Huijgen van Linschoten uit Haarlem en Dirck Gerritse Pomp uit Enkhuizen. Deze twee personen waren bekend met de route naar het Oosten. Via de Kaap bereikten de Hollanders de ´Oost´. Eenmaal aangekomen ontmoeten zij, naast een vijandige inheemse bevolking, de Spanjaarden, de Portugezen en vooral de Engelsen die al van oudsher afgunstig waren op de bloeiende handel van de Hollanders. Aanvankelijk begonnen verschillende Hollandse vloten elkaar fors te beconcurreren. Hier kwam een einde aan toen de VOC vanaf 1602 alle handel in Oost Indië waar Hollanders bij betrokken waren in handen kreeg.

De succesvolle expeditie van Jacob van Neck

Ondanks de verliesleidende eerste expeditie o.l.v. Cornelis de Houtman was de belangstelling van de Hollanders voor een scheepvaart route naar Azië groot. Tussen 1589 en 1601 zeilden veertien vloten naar Azië, uitgezonden door acht verschillende compagnieën. Sommige vloten probeerden alternatieve zee routes te vinden, met wisselend succes. Anderen volgden het spoor van Cornelis de Houtman. De expeditie van admiraal Jacob van Neck was een doorslaand succes. In 1598 bereikte hij Bantam. Bantam had zich rond 1600 tot een internationaal knooppunt in het Aziatische handelsysteem ontwikkeld. Bantam was tevens een belangrijke leverancier van peper. Een deel van de vloot onder leiding van Wijbrand van Warwijck en Jacob van Heemskerk drong in 1599 door tot Ambon, Banda en Ternate. Dit waren de specerij eilanden bij uitstek. Allen daar groeiden de fel begeerde kruidnagelen en kwamen foelie en nootmuskaat voor, die in de keukens van de Europese elite zo gewild waren en tegen zeer hoge prijzen werden verhandeld. De thuiskomst van de expeditie o.l.v. van Neck werd vanwege de rijkelijke retourlading op uitbundige wijze gevierd.

Het Nederlands Indisch Volkskredietwezen

Tijdens een verlof in Nederland rond 1900, maakte assistent resident De Wolff van Westerrode kennis met de werking van de Raffeisen boerenleenbank. In navolging hiervan werd voorgesteld een landbouwkrediet stelsel op te zetten op Java. Na goedkeuring hiervan werd assistent resident Carpentier Alting benoemd tot inspecteur van het Inlandsch Volkskredietwezen. Tegelijkertijd werd een controlerende ambtenaren dienst opgezet, die later de Dienst voor het Volkskredietwezen werd. Voor het beheer van de volkskredietinstellingen was men aangewezen op het dèsa bestuur, daar alleen het dessahoofd genoeg aanzien genoot. Jarenlang hield men vast aan het ideaal van een ontwikkeling in coöperatieve richting. Helaas was er vanuit de bevolking nagenoeg geen belangstelling. Het net van afdelingsbanken kon niet uitgroeien tot de beoogde particuliere coöperaties. In 1934 werd de Algemene Volkskredietbank (A.V.B.) opgericht, waarin de centrale kas en alle afdelingsbanken werden samengevoegd. Het landbouwkrediet bestond meestal uit het uitlenen van padi (rijst) plantjes tijdens de sawah bewerking. Dit werd in natura uit de rijstoogst terugbetaald met een toeslag voor verspilling en kosten. Oogstleningen werden verstrekt voor landbouw werktuigen, kunstmest, pootgoed, en voedsel in magere tijden.

De middenstand

De Indische detailhandel was voornamelijk in handen van Chinezen, Arabieren en Indiërs. In hun winkeltjes was van alles te koop, zoals kleding, huisraad, levensmiddelen, medicijnen, etc. Afbetaling zonder rente was altijd mogelijk. De Chinezen en Arabieren verstrekten leningen tegen een woekerrente van soms vijftig procent. Aangezien de bank geen leningen verstrekte aan de kleine boer moest hij dan zo´n lening afsluiten voor een begrafenis, een bruiloft of een landbouwinvestering. Terugbetaling moest stipt worden nagekomen. Bij niet naleving van het contract werd een hogere rente opgelegd. Velen kwamen daardoor in een uitzichtloze situatie terecht en pleegden uit noodzaak strafbare feiten waardoor zij in de gevangenis belanden. Vanaf 1932 gold een anti woekerwet, waarbij kredietverstrekking volgens vastgestelde regels verliep. De Chinese straatverkopers waren vooral bekend als “klontong Chinees”. Ze verkochten textiel, garen en band. De bami Chinees (bami tok-tok) bereiden porties bami onder aanwijzing van de koper te plekke. “Bombayers” was de verzamelnaam voor de stoffenverkopers en kleermakers uit India. De Japanners hadden winkeltjes met goedkope horloges, speelgoed en fotografieartikelen.

Het inter-Aziatisch handelsnetwerk van de VOC

Het handelsnetwerk van de VOC bestond uit een groot aantal steunpunten. Deze varieerden van kleinere of groter factorijen tot forten en versterkte steden die met elkaar via een aan- en afvoer systeem waren verbonden. Alle verbindingen kwamen samen in Batavia. Van daar uit voerden ruim tachtig VOC koopvaarders, die permanent in Azië verbleven, naar verschillende bestemmingen en om daarna terug te keren met gekochte producten, die in afwachting van vervoer naar Nederland, werden opgeslagen. Koopvaardij schepen van de VOC zeilden met Indische specerijen naar Formosa (Taiwan), ruilden dit tegen Chinese zijde en spoedden zich naar Japan waar de zijde werd verruild voor zilver. Hiermee werden in de archipel specerijen gekocht, die in Arabie en Perzie werden ingewisseld tegen gommen, harsen, zijde garens en tapijten. Deze producten werden zowel in Azië als in Europa veel gevraagd. Sommige producten zoals rijst, arak (wijn), sojabonen, rotan, sandelhout en eetbare vogelnestjes van de zeeswaluw, (deze waren zeer voedzaam en werden gebruikt als medicijn teken tubercolose), werden uitsluitend in Azië verhandeld. Toch waren de handelsactiviteiten in eerste instantie gericht op het verwerven en vervoer van producten voor het moederland.

Stijgende welvaart en schrijnende armoede

Vanaf 1900 groeide de petroleumproductie explosief. De oliemaatschappijen in Nederlands Indië pompten de petroleum het land uit en zorgden zodoende dat het land en de bevolking niet van de welvaart konden mee profiteren. Het management en technisch personeel van de oliemaatschappijen bestonden uitsluitend uit Europeanen en Amerikanen. Het middenkader werd grotendeels gevormd door Indo Europeanen (Indisch personeel) en de rest bestond uit Indonesiërs. De salarissen waren overeenkomstig hun functies. Bij de verdeling van de woningen maakte men eveneens een sociaal onderscheid en er waren aparte sociëteiten voor Europese, Indische en Indonesische werknemers. Het gehele bedrijfsleven was zo ingericht. Een inheems onderwijsprogramma stuitte op verzet van de Europeanen die de kosten van het project belachelijk vonden. In diverse kranten verschenen kritische artikelen van Indische journalisten waarin de aandacht werd gevestigd op de schrijnende tegenstelling tussen de uitbundige welvaart van de westerlingen en de tergende sociale en economische armoede onder de inheemse bevolking. Het Cultuurstelsel

In 1830 werd op Java een nieuw belastingstelsel ingevoerd, genaamd “het Cultuurstelsel”. De Javaanse bevolking werd gedwongen een vijfde deel van hun landbouw grond voor het koloniale bewind te beplanten met producten waar op een bepaald moment behoefte aan bestond in Nederland. Producten zoals koffie, thee, suikerriet, indigo, cacao, etc. Javanen die geen landbouwers waren werden gedwongen een vijfde deel van het jaar, ongeveer zesenzestig dagen, voor het koloniale bewind te werken. Dit belastingstelsel bestond dus uit gedwongen afdracht in natura door de verschillende bevolkingsgroepen. Een eerste vereiste om de bevolking onder de duim te houden was de medewerking van de lokale vorsten en zodoende het belastingstelsel te doen slagen. Met geld en goede woorden werden de inheemse vorsten gebonden aan het koloniale bewind. Europese en inheemse ambtenaren, die plaatselijk met het toezicht waren belast, misbruikten later het stelsel door meer dan de verplichte opbrengst, en soms de gehele opbrengst van de toch al arme landbouwer op te eisen. Het waren vooral deze uitwassen van het stelsel die Eduard Douwes Dekker(Multatulie) en het liberale kamerlid W.R. van Hoevell er toe brachten om zich tegen dit stelsel te verzetten. In 1870 werd het Cultuurstelsel afgeschaft.

Het Cultuurstelsel ter discussie

De inwoners van Indië, en zeker de landbouwers, ondervonden alleen maar nadelige gevolgen van het Cultuurstelsel. De Javaanse landbouwers werden onder zware druk gezet. Zij hadden geen vrije keuze in de teelt van de gewassen, en moesten bovendien, door het bewind opgelegd, gewassen aanplanten die onbekend waren en daardoor veel tijd en moeite kosten. Tevens werden zij verplicht ´heerendiensten´ te verrichten waar nauwelijks enige vergoeding tegenover stond. Door de grondwetsherziening van 1848 verkregen de Staten Generaal medezeggenschap over het beheer van de koloniën. Voorheen beruste dit bij de koning. In de Tweede Kamer nam de voormalige Indische predikant W.R. Baron van Hoevell en zijn aanhang het hoog op voor de belangen van Indische bevolking. In 1854 werd een wet aangenomen door de Staten Generaal die bescherming ten opzichte van de door de Gouverneur Generaal willekeurig opgelegde verplichtingen waarborgde. Door de comptabiliteitswet van 1867 kwam de begroting van Indië onder beheer van de Staten Generaal. Intussen trad er, mede door de publicatie van Multatuli´s boek “Max Havelaar”, een verandering op in het Indische bestuursbeleid. Het einde van het gehate Cultuurstelsel was in zicht. In 1870 werd de verplichte aanplant van suikerriet afgeschaft. De verplichting koffie te verbouwen werd, ontdaan van alle misbruik, tot 1915 gehandhaafd.

Belastingstelsel

Dank zij de uitstekend georganiseerde dienst van het landrente onderzoek was de regering erin geslaagd een systeem van belastingaanslag te ontwerpen, waarbij een juiste aanslag bij de heffing en een rechtvaardige verdeling van de lasten over de belastingplichtigen gewaarborgd was.

De voor het onderzoek onmisbare kaarten werden door de landrente brigades van de topografische dienst vervaardigd op een schaal van 1 : 5000. Op deze kaarten stonden de verschillende sawah (rijstveld)-terreinen en de zogenaamde droge gronden aangegeven. De nauwkeurig bepaalde oppervlakten van deze verkavelingen waren desa’s (dorps)-gewijs  in de verzamelstaten aangetekend.

Daar ook de landbouwers de oppervlakten van hun landen uitrekenden beschikte de klasseer-matri (hulp kadaster beambte) over twee uitkomsten. Vertoonden zich hierbij verschillen dan werd de fout opgespoord en het definitieve cijfer vastgesteld in overleg met de grondbezitter. Bovendien werd voor de sawah (rijstveld) de waarde van het te verwachten product getaxeerd.

Zo verkreeg men tenslotte de gegevens, op grond waarvan de grondrente aanslag kon worden vastgesteld. De aanslag op de sawahs (rijstvelden) was gebaseerd op de te verwachten rijstoogst. Bij de droge gronden werd gerekend naar de waarde van de grond. De landrente werd in de regel voor de tijd van tien jaren vastgesteld. Met plotselinge schommelingen van de rijstprijs of mislukkingen van de aanplant kon rekening worden gehouden. Er vond dan gedeeltelijke of gehele ontheffing van de grondrente plaats.

De zaak Lebak

Op 22 januari 1856 werd de assistent- resident Eduard Douwes Dekker aangesteld als bestuurder van de afdeling Lebak van de residentie Bantam op Java. Ruim een maand later, op 24 februari 1856, diende hij bij de resident, C. P. Brest van Kempen, een klacht in tegen de regent van Lebak, Raden Adipati Karta Nata Negara. Deze was een Javaanse aristocraat van hoge adel. Douwes Dekker beschuldigde de regent van misbruik van zijn gezag en verdacht hem van knevelarij en afpersing van de bevolking. Overigens waren dit praktijken die door het Nederlandse bewind getolereerd werden omwille van de rust en vooral vanwege de grote winsten die men in Indië behaalde. Douwes Dekker eiste de verwijdering van de regent uit het gebied om zodoende een gedegen onderzoek naar de misbruiken te kunnen uitvoeren. Dit conflict tussen een Europese bestuursambtenaar en een hoofd van de plaatselijke bevolking werd niet meer dan een van de vele conflicten, ´perkaras´(geschillen) genoemd, die zich afspeelden gedurende de periode van het Cultuurstelsel. Vanwege zijn bruuske optreden werd Douwes Dekker overgeplaatst. Gekwetst in zijn ijdelheid en geremd in zijn aspiraties nam hij ontslag.

De Hindoeïstische en Boeddhistische periode

In het spoor van de kooplieden uit India arriveerden Boeddhistische monniken in Indië, die de leer van Boeddha predikten met als doel de inheemse bevolking te bekeren. Vooral in het rijk van Sriwijaja op zuid Sumatra kwam het boeddhisme tot grote bloei. In de hoofdstad, Palembang, waren daar gevestigde scholen en kloosters bekend tot in India en China. Tegelijkertijd deed het niet op bekering gerichte Hindoeïsme zijn intrede in de archipel. Aanvankelijk ontstonden er kleine handelsposten. Later werden grotere nederzettingen en steden gebouwd naar Indiaas model. Brahmaanse priesters werden uitgenodigd door de Indische vorsten. Hierdoor speelde de Indische aristocratie een belangrijke rol bij het introduceren van de Indiase religies en cultuur in Indië. Het Hindoeïsme en Boeddhisme beïnvloeden elkaar. Daardoor ontwikkelde zich een typische Indische synthese met traditionele geesten en voorouder verering. Veel later gebeurde dit eveneens met de komst van de Islam en het Christendom. Volgens een oud Javaanse overlevering was het de Indiase prins Adji Kaka die in het jaar 78 n. C., Java zijn godsdienst, letterschrift, maatschappelijke- en staatkundige orde evenals de tijdberekening schonk. Uit zijn religieuze teksten in het Sanskriet is het Kawa ontstaan. De oervorm van het Javaans.

De zending in de praktijk vanaf 1850

De eens zo enthousiast in 1812 gestarte Nederlandse Zending Genootschap (NZG), versnipperde omstreeks 1850 in tal van verschillende religieuze stromingen. Doopsgezinden. Gereformeerden, Lutherse en andere stromingen hadden hun eigen zendelingen. Omstreeks die tijd was het zendingsverbod van het gouvernement enigszins verruimd. Echter, met al die verschillende soorten zendingsactiviteiten moest het werkterrein in de kolonie door het gouvernement wel worden opgedeeld. Door elke zendingsgenootschap een eigen gebied toe te wijzen kon onderlinge wedijver tussen de dienaren Gods worden voorkomen. Het zendingswerk zelf verliep tergend langzaam. Veelal gedwongen te werken in zeer afgelegen gebieden van de archipel, boekten zendelingen nergens directe resultaten. Het zendingswerk kostte vooral veel geduld en doorzettingsvermogen. De resultaten in alle gebieden waren zeer pover. Een uitzondering vormde de Minahassa in noord Celebes. Hier verliep de zending soepel en werden door inschakeling van inheemse hulpkrachten bij catechese en onderwijs de zendingsposten uitgebreid. Ook in oost Java kwam de zending goed op gang. Er werd een kweekschool voor inheems hulppersoneel gesticht.

De opkomst van de Islam

De succesvolle verspreiding van de Islam is door toedoen van de dominantie van het Soefisme toegenomen. De soefis gingen uit van het streven naar mystieke vereniging met God als hoogste werkelijkheid. Zij beschouwden de godsdienstige voorschriften als bijkomstigheid. Deze opvatting druiste sterk tegen de orthodoxe leer van de Islam in. Omstreeks 1000 n. C. is er een zekere erkenning gekomen voor een gematigd mysticisme door de orthodoxen. Nu begon de ontwikkeling van het populaire soefisme. Dit uitte zich in de 12de eeuw door de opkomst van talrijke mystieke orden (tarika´s). De tarika´s hebben bepaalde methoden om de mystieke extase op te wekken, zoals het opzeggen van bepaalde formules of door middel van dans of muziek. Het soefisme heeft zich verspreid over alle islamitische landen. Het heeft overal eigen vormen aangenomen door aanpassing aan oeroude lokale en religieuze gewoonten. Het soefisme is ook belangrijk geweest voor de uitbreiding van de Islam langs missionaire weg. In het bijzonder de Indonesische volkeren hebben op deze wijze kennis gemaakt met de Islam. De mystiek heeft diepe sporen achtergelaten op de Indonesische Islam.

Bali onder de invloed van het Hindoeïsme

Toen een van de grote koningen van het Hindoe rijk Mataram, koning Airlangga, (1019-1042) de troon besteeg, bestond er al een familierelatie tussen het Balinese en Javaanse hof. De moeder van Airlangga was hertrouwd met een Balinese prins. Gedurende het bewind van Airlangga kwam de Javaanse hoftaal, het Kawi, in gebruik aan het Balinese hof. Ook op bouwkundig gebied werd de Javaanse invloed op Bali van betekenis. Na de dood van Airlangga werd Bali twee eeuwen lang geregeerd door afstammelingen van zijn moeder. De staatkundige positie van Bali was min of meer onafhankelijk van het oost Javaanse hof en de rol van Mataram werd overgenomen door de Singasari dynastie. Tijdens deze dynastie kwam Bali weer onder Javaanse controle. Acht jaar later werd Bali weer onafhankelijk onder de Pejeng dynastie, die op Bali uitgroeide tot een machtig bolwerk. De laatste koning van deze dynastie, de legendarische Dalem Bedulu, weigerde de onafhankelijkheid van zijn eiland op te geven voor de opperheerschappij van het machtige Javaanse rijk Majapahit, dat na Mataram over een groot deel van de archipel heerste.

Godsdienst onderricht door de VOC

Vanaf het begin voerde de VOC een beleid dat gericht was op selectieve spreiding van de zendingsactiviteiten in de archipel. Dit betekende dat gedurende de VOC overheersing de zending geen kans kreeg zich ergens in de archipel te vestigen. Een uitzondering vormden gebieden waar de Portugese concurrentie diende te worden bestreden. Daar werden de rooms-katholieke priesters en missionarissen verdreven en kregen protestantse zendelingen de vrije hand. Dit gebeurde onder andere op de Molukken. Omstreeks 1605 sloot de VOC overeenkomsten met de Islamitische stamhoofden van Ambon en de omliggende eilanden, waardoor de VOC het alleenrecht kreeg op de inkoop van Molukse specerijen. Dit alleenrecht duurde twee eeuwen. Tegelijkertijd werd de Portugese kerkleiding verdreven. De ruim 16.000 rooms-katholieke Molukkers werd de protestantse God van de Hollanders opgedrongen. De Molukkers eiste dat de VOC hen in de nieuwe leer zou onderwijzen. Hierdoor verplichte de VOC zich op Ambon, anders dan elders in de archipel, tot protestants godsdienst onderricht aan de rooms- katholieke minderheid op Ambon.

De eerste katholieke bekeerlingen

Met zeilschepen werd het Boeddhisme, het Hindoeïsme, de Islam en het Christendom naar Indonesië gebracht. De handel in specerijen bracht ook het kruis naar de Indonesische archipel. Het christelijke geloof landde samen met de Portugezen voor het eerst in de Molukken waar de meegekomen priesters de rooms-katholieke leer verkondigden. De eerste doop in 1534 was de dorpsoudste van Mamoia op Halmahera. De dorpsoudste had de Portugezen voor bescherming gevraagd tegen de aanvallen van naburige Islamitische kampongs. Dit is het begin van de katholieke kerk in de archipel. Niet veel later kwamen de eerste missionarissen op verschillende eilanden van de Molukken. Zij werkten met behulp van een ingekorte, in het Maleis vertaalde, catechismus. Er werden vele missiescholen gesticht. Tot aan de komst van de Nederlanders in 1605 was er sprake van ongeveer 16.000 Molukse katholieken. Ook in het kielzog van de Portugese handelaren ontstonden er in andere delen van de archipel katholieke gebieden. Op het eiland Solor, ten oosten van Flores, ontwikkelde zich een grote Dominicaanse missiepost met een versterkt klooster en tien duizenden bekeerlingen.

Serakat Islam (S.I.)

Er heerste onvrede onder de Javaanse batikhandelaren in Soerakarta op de wijze waarop de Chinese tussenhandel de verkoop van westers ongebleekt katoen behandelde. De Chinese handelaren maakten een front. In 1911 werd onder leiding van de Javaanse batikhandelaar Hadji Samunhudi een Islamitische handelsvereniging opgericht onder de naam Sarakat Dagang Islam. Het doel van de vereniging was om de belangen van de Javaanse middenstand te bevorderen. Helaas werden door het optreden van de leden van de Islamitische vereniging conflicten meerdere malen op straat uitgevochten. Het plaatselijk Nederlands bestuur trad hier tegenop en verbood de vereniging. In 1912 werd in Soerabaja onder de bezielende leiding van Tjokroaminoto en met een mandaat van Samunhudi en enkele andere vooraanstaande Soerakartanen de vereniging opnieuw opgericht onder de naam Sarakat Islam. De vereniging breidde zich binnen enkele maanden snel en massaal uit over Java en ver daarbuiten. Dit was voor Indië een volstrekt ongekend verschijnsel. Om de vereniging binnen de wetgeving te houden werden vanuit het gezag modelstatuten opgesteld die zowel de plaatselijke Sarekat Islam en het centraal Sarekat Islam samenwerkingsorgaan betroffen.

Nederlands lager onderwijs in Indië

Er tekenden zich rond 1900 nieuwe perspectieven af dat de toegang tot het westers onderwijs voor verruimd zou worden voor Indische leerlingen. Voordien was er sprake van een dualistisch systeem waarbij er westers onderwijs was voor de Europese kinderen en kinderen van gelijkgestelde. Er was apart onderwijs voor de Indische kinderen. De eerste groep volgde een zeven jarige opleiding aan de Europese Lagere School (ELS). Indonesische kinderen volgden een vijf jarige opleiding aan de Inlandse Standaard Scholen, met Javaans als voertaal. Dit was tevens het eindonderwijs. In de praktijk hield men zich niet zo strikt aan de regels voor het toelatingsbeleid van de gescheiden Nederlandse en Indonesische scholen. Kinderen van de Prijaji, de aristocratische Indonesische bovenlaag, kregen op verzoek van de ouders toegang tot de ELS scholen. In Prijaji kringen gaf men de voorkeur aan westers onderwijs, om daarna te kunnen doorstromen naar het voortgezet onderwijs. Rond de eeuwwisseling volgden ongeveer 1.900 niet Europese leerlingen het ELS onderwijs.

De religie van Bali

Vanwege de oprukkende Islam op Java weken vele Hindoeïstische vorsten van het grootrijk Madjapahit met hun hofhouding uit naar Bali. Door de komst van deze hoog ontwikkelde en religieuze personen kon op Bali, samengevoegd met de al aanwezige cultuur en religie, zich een hoogwaardige culturele en religieuze samenleving ontwikkelen. Op Java waren het Boeddhisme en het Hindoeïsme al dichter bij elkaar gekomen. Op Bali zette deze tendens zich voort. Nog steeds verschijnen de Boeddhistische- en de Shivaitische  priester naast elkaar bij vele ceremoniën. Boeddhisme, Hindoeïsme en animistische elementen zorgden voor een complexe godsdienst op Bali die theologisch niet definiëren is. Vooraanstaande priesters kwamen in 1952 bij elkaar om een allesomvattende definitie te beschrijven voor hun geloof. De naam Agama Tyrta, de religie van het heilige water, werd gekozen omdat water een grote rol speelt in het religieuze ritueel.

Mohammedaans onderwijs in Indië

Voordat de koloniale overheid zich bewust werd van een onderwijs taak t.b.v. inheemse kinderen bestonden op Java duizenden Islamitische scholen, de Pesantrens. Zonen van de Prijaji, de adellijke bestuurselite op Indonesië, kregen een tweevoudige opleiding. De zoon kwam in huis bij een vooraanstaande familie, waar hij ervaring op moest doen in een lagere positie dan hij thuis gewend was. Tevens leerde hij de juiste omgangsvormen en etiquette van zijn eigen stand. In de Pesantren werd hij meestal een interne leerling. Hij leerde lezen en schrijven en werd onderwezen in de Islam. Hij leerde paardrijden, het gebruik van wapens en oefende regelmatig in artistieke vaardigheden. Hierna werd hij geacht klaar te zijn om zijn plaats in te nemen in het bestuurlijke apparaat. Deze tweevoudige opvoeding zette zich na 1900 voort bij Prijaji die hun zonen westers onderwijs lieten volgen. De zonen kwamen in huis bij vooraanstaande Europese families waar ze vertrouwd werden gemaakt met de Europese gebruiken en gewoonten. Tegelijkertijd volgden zij een opleiding op een Europese school. Eerst op lager niveau, en daarna in het voortgezet onderwijs.

De opkomst van de Islam in Indonesië

Na de dood van koning Hayam Woeroek brokkelde het machtige Hindoe rijk Majapahit snel af. Onderlinge twisten tussen de verschillende vorstendommen en opstanden tegen de koning versnelde dit proces zodanig dat het koninkrijk uiteen viel. In een poging de macht te behouden stak de Rajah zichzelf in brand. Zijn opvolger vluchtte samen met de aristocratie, de geleerden, de kunstenaars en de priesters naar Bali. Dit was het begin van het Balinese Hindoeïsme. Het vacuüm dat hierdoor ontstond werd opgevuld door tal van kleine Islamitische vorstendommen. De Islam kon vanaf de kuststroken landinwaarts dringen en de Islamisering op gang brengen. Gedurende dit proces ontstond op midden Java het machtige Islamitische rijk Mataram. De invoering van de Islam was een geleidelijk proces. De Islam versmolt samen met de traditionele godsdiensten, het Boeddhisme en het Hindoeïsme. Van een breuk met het verleden was nog geen sprake. Sultan Agoeng (1613-1645), de heerser van Mataram, en zijn raadgever Goenan Giri waren fervente voorvechters van de Islamisering van de archipel. De Islam werd dus pas gedurende de 15de en 16de eeuw de staatsreligie van de afzonderlijke vorstendommen. De islam was niet de strenge vorm zoals in het Midden Oosten maar het Soefisme, een mystieke Islamitische variant.

De Islamitische Muhamadiyah

Omstreeks 1900 vonden er veranderingen plaats binnen de Islam in Indië. De doelstelling was hervormingen door te voeren gebaseerd op de Islam. Onder Islamitische handelaren en zakenlieden waren bedevaartreizen naar Mekka populair geworden. In Mekka kwamen zij in contact met hervormingsbewegingen die met gebruikmaking van westerse kennis wilden terugkeren naar de oorspronkelijke doelstellingen van de Islam. Haji Achmed Dahlan, een van de Indonesische bedevaart pelgrims, was een overtuigde aanhanger van deze hervormingen. In 1912 richtte hij de Islamitische Muhammadiyah op, een belangen organisatie die zich o.a. voorstander was tot de totstandkoming van religieus onderwijs op de gouvernementsscholen. De organisatie had rond 1938 zo´n kwart miljoen leden en 1.770 scholen. De organisatie beperkte zich niet alleen tot Java, maar was ook actief op andere eilanden van de archipel. Vooral op west Sumatra was de organisatie actief, daar hier het reformisme al eerder was begonnen. Van west Sumatra kwamen vele jongeren naar Java met een westers georiënteerde voltooide basis en middelbare opleiding voor vervolg onderwijs.

Het verkeerswegennet

Kort na zijn aankomst in 1808 kondigde Gouverneur generaal Daendels aan dat er op korte termijn een grote verbindingsweg zou worden aangelegd die vanaf Buitenzorg door de Poentjakpas naar Bandoeng en dan langs de noordkust naar Soerabaja moest lopen. Hij wees erop dat snel vervoer van legereenheden noodzakelijk was om eventuele vijandelijke aanvallen te kunnen afslaan. Bovendien zou een goed wegennet belangrijk zijn voor de ontwikkeling van de landbouw en handel in het algemeen. De weg werd ´De Grote Postweg´ genoemd. Er werd gewerkt aan verdere uitbreiding van het wegennet, maar pas met de ontwikkeling van de landbouwondernemingen na 1850 werd het wegennet sterk uitgebreid. Het verbeteren van het wegennet bleek een stimulans te zijn voor het oprichten van nieuwe ondernemingen. Met de komst van de automobiel rond 1900 was verbreding van de wegen en het vervangen van de met steenslag verharde wegen door asfalt noodzakelijk. Ook voor een goed functionerend binnenlands bestuur was een goed wegennet een vereiste. Op Sumatra leidde de verbetering en uitbreiding van het wegennet tot het openen van onontgonnen gebieden. Omstreeks 1940 waren er op Java en de buitengewesten circa 84.000 motorvoertuigen, waaronder 10.000 autobussen. De wegenverkeerswet was mede van belang om de voorrang te regelen tussen de diverse verkeerssoorten en verkeersstromen. Immers behalve gemotoriseerd verkeer werd er ook door gereden met ossenwagen, fietsen, paardenwagens, etc.

Nieuwe impulsen voor het onderwijs

Omstreeks 1900 openbaarde zich een grotere vraag naar onderwijs. Om te kunnen komen tot een geïntegreerd onderwijssysteem werden in 1907 drie onderwijs vormen geïntroduceerd. • De Hollandse Inlandse School (H.I.S.) met Nederlands als voertaal, een curriculum gebaseerd op Europese normen en Maleis of Javaans als bijvak. Deze school was voorheen de Inlandse School met een doorlooptijd van zeven jaar. De school was bedoeld voor kinderen van de Javaanse adel, de Prijaji. • De Hollandse Chinese School (H.C.S.) voor kinderen van Chinese afkomst. • Meerder Uitgebreid Lager Onderwijs (M.U.L.O.), opgezet volgens het Nederlandse model voor vervolgonderwijs. • De Algemene Middelbare School (A.M.S.) met een curriculum gebaseerd op Europese normen als vervolgonderwijs na de MULO.

Naast dit nieuwe onderwijssysteem bleven al bestaande scholen, de ELS, de HBS, de MMS, het Gymnasium en het Lyceum, Koninklijke Wilhelmina School (een hoge technische school) in onveranderde vorm bestaan. De HIS en de MULO werden een groot succes en er was een grote toename van Indonesische leerlingen. De studiemogelijkheden werden later uitgebreid  met universiteit studies met disciplines die men ook in Nederland kende. De leerboeken waren Nederlands. Helaas werden de in Indië behaalde diploma’s, door het ontbreken van een gelijkstellingwet voor het onderwijs, in Nederland totaal niets waard. Het Christendom in de Indonesische archipel

In het Indonesië geldt de Panca Sila. Dit betekent dat de vijf door de staat erkende religies (de Islam, het Katholicisme, het Protestantisme, het Boeddhisme, het Hindoeïsme) verboden zijn om gelovigen te werven van de aanhang van de anderen. Atheïsme is niet toegestaan. Zendelingen en missionarissen hebben in de gebieden die niet onder de Islam ressorteerden goede resultaten geboekt. Zij zagen in dat de Nederlandse geloofsleer diende te worden aangepast om het samen te voegen met de inheemse culturele waarden. Pas dan werd het Christelijk geloof geaccepteerd door de diverse bevolkingsgroepen. Het inschakelen van vele goed opgeleide inheemse hulpkrachten, priesters, predikanten en leraren was erg belangrijk voor de inburgering van het Christelijk geloof. Na de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië in 1949 ontwikkelde het Christelijk geloof, dank zij de Panca Sila, zich in een snel tempo. Omdat de Panca Sila atheïsme niet toestaat hebben verschillende animistische volkeren, beducht voor de regering in Jakarta, uit anti centralistische overwegingen voor het Christendom gekozen. In 2003 telde de gezamenlijke Protestantse kerkgenootschappen 13 miljoen leden, of 6% van de totale bevolking. De Oemat Katolik telde ongeveer 6,6 miljoen leden, ongeveer 3% van de totale bevolking. In totaal zijn er ruim 20 miljoen Christenen in Indonesië. De spoorwegen

Na de verbetering van de stoomlocomotief in 1847 werden overal in de wereld in een snel tempo spoorwegen aangelegd. Alleen in Indië was de politiek niet bereid spoorwegen aan te leggen. Ruim dertig jaar heeft men gekibbeld, gepraat, gedroomd gediscussieerd over de ´ijzeren weg´. Gedurende deze periode liep het vervoer van landbouwproducten stuk door gebrek aan transportmiddelen vanuit het binnenland naar de havensteden. De gouvernementskoffie verschimmelde in de goedangs (opslagplaatsen) van de midden Javaanse vorstendommen. Schepen lagen maandenlang aan de rede van Semarang te wachten op een lading. Er was een nijpend tekort aan trekdieren voor de wagens. Veeteelt was een achtergebleven bedrijfstak in Indië. Een voorstel om op midden Java een centrale gouvernementsonderneming met 4.000 buffels en een uitgebreid wagenpark in te richten werd na de berekening van de kosten en baten niet rendabel gevonden. Een geïmporteerde kudde van veertig kamelen kon niet aarden. Met lama´s en via Nederland geïmporteerde ezels verging het niet beter. Een slachtverbod voor buffels in 1841 en het stimuleren van de Javaanse bevolking voor het nuttigen van geitenvlees liep stuk door gebrek aan medewerking. Voortdurend kwamen aanvragen binnen voor concessies voor het aanleggen van spoorwegen. De aanvragen werden telkens afgewezen. Eindelijk namen minister Fransen van der Putte en de Gouverneur generaal Baron Sloet van de Beele in 1863 het besluit een concessie te verlenen voor de aanleg van de broodnodige spoorweg op midden Java. De concessie werd verleend aan de Nederlandsche Indische Spoorweg Maatschappij.

De aftakeling van de Sarakat Islam

In mei 1920 werd in Semarang uit de communistische getinte Indische Socialistische Democratische Vereniging de Partai Komunis Indonesia opgericht. De PKI werd de nekslag van de Sarekat Islam. Semaoen, sinds 1918 bestuurslid van de Centrale Sarakat Islam, was de drijvende veer van de communistische propaganda binnen de Sarakat Islam. Zwichtend voor de sterke aandrang werd binnen de Sarakat Islam een plaats ingeruimd voor het communisme. Het zou samen met het socialisme en de democratie te vinden moeten zijn in het Islamitisch stelsel. Hierna werd vanuit de Sarikat Islam duchtig propaganda gemaakt voor het communisme. Vele leden van de Sarakat Islam partij stapten over naar de voor hen vooruitstrevende communistenpartij. De rode Sarakat Islam organisatie ging verder onder de naam ´Sarakat Rajat´(verenigd volk). Met verlies van vele leden werd de godsdienstige nationale eenheid hersteld.  De belangstelling voor de Sarekat Islam bleef uit. Ook na de onderdrukking van de opstanden en verbod van de communisten als partij. De Sarakat Islam en haar afdelingen besloten in 1929, tegen de statuten in, zich te reorganiseren in een vereniging, de ´ Partai Sarakat Islam Indonesia (P.S.I. I.)´. De organisatie telde toen 153 afdelingen en 30.000 leden. Na het vertrek van de heren Tjokroaminoto en H.A. Salim uit de Volksraad maakte de partij geen deel meer uit van dat college. Sarakat is een afkorting van masjarakat of te wel verenigd.

De ´Petitie Soetardjo´

Er was een belangrijke gebeurtenis in 1936 in de Volksraad. Er werd een voorstel voor een resolutie ingediend om met de Nederlandse regering en de Staten Generaal een rijksconferentie te houden. Aan deze conferentie zouden vertegenwoordigers van Nederland en Nederlands Indië deelnemen. De conferentie zou een formule moeten ontwikkelen dat als doelstelling had een programma op te stellen voor geleidelijke hervormingen over een periode van tien jaar voor Nederlands Indië. Het uiteindelijke doel was onafhankelijkheid binnen het kader van artikel 1 van de Grondwet. Artikel 1 heeft betrekking op de vier gebiedsdelen die gezamenlijk ondergeschikt waren aan de staat. Het initiatief was genomen door de voorzitter van de gematigde nationalistische Bond van Indonesische bestuursambtenaren, Soetardjo Kartohadikoesoemo. Het voorstel is de geschiedenis ingegaan als de ´Petitie Soetardjo´.Met de steun van twee Europese partijen werd het voorstel met een meerderheid van zes stemmen aangenomen. De Nederlandse regering verwierp het voorstel in 1938 op grond van de wens het huidige regeringsbeleid van hervormingen voort te zetten. De regering wenste geen ´dominion status´ voor Indië.

Kerken uit de tijd van de VOC

De twee overgebleven kerken uit de VOC tijd zijn de Hervormde kerk in de hoofdstad van Ambon en de Portugese kerk in Batavia. De Hervormde kerk staat nog steeds overeind. Het is opgetrokken uit hout op een plint van steen en heeft twee torens. Naast de voordeur vermeldt een herinneringsplaat de bouw van de kerk in 1780 door Gouverneur Bernhard van Pleuren (1775-1785). “…Van heinde er ver stroomden op Zondag de gelovigen toe. Ambonese mannen in deftige zwarte pakken en Ambonese vrouwen met de lange zwarte of witte kabaja, in de hand de bijbel of een met kant omzoomde zakdoek…”. De Buitenkerk was in 1695 gebouwd voor de Portugese gemeenschap van Batavia. In de Mardijker wijken achter de kerk was men zeer dankbaar. “…De inwijdingsplechtigheid onder leiding van de Eerwaarde Theodorus Zas geschiedde in aanwezigheid van Zijn Hoog Edelheid, de Gouverneur generaal Willem van Outhoorn en zijn gemalin. De kerk zat boordevol hoge functionarissen met hun dames in schitterende pronkgewaden. Een fijn aroom zweefde door de kerk, de geuren van melatti, tjempaka, en kenanga, die prijkten in de haarvlechten van de Bataviaasche jufferen, vermengden zich met de geur van akar wangi (reukwortel) van neusdoeken en waaiers…”.
De opkomst van de Partai Komunis Indonesia (P.K.I.) in Indië

Henk J.F.M. Sneevliet, de pionier van het socialisme in Nederlands Indië, stichtte in 1914 in Semarang de Indische Socialistische Democratische Vereniging (ISVD). Vanuit de linkervleugel van de vereniging ontstond in mei 1920 de Perserikatan Komunis di India. Later werd deze partij bekend onder de naam Partai Komunis Indonesia (P.K.I.). De partij voerde openlijke propaganda door leuzen over de communistische beginselen. De agressieve propaganda van de P.K.I. stelde de leiders in staat de talrijke groeperingen van de Sarekat Islam te bereiken. Deze groeperingen vormden later onder de naam Sarekat Rajat de onderlaag van de communistische organisatie. De bovenlaag bestond uit P.K.I. leden. Als onderdeel van de Moskouwse Communistische Internationale voerde de P.K.I. felle propaganda tegen het kapitalisme en met name tegen het Nederlandse gezag. Zowel in de politieke organisatie als in de vakbeweging waren de Javanen Semaoen en R. Darsono nadrukkelijk aanwezig. Tan Malakka, een in Nederland opgeleide Indonesiër, was actief in de jeugdbeweging. Aanvankelijk manifesteerde de P.K.I. zich als een volksbeweging, meestal binnen de vakbonden. Deze vormden later de kern van de revolutionaire acties. Tijdens het bewind van wijlen president Soekarno van Indonesië werd deze partij verboden. Vele leiders werden verbannen of stierven. Ook werden vele aanhangers van de partij vermoord.

De eerste lijndienst met stoomschepen

Omstreeks 1850 zag het gouvernement de voordelen van stoomschepen in. Deze konden een geregelde dienst verzorgen voor vervoer van goederen, post en passagiers. Stoomschepen waren niet afhankelijk van de moesson en de passaatwinden en konden daardoor de talrijke posten in de buitengewesten bereiken. Een geregeld vervoersnetwerk was belangrijk om de communicatie lijnen tussen de veraf liggende posten, zoals Menado, met Batavia korter te maken. Men besloot een particulier consortium onder leiding van de voormalige marine officier W. Cores de Vries, ondersteund door de reder Willem Ruys en de scheepsbouwer Fop Smits, een overheidssubsidie te verlenen. Hiermee kon het consortium een aantal stoomschip vervoerslijnen opzetten voor vracht, post en passagiers. Dit was de pakketvaart. Door te weinig schepen, te weinig laadruimte en te hoge tarieven werkte de regeling onbevredigend. Na 1865 werd een contract afgesloten met een Britse maatschappij. Nieuwe schepen zorgde voor een goed functionerend netwerk van pakketdiensten door de Nederlandse Indische Stoomvaartmaatschappij (NISM). De grote havenplaatsen en de posten in de buitengewesten hadden nu een betere verbinding. In 1888 besloot het gouvernement de pakketvaart uitsluitend te laten uitvoeren door de net opgerichte Koninklijke Pakketvaart Maatschappij NV (K.P.M.). Twee jaar later startte de onderneming met een vloot van 29 schepen. Het Staatsspoor

De financiële moeilijkheden in de aanvangsjaren van de Nederlandse Indische Spoorwegmaatschappij schrikte investeerders af. De aanleg van spoorwegen kwam hierdoor stil te liggen. In 1875 werd een door de minister van Koloniën ingediende wetsvoorstel door de Tweede Kamer aangenomen. Het voorstel voorzag een proeflijn van Soerabaja naar Pasoeroean met een zijtak naar Malang. De ruim 112 kilometer lange spoorlijn kwam in 1879 gereed en werd een succes. Kort daarna begon het Indische gouvernement de lijn te exploiteren. Er werden nog meer wetsvoorstellen ingediend voor rendabele lijnen en voor spoorwegen in roerige gebieden om de pacificatie te versnellen of afgelegen gebieden voor verkeer open te stellen. Gedurende de volgende jaren zorgde het Staatsspoor voor de aanleg van spoorlijnen waardoor vele ondernemingen uit hun isolement werden verlost. Met NISM werd afgesproken dat waar Indisch smalspoor overging in breedspoor, een derde spoorrail zou worden aangelegd voor het breedspoor. De spoorwegen breidden zich verder uit met als hoogtepunt de lijn Batavia – Soerabaja in een reis van een dag. Om de spoorwegen goed te kunnen laten functioneren, werden later trajecten verkort en tracés aangelegd waarbij vele tunnels door bergen werden aangelegd. De treinen werden voorts via bruggen en viaducten over de rivieren en dalen in bergen geleid. Java, even voor de Japanse invasie Op 11 januari 1942 landen de eerste Japanse troepen op het olierijke eiland Tarakan bij Borneo en op Celebes bij Menado. Door hun bewegelijkheid was de Japanse troepenmacht in het voordeel en dus verliep hun opmars zeer snel. De landingen namen voornamelijk plaats buiten de verdedigde zones en het bereik van de KNIL artillerie. De Japanners vielen de verdedigers aan in de flanken of in de rug. Het KNIL daartegenover, hield vast aan het concept van statische defensieve stellingen. Vanwege dit concept was het KNIL niet bij machte om offensieve acties te ondernemen. Als men dit toch probeerde werd op pijnlijke wijze het gebrek in communicatie, organisatie, bevoorrading en geoefendheid bloot gelegd. Eind februari 1942 hadden de Japanners de tangbeweging om Java voltooid. Zuid Sumatra, Borneo, Celebes, Bali, en Timor waren in Japanse handen. Java was volledig geïsoleerd. Generaal Wavell onderkende de hopeloosheid van de situatie en hief op 25 februari 1942 het ABDACOM (algemene commando eenheid) op Java op. Versterkingen voor Java konden niet plaats vinden. Door de verovering van de Soenda eilanden door de Japanners konden Australische divisies, Amerikaanse vliegtuigen en Britse pantsereenheden niet worden overgezet vanuit Australië. De capitulatie van het KNIL

Rondom Java hadden de Japanners alle eilanden bezet. Maar er lag een geallieerde vlooteenheid in de Java zee tussen de bezette eilanden en Java die de Japanse invasievloot zou kunnen tegenhouden. Door afwezigheid van adequate luchtsteun werd de kans gering geacht. De eskadercommandant, Schout- bij-nacht Karel W.F.M. Doorman, besefte dat hij de strijd zou moeten aangaan zonder luchtsteun en verkenningsvliegtuigen, waardoor hij geen inlichtingen over de Japanse vlooteenheden en hun bedoelingen zou krijgen. De gecombineerde Nederlandse, Australische, Britse en Amerikaanse vloot bonden de strijd aan met de Japanse vloot zonder goede coördinatie door gebrekkige onderlinge verbindingen. De slag in de Javazee werd op 27 februari 1942 verloren. De weg lag nu open voor de Japanners om Java in te nemen. In de nacht van 1 maart 1942 lande het 16de Japanse leger bestaande uit twee divisies in vier plaatsen op Java. Het KNIL had geen schijn van kans. Op de eerste dag van de Japanse landingen ging het vliegveld Kalijati, verdedigd door Britse militairen, verloren. Een tegenaanval door het KNIL mislukte. Daar het duidelijk was dat Bandoeng door de Japanners zou worden veroverd, werd besloten om zich over te geven. Op 8 maart 1942 voerde generaal Ter Poorten besprekingen met de Japanse opperbevelhebber Imamura, die alleen de onvoorwaardelijke overgave wilde accepteren. Op 9 maart 1942 volgde de capitulatie. Nederlands Indië was bezet.

De slag in de Javazee

Op 26 februari 1942 bestond de geallieerde vloot uit veertien schepen. Dit waren de zware kruiser “De Ruyter”, de lichte kruisers de “Java”, de “Exeter” (Brits), de “Houston”(Amerikaans), en de “Perth”(Australisch). De overige negen schepen waren torpedobootjagers. Dit waren de “Kortenaer” en de “Witte de With” uit Nederland. De “Encounter”, de “Elektra” en de “Jupiter” uit Groot Brittanie. Uit de Verenigde Staten waren er vier antieke torpedobootjagers gebouwd rond 1918. Deze hadden in eerdere ´hit-and-run´ acties bewezen de Japanse transportvloten met succes te kunnen aanvallen. Ongeveer rond dit tijdstip stevende een grote Japanse invasievloot af op Java. De vloot bestond uit een en veertig troepentransportschepen met landstrijdkrachten en materieel, begeleid door twee zware kruisers, twee lichte kruisers en veertien torpedobootjagers. Japanse piloten ontdekten de geallieerde vloot en gaven dit door aan de Japanse vloot. De Japanse leiding besloot de troepentransportschepen op een veilige plek te “meren”, om daarna op te trekken tegen de geallieerde vloot. Op 27 februari vond het treffen tussen de twee vloten plaats voor de noordkust van Java. Bij dit zeegevecht werd de Britse kruiser “Exeter” zwaar beschadigd. De “Kortenaer” werd kort daarna midscheeps door een Japanse torpedo getroffen en zonk. Bij het vallen van de nacht vertrok een deel van de  overgebleven geallieerde torpedobootjagers naar Soerabaya om brandstof te tanken en munitie aan boord te nemen. Tegen middernacht stonden de overgebleven 4 geallieerde kruisers er alleen voor. Bij een tweede treffen de met  Japanse vloot  werd de kruiser “Java” door een voltreffer met een Japanse torpedo in het achterschip geraakt. De Java ging met het steven omhoog ten onder. De bemanning kon het schip verlaten. Kort daarna trof een Japanse torpedo het vlaggenschip  “De Ruyter” in de achterste machinekamer. Terwijl het schip slagzij maakte ging de bemanning van boord. Schout bij nacht Karel Doorman bleef en boord en verkoos met zijn schip ten onder te gaan. Bezetting van

Java en de andere eilanden van de archipel.

Na korte bombardementen en gevechten werd Java na enkele dagen door het Japanse leger ingenomen. Alle militairen, Nederlandse ambtenaren van Politie en Burgerdiensten werden in, in  de haast ingerichte interneringskampen ondergebracht en aan verhoren onderworpen. Voor de kampen werden in hoofdzaak, scholen, kazernes, suikerfabriek complexen, etc. gebruikt. Mannen werden van hun vrouwen en kinderen gescheiden. Mannen die in vitale bedrijven, zoals ziekenhuizen, elektriciteitcentrales,  telefoonbedrijven, politie, brandweer, gevangeniswezen, spoorwegen, etc. hun werk hadden, werden onder bedreiging van het doden van hun gezinnen verplicht de bedrijven draaiende te houden. De militairen en hoge burgerambtenaren werden direct geïnterneerd. Later volgden de gewone burgers. Velen van hen werden overgebracht naar Japan om daar verplicht in de mijnen te werken. Anderen werden naar Thailand (Siam) overgebracht om onder andere aan de beruchte  Birma spoorweg te werken. Vele geïnterneerden lieten tijdens de bouw ervan, wegens verschillende redenen  hun leven. De transporten van deze gevangen werden tijdens de vaart door zowel Japanse als geallieerde oorlogsschepen getorpedeerd. De Nederlandse en Europese burgers werden na verhoor en selectie of geïnterneerd of naar huis gestuurd. Reeds in eerste jaar van de bezetting ontstond er al een groot tekort aan voeding en medicijnen. De burgers proberen door verkoop van hun bezit en later zelfs door stelen hun gezinnen voor honger te behoeden. Na een jaar was de voedsel voorraad en medicamenten bijna geheel van markten en uit winkels verdwenen, omdat het  Japanse leger deze voorraden voor zich opeiste. Er ontstond een enorme hongersnood onder de vooral de niet geïnterneerde Nederlandse,  Nederlands Indische en Europese bevolking. Door de tekorten ontstonden vele soorten ziekten en uiteindelijk zelfs hongeroedeem. Ondertussen probeerde het Japanse gezag de Indische Nederlanders en Indonesiërs voor zich te winnen. Toen na een jaar, vooral de Nederlandse en Nederlands Indische gemeenschap en blok weigerde met de Jappen samen te werken, werden zij in grote getale in kampen en gevangenissen geïnterneerd. Omdat de Jap over onvoldoende internering capaciteit beschikte bleef een deel van eerder genoemde bevolkinggroep toch buiten de kampen. Zij gingen een heel zware tijd tegemoet. Geregeld werden huiszoekingen gedaan, waarbij de Japanse soldaten niet schromden deze mensen te mishandelen en soms te doden. Om opstanden tegen het gezag te voorkomen, moesten velen van hen verplicht naar door de Jappen uitgevoerde openbare terechtstellingen kijken. Nederlandse  en andere personen werden zonder onderscheid van kunne aan armen of benen opgehangen, geschopt, geslagen en van hun die stalen werd een hand eraf gehakt en soms vermoord. De Jappen hoopten door deze openbare terechtstellingen de burgers eronder te houden. Kortom, er heerste totale anarchie  en gezegd kon worden dat Nederlandse, Nederlands Indische en Europese burgers vogelvrij waren. Het Japanse leger werd in de tijd versterkt met Indonesische  hulptroepen (hai-ho’s) ook wel sukarila’s (vrijwilligers) genoemd. Zij kregen een militaire opleiding en werden voor allerlei opdrachten ingezet. Hun gedrag was later even hard en onberekenbaar als die van de Japanse soldaten. Ook zij bezondigden zich aan mishandelingen en moord. Gedurende de Japanse bezetting vielen behalve onder de geïnterneerden ook veel doden onder de niet geïnterneerde Nederlandse en Europese burgerbevolking.

Tarakan

Geruime tijd voordat de eerste Japanse bombardementen werden uitgevoerd op het olierijke eiland Tarakan, aan de noordoost kust van Borneo, had de “Bataafse Petroleum Maatschappij” (B.P.M.)  voorbereidingen getroffen om de olie terreinen grondig te vernielen. De eenheid die de vernielingen moesten uitvoeren was samengesteld uit genie troepen en gemilitariseerd technisch personeel van de B.P.M. Tarakan was voor de Japanners van grote waarde omdat de olie in bruikbare toestand uit de grond werd gepompt. Er waren 700 olieputten. Allen zijn vernield met dynamiet op het moment dat een grote Japanse landingsvloot opstoomde in de richting van Tarakan. De Japanners waren des duivels door de bijna onherstelbare schade die werd toegebracht aan het rijke olieveld. Op 12 januari 1942 melde het NIROM (Nederlands Indische Radio Omroep) in Batavia de val van Tarakan. Dit na een harde, bloedige strijd. In de zuidelijker gelegen omvangrijke oliestad Balikpapan wekte dit bericht grote verbittering op. Ook hier zou men snel tot de vernietiging van de bestaande olievelden overgaan. Tarakan kwam weer in het nieuws toen tegen het einde van de oorlog Australische troepen, na hevige strijd, een bruggenhoofd en een vliegbasis vestigden.

De Japanse invasie van Bali

Nauwkeurig de aanvalslijn in het oostelijk deel van de archipel volgend, waren de Japanners er al in geslaagd het vliegveld Kendari op oost Celebes te veroveren. Vanaf deze plaats vertrokken Japanse konvooien met troepen en materieel in zuidelijke richting. Een van de konvooien had als bestemming het eiland Bali. Bali was niet opgenomen in het oorspronkelijk Japans aanvalsplan. De Japanners beschikte over het vliegveld Kendari. Ondanks de gunstige ligging van het vliegveld en bruikbare airstrips, bleek al snel dat de grillige weersomstandigheden boven Kendari de vliegtijden tot een minimum werden beperkt. Hierdoor werd het onmogelijk om Soerabaja regelmatig te bombarderen. Vandaar de aanval op Bali. De geallieerde verdediging van Java was afhankelijk van de aanvoer van gevechtsvliegtuigen vanuit Australië. De bezetting van het vliegveld Denpassar op Bali zou die luchtroute afsnijden. De ABDA vloot onder bevel van Karel Doorman kon, door de gespreide ligging van de schepen, geen vuist maken tegen het Japanse konvooi. Bali viel ongehinderd in Japanse handen.

De radiorede van Koningin Wilhelmina

Met het oog gericht op steunverlening door Amerika bij de bevrijding van Indië, sprak Koningin Wilhelmina vanuit Londen op 7 december 1942 haar befaamde radiorede uit: “Ik ben overtuigd, de geschiedenis en de berichten uit de bezette gebieden bevestigen mij daarin, dat het Rijk na de oorlog zal kunnen worden gebouwd op de hechte grondslag van volledig deelgenootschap, die de voltooiing zal betekenen van hetgeen zich in het verleden reeds heeft ontwikkeld. Ik weet, dat geen politieke eenheid en verbondenheid op den duur kunnen blijven bestaan, die niet gedragen worden door de vrijwillige aanvaarding en trouw van de overgrote meerderheid van de burgerij. (…)Ik stel mij voor, zonder vooruit te lopen op de adviezen van de Rijksconferentie, dat zij zich richten op een rijksverband waarin Nederland, Indonesië, Suriname en Curaçao tezamen deel zullen hebben, terwijl zij ieder op zichzelf de inwendige aangelegenheden in zelfstandigheid en steunend op eigen kracht, doch met de wil elkander bij te staan, zullen behartigen. Het na-oorlogse kabinet nam deze ´leidraad´ over en maakte het tot speerpunt van haar Indië beleid.

Waarom werd Pladjoe niet vernield?

Zowel Pladjoe (BPM/Shell), dat werd beschouwd als de grootste raffinaderij in zuid oost Azië, als Sungai Gerong (Standard Oil of New Jersey/NKPM) lagen ongeveer tien kilometer van Palembang vandaan aan de overkant van de Moesi rivier. De verdediging van zuid Sumatra, een gebied van 50.000 km² stond onder leiding van het Territoriaal Commando Zuid Sumatra. Men beschikte over 1250 militairen, aangevuld met gemobiliseerde burgers voor lokale bewakingsdiensten. De Japanners wilden beide raffinaderijen ten koste van alles onbeschadigd in handen krijgen. Japanse parachutisten werden in een verassende actie gedropt boven Pladjoe en het vliegveld van Palembang. Er heerste paniek en verwarring! Terugvechten of wegvluchten? Evacueren of blijven? De raffinaderij wel of niet vernielen? Midden in de chaos of tegenstrijdige orders stond de Territoriaal Commandant. Hij koos om te vluchten en liet zijn ondergeschikten de zaak uitvechten. Hij was zelfs al naar Java overgestoken terwijl zijn troepen nog volop in de strijd gewikkeld waren met de Japanners. Hij werd uiteindelijk door een krijgsraad veroordeeld. Pladjoe viel vrijwel onbeschadigd in Japanse handen. Sungei Gerong werd grotendeels vernield.

Na de capitulatie van Japan

Nederland was nog maar een paar maanden bevrijd en begon met de wederopbouw. Het beschikte nog nier over een georganiseerd militair apparaat. Duizenden jonge mannen melden zich aan om als oorlogsvrijwilligers, (OVW-ers), dienst te nemen. Hun motieven berustten op idealisme en avonturisme. Zij wilden allen hun bijdrage leveren aan de bevrijding van Nederlands Indië. Helaas had Nederland nog geen schepen om een troepenmacht te vervoeren. Intussen had Amerika op 15 augustus 1945 de bevrijding van Java en Sumatra aan Engeland overgedragen. Op 15 september 1945 arriveerde het Engelse oorlogschip de “Cumberland” met ongeveer 1.000 Britse militairen aan boord aan de rede van Batavia. Dit is een maand na de capitulatie en het uitroepen van de Indonesische onafhankelijkheid door Soekarno en Hatta. De Britse strijdmacht groeide snel uit tot zo´n 80.000 militairen. Meer dan drie kwart kwam uit India, bestaande uit Gurkha’s en Sikhs van het Britse leger, een land waarvan de autochtone bevolking zelf ook naar onafhankelijkheid streefde. Hun sympathie lag dan ook meer bij de Indonesiërs dan bij de Nederlanders. Dat gold eveneens voor de Japanse troepenmacht op Java, die van het Britse opperbevel de opdracht kreeg de rust en orde te handhaven en de vooral Nederlandse en Europese bevolking te beschermen. Ook de Japanners hadden meer sympathie voor de Indonesiërs, die over het algemeen in periode 1942-1945 door hun als hulptroepen waren opgeleid.

Merdeka (vrijheid)

Over heel Java en het overige deel van Indië lagen Japanse kampen verspreid waar Nederlanders, Indische Nederlanders en familieleden van KNIL militairen in waren geïnterneerd. Mannen, maar vooral vrouwen en kinderen wachten met spanning op hun bevrijding en het moment dat ze naar huis konden terugkeren. Helaas kon de Britse legerleiding in die dagen niets anders doen dan voedsel en medicijnen te verstrekken. Er waren ook te weinig vrachtwagens en ander vervoer beschikbaar om de bevrijde mensen te vervoeren en van voldoende voeding te voorzien. De kampen werden bewaakt door (hoe ironisch) Japanse soldaten. Zij waren belast met de bescherming van de kampbewoners tegen de nationalistische getinte Indonesische met wraak gevoelens tegen de Nederlanders. Hier en daar deden zich incidenten voor waarbij Nederlanders werden gemolesteerd en zelfs gedood. Geregeld werden door de Britse soldaten ingerichte zogenaamde beschermingskampen beschoten, waarbij gewonden vielen. De veiligheidsituatie was in sommige gevallen zo slecht, dat het Britse gezag besloot Nederlanders en andere Europeanen over te brengen naar Singapore en Thailand (Siam). eehn deel van hen repatrieerde zelfs naar  Nederland. In Batavia werd intussen het paleis van de Gouverneur-generaal weer in orde gemaakt. Er werden  parades gehouden voor de hoogste Nederlandse gezagsdrager. Ogenschijnlijk keerde de orde en rust weer terug in de stad echter niets was minder waar. Batavia was een stad boordevol met “pemoeda´s”, fanatieke jonge Indonesische mannen die door de Japanners waren opgeleid en deels waren bewapend als soldaten. Op ieder gebouw en op alle trams, bussen en auto´s waren leuzen gekalkt met ´Merdeka´, ´Freedom for Indonesia´, en ´Independence and Justice´. Ook werden leuzen gekalkt als “Hantjurkanlah musuhkita itulah Belanda dan Amerika”(Vernietig onze vijand, de Nederlanders en Amerika).

De Republiek bestaat niet!

De Britse troepen in Batavia kregen de strikte opdracht zich buiten de interne conflicten te houden. Zij peinsden er niet over zich te mengen in de openlijke vijandelijkheden van Indonesische jongeren tegen de Nederlandse gemeenschap in Batavia en omstreken. Na het uitroepen van de Republiek Indonesia werden plaatselijk pemoeda eenheden gevormd. Dit waren jongeren die door de Japanners waren opgeleid tot soldaat. Zij hadden geleerd de Nederlanders te haten. Ze kregen via de medewerking van Japanse militairen op grote schaal wapens in handen. Het aantal incidenten nam toe. Gruwelijke aanslagen op Nederlanders leidden ertoe dat de ongeorganiseerde optredende groepen Indonesische “Pemoeda’s”,  extremisten werden genoemd of ´rampokkers´(rovers) en ´pelopors´. Overigens is pelopor afgeleid van het Nederlandse woord voorloper. Toen ook de Britse troepen werden aangevallen, waarbij doden vielen, eisten de Britten van de Nederlandse regering dat er onderhandelingen zouden plaats vinden met de zogenaamde “Republiek Indonesia”. Halsstarrig weigerde de regering in Den Haag met de “Republiek” te onderhandelen, want de zogenaamde “Republiek zou volgens de Nederlandse overheid slechts uit Soekarno en Hatta bestaan, meer niet!”.

Geweld tegen Nederlanders

Ondanks het dringend verzoek van het Britse opperbevel in Batavia, weigerde de Nederlandse regering te onderhandelen met de Republiek te starten. Gouverneur Generaal  Van Mook kreeg instructies ieder contact met Soekarno en Hatta te vermijden. De regering besloot een Nederlandse mariniersbrigade en  oorlogsvrijwilligers naar Indonesië te zenden. Met de komst van de eerste KNIL bataljons, voor een groot deel bestaande uit Surinamers en KNIL militairen die in Japanse kampen in Thailand geïnterneerd waren geweest, begon de toestand in Indonesië te verslechteren. De KNIL soldaten werden vijandig door de bevolking ontvangen. Geweld kreeg de overhand toen de soldaten hoorden dat de in Indonesië woonachtige familieleden en bekenden werden afgeslacht zodra zij (de militairen) bij hun familie op bezoek waren geweest. De KNIL militairen traden hard op tegen vermeende boosdoeners en voerden deze af naar de gevangenis. Bij twee aanslagen op minister president Shahrir van de zogenaamde Repukliek Indonesia, waren zelfs KNIL soldaten betrokken. Ook de spanning met de ontwikkelde en enigszins pro Nederlandse Indonesiërs namen toe. De leuzen in de straten werden scherper en de bevolking werd opgeroepen geen voedsel aan de Nederlanders te leveren. De eerste lijken van met Nederlanders sympathiserende burgers werden verminkt aangetroffen in de grachten van Batavia.

Pemoeda´s (extremistische Indonesische jongeren) hadden de overhand

Met de komst van de eerst KNIL bataljons (de Andjing Nica en Gajah Merah) in Batavia eind 1945, nam het geweld tegen Nederlanders explosief toe. De geweldsexplosie richtte zich tegen de burgers. Zij werden vermoord/afgemaakt wegens vermeende samenwerking met de Nederlanders of uit wraakzucht.

De trieste gevolgen van dit geweld waren duidelijk waarneembaar in de grachten en kali´s (rivieren) van Batavia. Hierin dreven in stukken gehakte lichamen van in hoofdzaak Nederlandse en andere Europese burgers rond. Ook de Indische Nederlanders kregen het zwaar te verduren. Aanvankelijk werden zij redelijk ongemoeid gelaten, maar al snel werden zij beschouwd als gelijken van totok’s (in Nederland geboren en getogen Nederlanders) en dus medestanders van de Nederlanders. Zij werden in onbevrijde gebieden huisarrest opgelegd en werden later in kampen en gevangenissen opgesloten en geïnterneerd. De situatie in de voormalige Japanse interneringskampen op Java verslechterde met de dag. Nederlandse hulpverleners die voedsel naar de kampen brachten werden aangezien als de voorlopers van Nederlandse militairen. De bevoorrading verliep zeer moeilijk. Op sommige plaatsen op Java probeerden pemoeda´s, maar ook politie en leger eenheden, de Nederlandse en Indische kampbewoners te gijzelen. De gijzelaars werden op moeilijk te lokaliseren plaatsen in het binnenland in ´kampen´ ondergebracht/geïnterneerd. Hierdoor verkeerden tien duizenden mensen in levensgevaar. Soekarno en Hatta maanden hun medestanders tot kalmte, maar ze hadden nauwelijks vat op hun  politie en het leger, laat staan op de pemoeda´s. Eerst in maart 1947 werden de laatste duizenden door de Indonesiërs geïnterneerde Indische Nederlanders, uit onder andere de kampen Klampok en Bodjong in Zuid Java, bevrijd.

De Britse landing in Soerabaja

De Britse troepen landen in Soerabaya en Semarang met als doel de door de Indonesiërs bedreigde vrouwen kampen te evacueren. De Brits Indische brigade stond onder leiding van brigade generaal Mallaby. Vanaf het begin stuitten de Engelsen op hevig verzet van een overmacht van gewapende Pemoeda groepen en het “geregelde Indonesische leger”. De Engelsen verspreiden zich over de gehele stad, en dit bleek een fatale beslissing te zijn. De verspreide eenheden werden voortdurend aangevallen door goed gewapende Pemoeda´s, die zich meester hadden gemaakt van veel Japans wapen materiaal. De Britse konvooien met de vrouwen en kinderen uit de kampen op weg naar de haven van Soerabaja werden furieus bestookt met geweervuur en handgranaten vanuit de ramen en vanaf de daken van de huizen langs de route. Een konvooi werd totaal vernietigd. Slechts dertig van de twee honderd vrouwen en kinderen overleefden het bloedbad. De Britse begeleidende soldaten van het konvooi werden met Japanse samoerai zwaarden afgemaakt. Tijdens pogingen tot onderhandeling met de Indonesiërs werd brigade generaal Mallaby vermoord. De Britse brigade werd naar men zegt, bijna volledig in de pan gehakt.

Oorlogsvrijwilligers

In de Nederlandse grondwet was een bepaling opgenomen dat uitzending van dienstplichtigen verbood. De samenstelling van een dienstplichtig leger voor de bevrijding van Nederlands Indië bleek daarom niet uitvoerbaar. Het ´Oorlogsvrijwilligersbesluit´, afgekondigd op 1 oktober 1944, bracht de oplossing. Het oproepen voor oorlosgsvrijwilligers zou tot snellere resultaten leiden. Onmiddellijk na de bevrijding werden overal in het land aanmeldingsbureaus geopend. Door gebruik van reclame affiches en op Indië georiënteerde leuzen werd jong Nederland opgeroepen in militaire dienst te treden. Het enthousiasme was zo groot dat de regering zich genoodzaakt zag de rekrutering te beperken om genoeg arbeidskrachten over te houden voor de wederopbouw van Nederland. De motieven om dienst te nemen liepen sterk uiteen. De meest voorkomende motieven waren avonturisme, zichzelf bewijzen na de verloren jaren onder de Duitse bezetting, een onzeker of werkloos bestaan te ontlopen, een bijdrage te leveren aan de bevrijding van Indië en aan het arme Nederland te ontsnappen en de wereld te zien. Na de vrij onverwachtse capituleerde Japan vertrokken al gauw OVW-ers naar Indië om daar de orde en rust te handhaven.

De bevrijding van Ambarawa

Gedurende de gevechten tussen Nederlandse en Republikeinse legereenheden werden de grote Japanse interneringskampen op Java het doelwit van de Pemoeda´s en het Indonesische leger. In deze kampen wachten tien duizenden Europeanen en Indo Europeanen op de bevrijding en de terugkeer naar huis. Het Britse leger probeerde zoveel mogelijk kampbewoners te evacueren naar veiligere gebieden, maar kon, naar later bleek, niet verhinderen dat duizenden werden vermoord. Een dramatisch voorbeeld hiervan was het Britse leger konvooi dat in de buurt van Soerabaja ongeveer honderd en vijftig vrouwen en kinderen vervoerde naar een veilig gebied, bij de haven van Soerabaja. Dit konvooi werd overvallen en volledig uitgemoord. Uiterst hachelijk was de toestand in één van de grootste, op midden Java gelegen interneringskamp te Ambarawa. In het kamp, dat ongeveer vijftig kilometer ten zuiden van Semarang lag, ontbrandde een grimmige strijd tussen de Japanse kamp bewakers en Indonesische strijdkrachten. In dit gebied had “generaal” Soedirman zijn TNI troepen gelegerd. De Japanse kamp bewakers weigerden hun wapenarsenaal af te staan aan de Indonesiërs. Na harde gevechten werd Ambarawa door een gezamenlijke actie van Britten en Japanners bevrijd.

Troepen naar de Oost

In november 1945 besloot de Nederlandse regering 75.000 manschappen naar Indië te zenden, waaronder dienstplichtigen. De regering voelde zich gesterkt door de gebeurtenissen op Borneo, Celebes, de Molukken en de Soenda eilanden. KNIL soldaten hadden zonder veel moeite de bezetting overgenomen van het Brits en de Australische bezettingsmacht. In afwachting van de komst van de OVW-ers en de mariniersbrigade uit Nederland werden de vroegere KNIL krijgsgevangen snel in bataljons samengesteld. Zij werden daarna naar de meest noodzakelijke plaatsen in de buitengewesten gestuurd. Eind 1945 werden in Thailand de bataljons van de Gadjah Merah gevormd. Deze hadden de rode olifant in hun embleem. In Singapore werd het Prins Bernhard bataljon samengesteld en in Bandoeng het Andjing Nica bataljon opgericht. Op de Molukken, noord Celebes en later in Tjimahi op west Java werden wervingsdepots opgericht. Bij deze depots was het mogelijk, net zoals voor de 2de Wereldoorlog, een dienstverband aan te gaan bij het KNIL. Vele ex-KNIL militairen van Indonesische afkomst maakten er gebruik van.

Dienstplichtigen

Het Koninklijk Besluit van 22 juni 1944 gaf de regering de mogelijkheid om dienstplichtigen naar Indië te sturen door zich te beroepen op buitengewone omstandigheden. De Grondwet en de Dienstplichtwet werden later aangepast. In april 1946 werden de eerste lichtingen dienstplichtigen opgeroepen. In september 1946 vertrokken de eerste treinen met dienstplichtigen van de 7 december divisie voor inscheping naar Indië. De divisie werd niet gestuurd om Indië te bevrijden, maar om de rust en orde te herstellen. Het vertrek van de soldaten ging niet zonder moeilijkheden gepaard. Er werden vooraf in Nederland protestacties en stakingen gehouden. De dienstplichtigen voelden er weinig voor om naar Indië te worden gestuurd. Hoewel het merendeel van de soldaten zonder problemen inscheepten, bleek dat een substantieel aantal niet van het inschepingverlof waren teruggekeerd. Oproepen via de radio en dreigementen met strenge straffen zorgde ervoor dat een deel van de soldaten zich alsnog melden. Toch bleek dat zo´n 2.600 dienstplichtigen. waren ondergedoken. Deze ´Indië deserteurs´ werden later berecht en veroordeeld tot gevangenisstraffen van vier tot vijf jaar. De treintransporten naar het inschepinggebied werden begeleid door het Korps Marechaussee. Er waren strenge voorzorgsmaatregelen genomen om rellen te voorkomen, en bij de inscheping werd het afscheidsnemende publiek op een afstand gehouden.

De tweede Britse landing in Soerabaja

De eerste landing van een Brits Indische brigade in Soerabaja eindigde in een ramp. Bijna de gehele brigade werd uitgemoord door een uitzinnige overmacht van Pemoeda´s en Indonesische legereenheden. De bevelhebber, brigade generaal Mallaby werd gedurende onderhandelingen met de Indonesiërs vermoord. Na deze tegenslag besloten de Engelsen tot een nieuwe interventie met een volledig uitgeruste divisie. Het Britse opperbevel gaf een ultimatum aan de republikeinse leiders om alle wapens in te leveren. Toen er niet werd gereageerd op het ultimatum vielen de Britten op 10 november 1945 aan. De uitzonderlijke zware strijd om de stad duurde zeker drie weken. Er waren veel slachtoffers onder de burgerbevolking en de meeste vluchtten de stad uit. Het aantal doden en gewonden liep in de tien duizenden. Verbitterd door de zware verliezen traden de Britten hard op tegen gevangen genomen tegenstanders. De afspraak, dat men zich niet zou mengen in een intern conflict had men naast zich neer gelegd. De voormalige geïnterneerden van de Japanse kampen konden worden bevrijd en afgevoerd. De strijd was om hen gevoerd. Jaarlijks wordt 10 november in Indonesië herdacht als Heldendag.

Nederlandse troepen mogen niet landen

De Britse opperbevelhebber van zuidoost Azië, Lord Mountbatten, weigerde Nederlandse troepen toe te laten op Indië, zolang Nederland niet wilde onderhandelen met de Indonesische leiders  Soekarno en Hatta. Nog steeds beschouwde de Nederlandse regering Soekarno en Hatta als collaborateurs met de Japanners, en dat alleen deze twee de Republiek Indonesia hadden uitgeroepen. Het krachtenspel en de sterk ontwikkelde nationale gevoelens in het na-oorlogse Indië ontging de regering van premier Schermerhorn in Den Haag volledig. Toen de eerste OVW-ers aankwamen bij de rede van Batavia mochten zij niet landen. Ze werden overgebracht naar Malakka. Daar verbleven ze in tentenkampen die kort daarvoor door de Britten waren verlaten. Hoewel aanvankelijk hevig teleurgesteld, waren de soldaten blij getraind te worden, en daardoor beter voorbereid te zijn op jungle gevechten in de tropen. Gedurende de maanden van hun gedwongen verblijf op Malakka kregen zij onderricht van ervaren Brits Indiase soldaten. Dit in tegenstelling tot de latere contingenten dienstplichtigen, die zonder enige tropen gevechtservaring bij aankomst in het diepe werden gegooid.

Dekolonisatie

Dr. H.J. van Mook, luitenant gouverneur generaal van Indië, begreep dat hij, in weerwil van het kabinetsstandpunt, vanwege de internationale druk wel moest onderhandelen met de republikeinse leiders, waaronder Soekarno. De regering in Den Haag was woedend en wilde hem zelfs ontslaan. Omdat de regering in Den Haag beducht was voor afkeurende reacties van Engeland en Amerika ging het ontslag niet door. In december 1945 vloog van Mook naar Nederland om de regering te overhalen een andere koers te varen. In zijn aktetas had hij de plannen om de impasse te doorbreken. Tijdens informeel overleg met “de nieuwe premier van de republiek”, Sutan Sjahrir, waren plannen uitgewerkt die gericht waren op dekolonisatie. Het overleg in Den Haag resulteerde in de bereidheid van de regering om Indonesië tot een zelfstandig onderdeel van het Koninkrijk te maken in een Unie onder leiding van een Rijkskabinet. Begin maart 1946 vond op het landgoed ´De Hoge Veluwe´ een conferentie plaats tussen een Nederlandse en een Republikeinse delegatie. De conferentie mislukte volkomen. De Nederlandse voorstellen druisten tegen de nationalistische gevoelens van de Republiek in.

De Werfstraat gevangenis in Soerabaja

Via luidsprekers verklaarde Soetomo de oorlog in Soerabaja aan iedereen van wie ook maar een druppel Nederlands bloed door de aderen liep. Op 15 oktober 1945 begon de door ´Bong Tomo´ opgehitste menigte een klopjacht op alle Nederlanders en Indische Nederlanders. Ze werden uit hun huizen gesleurd of van de straat opgepakt. Ongeveer 2.400 personen werden in open vrachtwagens naar de Werfstraat gevangenis getransporteerd. Tot aan de poort van de gevangenis werden ze mishandeld door een hysterische, opgezweepte Indonesische menigte en pelopors. Binnen de poort van de gevangenis was het nog erger. Op gruwelijke wijze werden ze met tientallen tegelijk door de bewakers de cellen ingeslagen. Een van de cipiers waarschuwde de Britten dat alle gevangen zouden worden vergiftigd en de gevangenis in brand zou worden gestoken. Op 10 november 1945 werd door een Nederlander in Britse dienst, Jack Boer, een bevrijdingsactie op touw gezet. Een Stuart tank schoot een gat in de buiten- en binnenmuur, waarna Jack Boer en zijn escorte van tien Ghurkas naar binnen drongen. Er ontbrande een hevig vuurgevecht met de ongeveer honderd bewakers die zich tot het uiterste verzetten. Een Ghurkha sneuvelde. 2.384 gevangenen in vervuilde, vermagerde en gewonde toestand werden bevrijd. In het boek “Macaber Soerabaya” (van Richard Klaessen) is dit voorval beschreven. Na 1945 werden vele interneringskampen ingenomen en de geïnterneerden bevrijd. Dit gold echter niet voor heel Indië. Na capitulatie van Japan volgde de zogenaamde “bersiap”periode. Indonesische extremisten die voor hun vrijheid vochten, namen het heft in handen. Bijna alle Nederlanders, Indische Nederlanders en Europeanen in niet door de geallieerden bevrijde gebieden, werden door de gewapende Indonesiërs in de ex. Japanse kampen geïnterneerd. Het regiem dat er heerste was hetzelfde als in Japanse kampen. Er was bijna geen eten, medicijnen, noch bedden. Vele geïnterneerden sliepen op de koude vloeren zonder enige bescherming tegen muskieten. Net als in de Japanse bezettingstijd werd er enorme honger geleden, ontstonden ziekte als malaria, dysenterie, huidaandoeningen en hongeroedeem.   Duizenden burgers vonden ook in de Indonesische kampen de dood. Ondanks dat de tweede Wereld Oorlog in augustus 1945 eindigde werden duizenden Nederlanders pas eind 1946 en zelfs de laatsten pas in maart 1947 bevrijd.

Oost Timor

De Portugese regering liet zijn enige kolonie in de archipel aan haar lot over. Het economisch beheer werd overgelaten aan de Liurai, de inheemse heersers van de Timorese vorstendommen. Na de val van de dictator Salazar op 25 april 1974 streefde het nieuwe Portugese regiem er na om Oost Timor zo snel mogelijk onafhankelijk te laten worden. In het zicht van de onafhankelijkheid ontstonden er drie politieke bewegingen op Oost Timor. De Democratische Unie (UDT), het Verenigd Sociaal Democratisch Front (ASDT) en de Apodeti. De eerste twee bewegingen waren voor volledige onafhankelijkheid. De Apodeti, een volks democratische beweging, stond voor volledige integratie binnen Indonesië. Het UDT ondernam een geslaagde coup in de hoofdstad Dili, maar in augustus 1975 nam het ADST, beter bekend als het revolutionaire front Fretilin de macht over. Op 7 december 1975 lande een Indonesische invasiemacht op Oost Timor. Ondanks hevig verzet van Fretilin guerrilla’s werd op 16 juli 1976 Oost Timor uitgeroepen tot de 27ste provincie van Indonesië. De afwikkeling ervan werd verder op vreedzame wijze geregeld door tussenkomst van een van de bekendste Indonesische consuls Mesker Tomodock.

Ondergang Junyo Maro

“In de herfst van 1944, toen de troepen van generaal Mc. Arthur bezig waren de Philippijnen te heroveren, begonnen de Japanse overheersers meer krijgsgevangenen van Java naar Sumatra te transporteren. Er moest een spoorweg worden gebouwd om steenkool van West naar Oost Sumatra te vervoeren en vandaar uit naar Singapore. De reis begon in Batavia op 15 september 1944. Het was een dag waar wij allen, tegenop zagen. Het was de dag, dat ongeveer 2.400 gevangenen met het transportschip moesten reizen. Twee rijen magere gepakte mannen klommen aan boord van een oud verroest vrachtschip, de “Junyo Maru”. Een rij van Europese krijgsgevangenen verdween vervolgens in het achterschip. 2.200 personen verdwenen in de ruimen en 200 waaronder verteller zelf, vonden een nauwe plaats ergens op het achterdek. Een tweede rij van ongeveer 4.000 arbeiders, verdween in het voorschip. Op 18 september stoomden met een 10 á 15 mijl langs de Sumatraanse westkust. Drie dagen hadden wij op het dek geleden onder de tropische zonnewarmte, terwijl wij ’s avonds van de koude regens last hadden. Op het dek en benedendeks heerste er een ongelooflijke ellende. Er was voor ons nagenoeg geen eten en drinken. Bovendien waren er totaal geen medicijnen voor de aanwezige meegevaren zieken.  Velen verloren daarbij de moed om nog verder te leven.

Honderden onder ons leden aan malaria en dysenterie. Sommigen onder ons werden door waanzin bevangen  in de stinkende ruimten. Levenden stonden of lagen temidden van stervenden en doden. Toen ik door het open luik naar beneden keek, zag ik een donkere stinkende ruimte waar mensen door elkaar stonden en lagen badend in hun zweet en snakkend naar verse lucht. Op het moment, dat ik  daar stond te kijken voelde ik een enorme schok door het schip gaan. “kalm blijven,machines kapot” schreeuwde een stem door een luidspreker. Toen volgde een tweede schok en een enorme klap ergens diep beneden mijn voeten.

Enkele seconden een diepe stilte. Chaos. Gevolgd door gekrijs en geschreeuw. “Torpedo’s, verlaat het schip” was de volgende boodschap. De paniek zette in.

Mannen sprongen over de railing. Anderen gooiden vlotten in het water. Ik hielp enkele lotgenoten de laatste treden van de ruimadder op te klimmen. Een massa lichamen trapte, krabde en wurmde zich op de enige aanwezige ladder. Bebloed bereikten sommigen het dek. Ik ontdeed mij van mijn laarzen, puttees en bovenkleding en sprong daarna overboord het zeewater in. Het gelukte mij snel van het zinkende schip weg te komen. Watertrappelend draaide ik mij om. Wat een gezicht. Oh, mijn God wat was het verschrikkelijk wat ik zag. Langzaam, erg langzaam  . . . verdween ons transportschip in de diepte van de zee. Eerst verdween het achterschip in de golven, terwijl het voorschip hoog in de lucht stak. Honderden lichamen klampten zich aan de steile wand van het zinkende schip vast, terwijl anderen van de scheepswand afvielen. Gekrijs, geschreeuw, gehuil en geroep vulde de lucht.

Even later verdween het schip geheel onder water. Schuim en waterbellen vulden de omgeving van het schip. Een draaikolk vormde het gat van de dood en destructie. Ik keek naar de dood en zag een vriend. Ik besloot met al mijn restkracht hem te helpen.

Na twee en een half jaar kampleven achter de rug te hebben was ik een levend geraamte. Als gevangene waren wij in de ogen van de Japanse vijand een stuk levend vuil en dus niet waard om gered te worden.

Zouden de twee overgebleven transportschepen mij en de andere schipbreukelingen nog redden? Zwemmen, drijven in de oceaan, gepaard gaande met veel honger en dorst, bepaalden onze mogelijke redding. Soms leek verdrinken onze enige snelle redding uit de ellende.

In mijn nabijheid begon een lotgenoot te lachen. Even later volgden hoge geluiden, waarna hij voorgoed onder water verdween.  Anderen volgden zijn voorbeeld, na eerst verschillende keren boven water te zijn gekomen.

Ikzelf had het geluk mij te kunnen vast klampen aan een stuk hout om mij drijvende te houden. Met mij klampten zich nog twee andere mannen aan het stuk hout vast. De nacht die wij doormaakten ging langzaam voorbij. Heel langzaam. Na een voor mijn gevoel, oneindige tijd, verscheen eindelijk de zon aan de horizon. Wij zagen heel in de verte land met om ons heen een enorme plas met water. “Schip, een schip” hoorde ik roepen. “Waar, wat is het aan het doen?” maar het verroerde zich niet.

Al drijvend  en spartelend in zee en hangend  aan een stuk wrakhout voelde ik mijn hart bonken. Het was tropisch warm in zee  waar wij zonder bescherming rond spartelden. Mijn tong was droog, ik snakte naar drinkwater en mijn hele lichaam deed pijn. Ik zag menig lotgenoot met geschreeuw en verwrongen gezichten voor goed in de diepte verdwijnen. Ik zelf bereikte het punt om ook te moeten kiezen tussen leven en dood. Plotseling hoorde ik een stem in mijn zeggen: “ Kies je doel en ga ervoor”. De natuur waarin je gelooft is de enige die jou kan begeleiden!

Vanaf dat moment nam ik het initiatief. Met alle kracht dat ik nog in mij had zwom ik in de richting van een vermoedelijk Japans schip. Ik sleepte het stuk hout waaraan nog enkele personen hingen met me mee. Mijn gedachten en mijn innerlijk dwongen mij met de laatste krachten die ik nog in mij had te zwemmen, . . . zwemmen,  . . . zwemmen. Mijn lichaam en spieren gloeiden van de pijn, maar een stem in mij bleef mij commanderen, zwemmen, zwemmen, en uur na uur doorgaan.

Het schip werd met het uur groter en groter. Ik vroeg mij af en hoopte dat het schip niet op het moment niet weg zou varen. Een stem riep sneller, sneller zwemmen en ik maaide uit alle macht met mijn armen door het water. Zodra ik mij veilig achtte, liet ik het stuk hout waaraan ik dreef en waaraan ik heb kunnen bijkomen los en zwom met alle macht de laatste tientallen meters naar het schip. Nog juist op tijd kon ik mij aan een kabel of touw vastklampen, toen het schip langzaam in beweging kwam. Mensen, vermoedelijk mede krijgsgevangenen, hezen mij tenslotte aan boord.

In stilte bad ik tot God. Een persoon gaf mij drinkwater. Ik dwong mijzelf op de been te blijven. Ik wist dat de Jappen een hekel hadden aan slappelingen en zeker aan hen die bijna dood waren. Na door de hel van zeewater te hebben gezwommen, was ik niet van plan mij door de Jap weer over boord te laten gooien.

In Padang, waar wij enkele dagen later aankwam, zag ik enkele mannen, waarmee wij samen aan het stuk hout naar het schip probeerden te komen,lopen. Ook zij,  werden enkele dagen later door een schip aan boord te zijn genomen en gered. Deze mannen heb ik in de rest van mijn leven nooit meer gezien.

Daags daarna werd ik aan de spoorweg in Sumatra, door de Jappen  te werk gesteld. Wij werden verplicht soms 12 uren per dag te werken. Wij waren slechts gekleed in een “tjawet” (lendendoek), liepen op blote voeten en moesten genoegen nemen met een minimum aan voedsel en water. Als naar mening van de Jap niet hard genoeg werd gewerkt, werden wij, gevangenen, geslagen en geschopt. Deze toestand duurde nog bijna een jaar. Vele mede gevangenen stierven in deze hel.

Na onze bevrijding bleken slechts enkele personen de scheepsramp te hebben overleefd. Het gebeurde is qua ernst, gevoel en mentale beleving  met geen pen te beschrijven. Voor mij rest alleen dankbaarheid aan de grootheid van onze natuur “.

Uittreksel van verhaal W.Wanrooy/ uit OWTS.

Dit verhaal vernam ik R.L.Dias, via F.Aarts die eveneens aan boord van een Japans transportschip met gevangenen werd getorpedeerd, overboord sprong en overleefde.

Bali, Barong dans

In het decor van een tempelhof verschijnt de Barong als een goedmoedig uitziende, draakachtig dier. Het wordt gespeeld door twee mannen, een in het hoofdeinde en de andere in de staart. De Barong vertegenwoordigt het goede en beschermt het dorp voor de kwaadaardige heks Rangda. Tevens is de Barong een ondeugend schepsel dat houdt van kattenkwaad en pret. Hij danst wat rond in de tempelhof, klappert met zijn tanden tegen het gamelan orkest, en geniet van de kreten van bijval van een groep mannen gewapend met krissen. Maar dan verschijnt Rangda de heks, met haar lange hangende tong, menselijke ingewanden rond haar nek, giftanden in haar mond en klauwnagels aan haar vingers. De Barong speelt niet langer de clown en wordt beschermer van het dorp. De twee schepsels duelleren met hun magische krachten. De Barong schijnt het ondersplit te moeten delven en op dat moment snellen de mannen met getrokken krissen de Barong te hulp. Rangda maakt een gebaar en dwingt de door haar in trance gebrachte krisdansers hun kris tegen zichzelf te gebruiken. De Barong weerhoudt de mannen ervan zichzelf te doden met de kris. De gamelan muziek zweept de schuimbekkende, met hun kris zwaaiende dansers op. Uiteindelijk vertrekt Rangda, verslagen door de goede krachten van de Barong. Burung Kakatua Burung kakatua Hinggap di jendela Nenek sudah tua Giginya tinggal dua

Refrein, Letdum letdum letdum oh la la Letdum letdum letdum oh la la Letdum letdum letdum oh la la

Ada botol kosong Isi aer gula Ada oma ompong Giginya tinggal dua

Topi saya bundar Bundar topi saya Kalau tidak bundar Bukan topi saya

Burung saya besar Besar burung saya Kalau tidak besar Bukan burung saya

Instrumenten van de (Gamelan) groep  Een Gamelan is als instrument nooit hetzelfde. De Gamelan wordt aangepast aan de gewenste toonsoort en schaalintervallen. Tot de instrumenten groep van de Gamelan kunnen de volgende instrumenten behoren. • De Rebab. Dit is een twee snaren instrument met koperen snaren en een bijna hartvormige klankkast die als viool wordt bespeeld. • De Kendhang. Dit is een drum die aan beide zijden met de hand wordt bespeeld. Het is een leidinggevend instrument dat onder andere het ritme aangeeft. • De Suling. Dit is een bamboe fluit. • De Bonang. Deze bestaat uit een dubbele rij bronzen keteltrommels in een horizontaal frame en wordt met twee houten stokken als een xylofoon bespeeld. • De Saron. Deze speelt de kernmelodie met twee houten hamertjes en ziet er uit als een xylofoon met bronzen staven. • De Slenthem. Deze speelt de kernmelodie net als de Saron en neemt vanwege het lage octaaf de basfunctie in. • De Gender. Deze is gelijk aan de Slenthem maar heeft meer bronzen staven. • De Gambang. Deze lijkt eveneens op een xylofoon, maar is het enige instrument met hard houten klanktoetsen. • De Gong. Deze is gemaakt van brons, hangt in een houten frame en is ongeveer negentig centimeter in doorsnee.

De eerste kranten in Indië In 1816 verscheen het eerste weekblad van “De Batavische Courant”, die in 1828 werd opgevolgd door het nieuwsblad “Javasche Courant”. De krant was voornamelijk gevuld met officiële mededelingen, advertenties en gecensureerd nieuws. In die tijd was het nieuws nog onderhevig aan een strenge regeringscensuur. In 1852 werd de wekelijkse “De Java Bode” opgericht. De meesterlijke pen van Busken Huet zorgde voor een stijgende oplage van het blad. Zentgraaff was hoofdredacteur tot 1940. Vanwege zijn liefde voor Indië uitte hij heftige kritiek op de maatschappelijke toestanden. Eveneens in 1852 verscheen in Semarang het ethisch gerichte blad “De Locomotief”. Deze had als enige krant bijlagen in het Javaans, Chinees en Arabisch. Hierdoor is dit blad de voorloper van de latere zelfstandige Indonesische bladen. In 1853 werd in Soerabaja de “Oostpost” opgericht. Hier is in 1866 het grootste cultureel economisch nieuwsblad “Het Soerabajasch Handelsblad” uit voortgekomen. In 1885 verscheen: “Het Bataaviasch Nieuwsblad”, o.a. door Daum en later onder Zaalberg. Zaalberg was de vertolker van rechten voor de Indo Europese bevolking bij de oprichting van Indische partijen waaronder het Indo Europees Verbond.

Een essay over Pramoedya Ananta Toer Als kind werd Toer al geconfronteerd met het doen en laten van zijn nationalistisch ingestelde vader. Deze was na een leraarschap op een Nederlandse Indische school overgestapt naar de Boedi Oetomo beweging. Deze beweging werd in 1908 opgericht t.b.v. de sociale en culturele ontwikkeling van de Javaanse bevolking. Gedurende zijn jeugd leerde Toer de Nederlanders te haten, maar later kwam hij tot het besef dat het niet om de mensen ging maar dat het systeem niet deugde. Met grote bedrevenheid toonde Toer aan dat er in Indië al heel lang wat broeide. Ver voor 1945, het jaar waarin de Republiek Indonesia werd uitgeroepen. Tevens toonde hij aan dat het Indonesische nationalisme niet was geïmporteerd uit Japan, maar al voor de Eerste Wereldoorlog op eigen bodem begon te ontkiemen. Over de schrijver zelf schrijft Den Boef hoe uit het verzamelde werk blijkt dat Toer een individualist is, aan democratische en humanistische waarden hecht en meer waardering heeft voor de spirituele, persoonlijke kant van godsdienst dan voor de dogmatische religieuze organisatie. Vooral dit laatste blijft ook in het huidige Indonesië nog een lastige kwestie.

Wajang Volgens Pramoedya Ananta Toer, een van de grootste schrijvers van Indonesië, is de wajang, en in het bijzonder het wajangspel antiek geworden. Het Javaanse volk is opgegroeid met de Mahabharata, de Indiase heldenpost, en volgens de schrijver berust de culturele opvoeding op Java op achterhaalde beeldvorming uit een lang vervlogen verleden. De meeste voorstellingen zijn gebaseerd op schimmige verhalen, waarin de ridderkaste de belangrijkste rol vertolkt. Het gewone volk wordt zelden betrokken in de verhalen van de wajang voorstellingen. De ridders bevechten elkaar, hunkeren naar macht en leven voor macht. Bloedbaden worden aangericht. Ook onder de eigen broers van de hoofdfiguur. De figuren verbeelden geen individuen of karakters, maar figuren herkenbaar door gelijkblijvend uiterlijk, dezelfde kleding en stereotiep gedrag. Ook het verhaal is veelal door traditie bepaald mat als kenmerk het groteske en irreële. De inspiratie hieruit opgedaan wordt vertaald naar militaire macht, terwijl de Nieuwe Orde de militaire beelden gebruikt om de voortreffelijkheid van de militaire macht te symboliseren, ziet de schrijver daarin juist het tegendeel, de nederlaag. Indonesië is daarom nooit echt vrij geweest. Belangrijke figuren uit de Wajang voorstellingen zijn onder andere Tjôkro en Garéng.

Tjôngklak (west Java)

Het tjongklakspel of dakôn wordt gespeeld op een tjongklakbord. Een platte, langwerpige houten plank, waarin twee rijen van zeven ondiepe ronde uithollingen (potten) zijn uitgehouwen. Aan beide einden van het bord bevinden zich twee grotere uithollingen (de moederpotten). Het spel wordt gespeeld met kleine schelpjes, even grote kiezelsteentjes of vruchtpitten, etc. Het is een strategisch spel voor twee personen. Iedere speler heeft een rij van zeven potten en een moederpot. Er wordt tegen de wijzers van de klok gespeeld. Het spel begint door de twee rijen van zeven potten met zeven schelpjes in elke pot te vullen. De moederpotten blijven leeg. De bedoeling is om zoveel mogelijk schelpjes in de eigen moederpot te krijgen (naar huis brengen). De eerste speler pakt alle schelpjes uit een eigen pot en begint te ´lopen´ door in ieder volgend potje een schelpje te leggen. De moederpot van de tegenstander wordt overgeslagen. Eindigt men in de eigen moederpot, dan mag vanuit elk willekeurig eigen potje het lopen voortzetten. Eindigt men in een leeg potje van de tegenstander of in een eigen leeg potje, dan is de beurt over. In het laatste geval worden alle schelpjes in het tegenover liggende potje als bonus in de eigen moederpot gelegd. Het spel eindigt als een van de spelers geen zet meer kan doen. Daarna worden de schelpjes in de moederpotten geteld, en degene met de meeste schelpjes is de winnaar. De voorbereidingen van een vechthaan

Iedere deelnemer heeft een eigen afzonderlijke manier om zijn haan op het gevecht voor te bereiden, en iedere streek in Indonesië past een eigen methode toe. Zo zal elke  eigenaar/trainer zijn haan op een speciale wijze voeden. De haan wordt tussen de knieën geklemd en bolletjes gekookte rijst gemengd met rauw vlees en zemelen worden in zijn keel gepropt. De haan moet de bolletjes in zijn geheel inslikken zodat het strottenhoofd wordt uitgerekt en hij bij het vechten meer adem krijgt. Daarna glijdt er een rauw ei met geraspte kemiri (inhoud van een noot die men ook als ingrediënt gebruikt bij het koken) door zijn keel. De poten en dijen van de haan worden stevig gemasseerd en de vleugels, borst en hals ingewreven met in thee gedoopte natte vingers. Deze massage heet ´oewet´. De haan wordt hierdoor mooi glanzend en sterk. Sommige eigenaren sterken de spieren van de vechthaan, door het dier tegen de stroom in van een rivier te laten zwemmen. Tot de bekendste vechthanenras behoren de “Jago ajam Bankok”. Dit is een hanenras met kleine kop op hoge poten en van huis uit minimale lellen en kam. Een te grote kam of te grote keel lellen (gombèl) worden vooraf met een scherp stuk bamboehuid (primitief bamboemesje) afgesneden, anders zou de haan gemakkelijk getroffen kunnen worden. Vervolgens wordt de haan in een bamboekooi (koeroengan) geplaatst naast de kooi van een kleinere haan. Dit is de zwakkere haan (oentoel) die zijn robuuste buurman begroet met omhoog gestoken halsveren van angst. Het is de bedoeling dat de kleinere haan in zijn angstpsychose voortdurend vluchtbewegingen maakt waardoor de grote haan meer lef krijgt.

Hanengevechten zijn in Indonesië zeer geliefd. In sommige streken worden de vechthanen zelfs vlijmscherp geslepen kromme mesjes aan de sporen gebonden. Het strijdperk is ongeveer 4 x 4 meter en rond de “arena”staan of hurken aandachtig kijkende voornamelijk mannelijke toeschouwers. De kemphanen worden voor het gevecht, op het zicht, tegen elkaar afgewogen op hun gelijkwaardigheid. De uitgekozen hanen worden daarna door hun eigenaren in het strijdperk gebracht. De eigenaren/trainers stellen zich vervolgens in hurkhouding achter hun hanen op. Op korte afstand van elkaar worden zij tegen elkaar opgehitst. De hanen op hun beurt proberen zich uit de handen van hun eigenaren/trainers los te rukken om elkaar te lijf te gaan. Een tijdje worden de hanen op deze wijze tegen elkaar opgezet om hitsig en vechtlustig te worden. Op het startsein worden de vechthanen losgelaten en stormen vervolgens op elkaar af, waarna het gevecht begint onder luid gejuich van het aanwezige publiek. De vechtende hanen proberen elkaar te pikken en met hun sporen, al dan niet voorzien van scherpe mesjes, neer te “sabelen”. Het gevecht gaat net zo lang door totdat een van de hanen bloedend en gewond het strijdperk ontvlucht of ter plekke dood blijft liggen. Uiteraard wordt er tijdens het gevecht door de eigenaren en het aanwezige publiek stevig gegokt. De inzet is net als bij ieder gokspel, hoog. Deze gevechten zijn door de Indonesische overheid ten strengste verboden. Dit weerhoud de gokkers en het publiek echter niet, om soms op geheime plekken en dus clandestien hun activiteiten voort te zetten. Een goede vechthaan  is naast de gokwinst bij verkoop zeer hoge kapitalen waard. Overigens wordt de hanengevecht in heel Azië bedreven.

Krontjông

De Portugezen introduceerden de fado in Indië. De fado is een uit Brazilië afkomstige muziekvorm die later in Portugal zeer bekend werd en vervolgens als typisch Portugees werd beschouwd. Van deze muziek ontwikkelde de Indo Europese bevolkingsgroep een muziekvorm, die later populair werd als krontjong muziek. Hierbij werd het vijfsnarig tokkelinstrument vervangen door de gitaar. De naam van de muziek is afgeleid van het geluid dat de vingerslag over de snaren maakt, kron…tjong. Het bekendste krontjong liedje ´Nina Bobo´ schijnt de Portugese afkomst nog in zich te dragen. Nina is afkomstig van Menina (meisje) en Bobo van het oud Portugees voor slapen. Een van de bekendste krontjongliedjes is nog steeds ´Terang Bulan´. De melodie ervan werd later zelfs tot volkslied van Maleisië verheven. Terang bulan  - de maan schijnt Terang bulan di kali - de maan schijnt in de rivier buaja timbul  - de krokodil komt boven disangkahla mati. -  je denkt dat hij dood is. Djangan pertjaja - Vertrouw nooit mulut lelaki  - op het woord van een man Berani sumpah - die dapper zweert Tapi takut mati. - maar bang is te sterven. Pasar Malam

De Pasar Malam was vroeger niet zo maar een avondmarkt in Indië. Het was een georganiseerde avondmarkt die een mengeling was van een festival, een jaarbeurs, een kermis en een volksfeest. Dit jaarlijkse evenement groeide in de Indische hoofdsteden uit tot een ontmoetingsplaats van oost en west. Europeanen, Indonesiërs en mensen van de omliggende Aziatische landen kwamen als bezoeker zowel als deelnemer. Het was die samensmelting van vele culturen die de schrijver en publicist Jan Boon voor ogen stond toen hij ruim 47 jaar geleden de eerste Pasar Malam in Den Haag opende. Uit de opbrengst kon de net opgerichte Indische Kunstkring”Tong-Tong” gefinancierd worden. Bovenal wilde Boon de Indische mengelcultuur, die de honderdduizenden gerepatrieerden uit Indië kenmerkten, proberen te behouden. Hij streefde ernaar dit uit te dragen via de Pasar Malam en het door hem opgerichte Indisch tijdschrift “Tong Tong”. Na het negende lustrum noemde men het evenement de Pasar Malam Besar. Jaarlijks trekt de Pasar Malam nu zo´n 125.000 bezoekers en kan met recht een groots Euraziatisch festival genoemd worden. Toneel, dans, exposities en lezingen vormen een belangrijke culturele inbreng in het geheel aan activiteiten. Boedi Oetomo Vooral in kringen van de lagere Javaanse adel (prijaji) werd grote belangstelling getoond voor gerichte belangenbehartiging. Daarom werd in 1908 de organisatie Boedi oetomo (het schone streven) opgericht. De aanzet werd gegeven door Dr. Wahidin Soedirohoesodo. Wahidin lanceerde een voorstel op de School tot Opleiding van Inlandse Artsen (STOVIA) in Batavia om een studiefonds op te richten ter bevordering van het westers onderwijs. Zijn initiatief werd gesteund door het koninklijke huis van Pakoe Alam in Djokjakarta. Het herstel van het Javaanse koningshuis was het streven. Ook onderwijs en emancipatie stonden hoog in het vaandel. Het streven om het verleden te doen herleven leidde later tot een splijting in de organisatie. Tjipto Mngoekoessoemo wilde er een politieke partij van maken om volksonderwijs op westerse grondslag te bevorderen. Dit om de stagnerende Javaanse cultuur en de traditionele hiërarchie te doorbreken. De meerderheid van de oudere prijaji o.l.v. Wahidin waren hier op tegen, en Tjipto verliet de organisatie. Van een verandering naar politieke nationalistische partij was er binnen Boedi Oetomo geen sprake. Het Asmat volk

In het moeras gebied, tussen de Digoelrivier en ter gebied Mimika, in het zuiden van Nieuw Guinea leeft het Asmat volk. De naam ´Asmat´ betekent ´zij die uit het hout gesneden zijn´. Een scheppingsmythe verteld over een voorouder, Fumèrjipitsj, die op een van zijn omzwervingen verdronk in de monding van een grote rivier. De machtige zeearend War bracht Fumèrjipitsj weer tot leven door smeulende stukjes hout tegen zijn lichaam te drukken. Daarna begon Fumèrjipitsj mannelijke en vrouwelijke menselijke figuren uit bomen te snijden. Hij plaatste de figuren in het gemeenschapshuis (jeu) van de Asmat. Hij vulde het hele huis met houten figuren. Daarna sneed hij een prachtig klinkende trom uit hout en begon daarop te spelen. De figuren begonnen te bewegen op het ritme van de trom. Als hij sneller en harder op de trom speelde kwamen de houten figuren tot leven. Deze eerste levende figuren beschouwen de Asmat als hun voorouders. Het Asmat houtsnijwerk wordt beschouwd als de beste traditionele houtsnijkunst in de wereld. Bijna alle houten gebruiksvoorwerpen worden kunstig bewerkt. Origineel wordt voor de houtbewerkingkunst scherp geslepen stuk steen of schelpen gebruikt. De Asmat-ers (Asmat jepits) zelf stellen geen hoge esthetische eisen aan het houtsnijwerk. Voor hen dienen deze figuren allen als medium om in contact te treden met de geestenwereld. Ter ere en herdenking van deze geestenwereld maakte men de “bisj-paal”. Deze paal is te vergelijken met de ons bekende totempaal. Ook dient het om de wraakgedachte levend te houden. Pas als een dode gewroken is, kan zijn ziel rust vinden in het rijk van zijn voorouders, de safan,

De Komedie Stamboel

De Komedie Stamboel was een rondtrekkende theatergroep. De voorstellingen van de theatergroep bestaande uit Indo´s en Indonesiërs waren populair bij de gewone Indo´s. Europeanen en ´beschaafde´ Indo´s meden de theatergroep vanwege de ordinaire inhoud van de voorstellingen. Gedurende de voorstelling werd er gesproken en gezongen in een mengeling van Maleis, Chinees, Nederlands en Javaans. De voorstellingen waren rommelig en zeer amateuristisch. Maar niemand ergerde zich daar aan. Het ging om de met veel geschreeuw uitgesproken satirisch bedoelde sketches die hun uitwerking op het publiek niet misten en altijd rumoerige reacties uitlokten. Tijdens de voorstelling werd er druk gekletst, gerookt en gegeten. Er werd geschreeuwd naar de artiesten. Die onverstoorbaar het programma afwerkten. Als het een zeer rumoerige bende was in de zaal, betekende dit een succesvolle avond voor de artiesten. In de jaren ´30 werd een zekere ´Miss Riboet´ de hoofdrolspeelster. Deze dame deed haar naam alle eer aan. Haar optredens kenmerkten zich door veel spektakel, rumoer, herrie en drukte. Zij werd beroemd in heel Indië. Veel van haar liedjes zijn op de grammofoonplaat opgenomen. Zij trad zelfs op voor de Nederlandse Indische Radio Omroep (NIROM). Adat

Adat betekent letterlijk (oorspronkelijke) gewoonte. Het is het geheel van lokale zeden en gewoonten op elk gebied van het leven. De adat bepaalt de omgangsvormen, de landbouwcyclus, de zorg voor de zieken, de voorouderverering, het huwelijksrecht, het eigendomsrecht en de kleding. In het dagelijkse leven wordt de harmonie gewaarborgd indien men leeft volgens de regels van de adat. De adat schrijft voor hoe mensen met elkaar moeten omgaan. Het regelt de jacht, de rechtspraak, de landbouw, etc. De voorouders waken over het naleven van de adat en de instandhouding van de harmonie. Zijn vormen de verbinding tussen de mensen en de goden, tussen de wereld hier op aarde en de bovenwereld. Als de regels van de adat worden overtreden kan dit door de voorouders worden bestraft. Als de geesten van de voorouders bij het niet nakomen van de adat ontstemd zijn dan kan hun boosheid op velerlei manieren worden geuit. De nabestaanden lopen kans op tegenslagen en kleine ongemakken. Ook kunnen de geesten van de voorouders ziekten, natuurrampen, epidemieën en zelfs de dood veroorzaken. Rampok Matjan

De Javanen geloofden dat in een tijger een mensenziel huisde en dat een tijger zelfs het vermogen had om een mensengedaante aan te nemen. De´koning van de wildernis´ werd door de bevolking gevreesd en men had eer grote moeite mee om jacht te maken op het dier. Bij de rituele doding van tijgers werd op bevel van de vorst werd de tijger gedood door de hele gemeenschap en niet door een enkeling. Die liep het risico door de ziel van de tijger te worden vervloekt. Een aantal kooien waarin tijgers, luipaarden en panters waren opgesloten werden in een rij op een groot veld neergezet. Op ruime afstand om de kooien heen werd een carré van drie rijen dik gevormd door mannen bewapend met lansen. De voorste rij hield de lansen horizontaal, de tweede schuin omhoog en de derde recht omhoog. De kooi van een dier werd geopend en door vuur of andere middelen werd het dier gedwongen de kooi te verlaten. In zijn pogingen om te vluchten stootte het dier op de gestrekte lansen en viel terug op de grond. Het dier ondernam vluchtpogingen op andere plaatsen maar was telkens gedwongen de aftocht te blazen. Woedend en gewond ondernam het dier een laatste poging om het cordon te doorbreken, en lande op de verticale lansen en eindigde dodelijk gewond in het zand. Nu stormden de lansdragers toe en maakten het dier met lanssteken af. Hierna werd de tweede kooi geopend en werd het ritueel herhaald.    Rampok betekent eigenlijk met geweld afnemen/toe-eigenen.

Petjôh

Petjoh is een taal die vermoedelijk op Java is ontstaan in de tweede helft van de negentiende eeuw. In gemengde gezinnen waarvan de vader Nederlander was en de moeder Indonesisch of Indisch, groeiden de kinderen op met Maleis of Javaans als straattaal. Van de vader en het onderwijs leerden zij Nederlandse woorden en pasten deze toe in hun dagelijks taalgebruik. Petjoh bevatte vele woorden die in de koloniale maatschappij vooral gedeeltelijk het Europese bloed benadrukten. Het was een verbale vorm van onderscheid tussen Indo en Indonesiër. Hieronder volgen een aantal uitdrukkingen. Indo:  Werd door blanken gebruikt om de meestal Nederlandse-Javaanse halfbloeden aan te duiden. Indo kesasar: Een verdwaalde Indo die zich meer thuis voelde in het blanke milieu. Indo tempeh: Een arme Indo die woonachtig was in de kampong. Hidoeng pèsèk: Dit is een persoon met een platte neus, het teken van een binnenlander. Hoe scherper de neus was, hoe “mooier”. Sekolah djôngkok: Een spotnaam voor een inlandse dèsa school of hurkzit schooltje. Londô bangsat: Hollandse hufter. Londo godòng: Indo die de Hollanders probeerde na te doen. Njai: Huishoudster of bijvrouw van een blanke vrijgezel. Door met haar te trouwen verloor hij alle kans op een promotie of een carrière.

Muziekleven in Indië

Ten tijde van de VOC marcheerden nieuwe troepen uit Nederland met muziek het Kasteel van Batavia binnen. Muziek was er ook als overwinnaars werden begroet in de raadszaal of als officiële feesten werden georganiseerd. Individueel beoefenden de dienaren van de Compagnie, en de burgerij op eigen wijze muziek. Het waren liefhebbers die zonder voorlichting, zonder muziekboeken, zonder instrumentmakers probeerden hun hobby voor muziek uit te leven. De instrumenten waren gebrekkig of hadden te lijden van het klimaat. Ze konden niet afdoende worden gerepareerd. Onder de slaven bevonden zich violisten, cellisten, en harpspelers. Zij werden aangemoedigd en vormden huisorkesten. Omstreeks 1740 had Gouverneur generaal een huisorkest van vijftien slaven. Pas in 1848 werd in Batavia de muziekvereniging ´Aurora´ opgericht. Muziekbeoefenaren en liefhebbers vonden elkaar in de gezamenlijke belangenvereniging. Er ontstond zelfs een tweede muziekgenootschap in Batavia. Maar al heel snel fuseerden de beide verenigingen tot het genootschap ´Toonkust Aurora´. Het dilettanten orkest van Toonkunst Aurora heeft bijna zestig jaar het Nederlandse publiek in Batavia muzikaal gediend.

Vecht vliegeren

Vecht vliegeren (adoe lajàngan) in Indië deed je met glastouw. Je moest je eigen vlieger zo weten te manoeuvreren dat jij je rivaal (de andere vlieger) na een duik of snelle stijging omcirkeld, door een krachtige handmatige stuurbeweging, teneinde een zodanige positie te  bereiken dat de touwen van beide vliegers elkaar kruisten. Op dat ogenblik laat je het touw van je eigen vlieger snel vieren om zodoende het touw van je rivaal door te snijden met je eigen glastouw. Je rivaal is dan ´pedòt´, dwz. losgesneden en de aangevallen vlieger dwarrelt  als een vallend blaadje in de wind naar beneden, meestal met het afgesneden stuk touw er nog aan vast. Het winnen tijdens een vliegergevecht hangt af van wendbaarheid van een vlieger, de tactiek die de “vliegeraar” toepast en scherpte van het glastouw die men gebruikt. Door na aanraking van elkaar vliegertouw snel te vieren of in te nemen, ontstaat er tussen de twee touwen een wrijving. Het beste en scherpste vliegertouw (draad) zorgt dan dat het touw van de tegenpartij wordt doorgesneden.. Het recept van een glastouw: • Stamp in een vijzel glas fijn (elk denkbaar glas); • Week een stuk ´kak´ (beenderlijm om hout te lijmen) in een blikje met water op een zacht vuurtje tot stroop; • Roer het fijngemaakte glas door de stroperige massa; • Neem naaigaren nr. 30 of 40 (minimum 500 meter); • Zet dit over op een steentje, losjes opgerold; • Doe dit balletje garen in de ´kak´; • Pak voorzichtig een uiteinde vast, knoop het glastouw om een boom en span de draad tussen twee bomen. Laat de draad drogen tussen de bomen.

Zodra het geheel droog is, wordt het glastouw om een (gòlòngan) klos gerold. Deze klos wordt gemaakt van een leeg conservenblik, waarvan de bodem en deksel verwijderd zijn. In de lege ruimte plaats men een stuk hout, dat als handvat dient.Dit type klos voorkomt dat bij het oprollen of vieren van het glastouw, de hand in de weg staat. Stieren vechten.

Ook in Indonesië kent men eveneens het fenomeen stieren vechten. Bij het dorp Tapèn in Oost Java worden die gevechten regelmatig gehouden. De stieren behoren tot het ras van de Zebu’s. Als voorbereiding van het gevecht worden de dieren maanden afgezonderd en getraind. Daardoor “puilen” zij als het ware uit van energie en zijn, zodra ze vrij komen, in staat om elke andere stier aan te vallen. De arena is ongeveer 40 bij 40 meter en wordt slechts met houten latten omheind. Het publiek stelt zich zittend of staand rond de arena op. Zodra de stieren in de arena worden geleid en losgelaten volgt het gevecht tussen de twee     stieren. Over de uitslag wordt uiteraard gegokt. Het gevecht eindigt als een stier wegloopt, gewond of gedood ter plekke blijft liggen. De stieren gevechten gaan dus duidelijk alleen tussen twee stieren. In het achterland van Celebes (Toradja) houdt men dergelijke gevechten met karbauwen over het algemeen in het open veld. Uiteraard wordt er over de winnaar door eigenaren en het publiek flink gegokt. In de Molukken en op Madura houdt men eens per half jaar koeien races. Twee runderen worden dan voor een soort “strijdwagen” zonder wielen gespannen. Zo’n  strijdwagen  bestaat uit twee 5 meter lange in de lengte geplaatste ruwe houten palen met spanten ertussen en een juk aan de voorzijde, waaronder twee runderen worden gespannen. De menner (racer)  staat op een soort stellage op circa 1,5 meter van de achterzijde.  De race begint zodra alle deelnemers, met ongeveer 4 á 5 naast elkaar staan opgesteld op een voor de race gereserveerd zandterrein. Op het startsein breekt de hel los. Aan het tuiteinde van de “racewagen” zonder wielen wordt het systeem door de runderen naar de finish gesleept, die 100 á 200 meter verder ligt. De racer spoort, de runderen met geschreeuw en het slaan met een zweep aan, naar de eindstreep. Over de winnaar wordt uiteraard met hoge bedragen gegokt.

De Assistent- resident

“Een assistent-resident, wat doet hij toch eigenlijk?” “Hij is een binnenlandse bestuursambtenaar”. “Ja maar, wat doet hij bij de BB?” “Bijna altijd praten over een totok. Een pure Hollander die in Leiden of Utrecht in de rechtswetenschappen is afgestudeerd en dus Meester in de Rechten is”. “Goh, een geleerde, ja”. “Hij is hoofd van een van de afdelingen van een residentie. Soms zijn er wel vijf afdelingen en zijn er dan ook vijf AR´s werkzaam binnen zo´n residentie. Voor hem werken controleurs, opzieners en beambten. Zij innen de belastingen, houden toezicht op de landbouw, beheren gebouwen en waterstaatswerken, voeren politie taken uit, etc.” “Nooit geweten dat ze zo veel werk hebben zeg”. “Het moeilijkste voor de AR is dat hij moet samenwerken met de Regent van de streek. De Adipati of Pangeran (prins). Want die is de vorst van de bevolking en hij is van adel. Volgens instructies van hogerhand moet de AR de Regent beschouwen als zijn ´jongere broer´. En als de AR werkkrachten nodig heeft voor de bouw van bruggen, wegen en gebouwen zegt hij tegen de Regent dat hij mensen nodig heeft.” “En als hij niet wil, die Regent?” “Dan wordt de AR overgeplaatst. Hij heeft dan zijn ´jongere broer´ niet goed aangepakt”.

Herendienst

“Weet jij wat ze bedoelen met Herendienst?” “Is dat niet iets met godsdienst. Je dient de Heer?” “Nee man. Dat heeft er niks mee te maken. Het zit zo. Herendiensten waren verplichte hand en span diensten die de Indonesische bevolking moest leveren aan het gouvernement”. “En hoe dan, die lui?” “Zelfs begin 1900 werd op Java en Madoera nog mankracht gevorderd voor tamelijk zware diensten. De mannen werden ingezet bij de bouw van spoorbruggen en de aanleg van wegen en waterwerken. Dat betekende dus hakken van rotsblokken uit de bergwanden, werken in zandafgravingen en het vervoer van al dit materiaal naar de werkplek. En verder het onderhoud van de wegen en waterwerken, etc”. “En wat kregen ze daarvoor?” “Nul komma nul. Niks. Het gouvernement zag een herendienst als een belasting in natura. Er stond geschreven dat er bij primitieve volkeren belasting in natura (arbeid) dikwijls de voorkeur heeft boven belasting in geld”. “Ja, die kerels waren gek”. “Nou, die kerels gehoorzaamden hun vorst, de Adipati of Pangeran blindelings. Dat is hun adat. De vorst zorgde voor de mankracht en kreeg daarvoor een vergoeding”. “Kassian, die lui. Door maar door te werken voor meneer de Tokok en meneer de Regent. En dan voor niks”.

De voorspelling

“Wist jij dat er al eerder is voorspeld dat op een dag wij uit dit land geflikkerd worden?” “Ja, dat had ik jou ook wel kunnen voorspellen toen de Jappen hier net nog waren”. “Nee, al veel en veel eerder heeft de Javaanse koning Djojobojo die voorspelling gedaan. Hij was koning van het rijk van Kediri en regeerde van 1135 tot ongeveer 1157. Dus dat is zo ongeveer 800 jaar geleden”. “En wat zei hij, die orang”. “Toen al voorspelde hij letterlijk dat Java onafhankelijk zou worden nadat de blanken verslagen waren en een geel volk honderd dagen had geheerst”. “Ach, kan toch niet. Er waren nog niet eens blanken aan de horizon te bekennen. Die vent wist toen nog niet eens hoe blanken eruit zagen”. “Luister nou. Hij voorspelde dat er eerst blanken, dat zijn dus totoks op Java zouden zijn en die werden verslagen door Japanners, dat weet je. Daarna zou een geel volk, Japanners dus, een tijdje over Java gaan heersen. Pas daarna zou Java onafhankelijk zijn”. “Ja, als je het zo zegt”. “Djojobojo´s naam is bij de Javanen van vandaag nog steeds bekend. Zelfs Soekarno heeft in zijn speeches die naam verschillende malen aangehaald”. “Djojobojo zeg je…nooit van gehoord”.

De tranen van Mona

“Oogvocht, dat zijn toch eigenlijk alleen tranen?” “Ja. Je zegt, haar ogen zijn vochtig van het huilen”. “Oh, dan snap ik toch goed”. “Wat snap je?” “Nou, jij kent Paatje Si-Blaga toch? Met zijn mooie dochter Mona. Daar ben ik verliefd op. En ik wil eigenlijk met haar trouwen. En toen had ik zo gedacht, ja, ik vraag haar hand aan Paatje. Dus ben ik naar hem toegegaan en ik zei tegen hem, Paatje, ik heb 10.000 roepiah in mijn spaarpot, mag ik met uw lieve dochter Mona trouwen?” “En toen?” “Toen zei hij, voor 100.000 roepiah kan jij nog niet eens het oogvocht van Mona kopen. Weer na eventjes handelen ben ik nar Paatje toegegaan en ik zei toen dat ik 1 miljoen roepiah had. Koerang zei hij weer”. “En toen?”. “Toen ben ik naar Mona gegaan en ik heb gezegd, lieve Mona, ik kan niet met je trouwen. Jouw vader zegt, dat je van binnen helemaal vol zit met oogvocht”.

Aziatisch ontwaken

“Tjoba, jij bent toch van de HBS?”. “Ja, waarom?” “Ik zag vanmorgen in een tijdschrift een plaatje van een tijger met zijn grote bek wijd open en daar stond bij ´Reveil!!Ontsnapt!!´ Verder niks over waar en wanneer die Reveiltijger is ontsnapt”. “Laat zien! Ach, dat is een politieke plaat. Er is nergens een tijger ontsnapt. Dit is geen echte tijger. Kijk maar…in de strepen op zijn rug…daar staan de namen van landen gedrukt…Turkije, Japan, Brits Indië, de Filippijnen, China en een paar keer Indonesia”. “Lo, ik dacht dat deze tijger in die landen voorkomt”. “Luister, daar gaat het juist om. In die landen is de geest van de tijger ontwaakt. Reveil betekent ontwaakt, ´bangoenlah´!...Japan is ontwaakt en heeft Rusland verslagen. Jong Turkije bracht zijn sultan ten val. China bracht het keizerrijk ten val en er kwam een republiek onder Sun Jat Sen. De Filippijnen krijgen zelfbestuur van de Amerikanen en in Brits Indië werd Mahatma Gandhi de nationalistische leider. Overal zijn Aziatische landen bezig overheersing en dictatuur van zich af te schudden. Met of zonder geweld. En dat is precies wat Soekarno ook wil. Los van Holland. Eigen bestuur”. “Lah-illah, volgens mij moet jij in de Volksraad gaan zitten. Dan komen de indo´s eindelijk aan de macht”.

Minangkabau

“Ben jij wel eens in Bukittingi geweest?”. “Nee, waar ligt dat precies?”. “In Sumatra, midden Sumatra. In dat berggebied woont het Minangkabau volk. Maar ga daar maar niet naar toe want dan val je onder het regiem van vrouwen. Je hebt als kerel geen moer te vertellen”. “Saaie boel zeg. En hoe komt dat nou?”. “Nou, dat stamt nog uit de tijd dat Atjeh een groot Mohammedaans rijk was. De sultan regeerde over bijna heel Sumatra en een deel van Maleisië”. “OK, maar nu die Minangkabause vrouwen?”. “Op een dag ging de vorst van Minangkabau met zijn familie naar de Sultan van Atjeh om daar hormat te betonen. Ze voeren met hun boot dicht langs de kust. Plotseling liep de boot op een klif en kon niet verder. Alle jongelui sprongen in het water om de boot los te trekken, maar de twee zonen van de vorst voelden zich te hoog voor dat werk. Dat maakte de vorst en zijn vrouw erg boos. Zij onterfden hun twee zonen. Alle bezittingen gaven ze aan de neven en nichten, dus aan de kinderen van de zuster van de vorst. En zo komt het dat altijd de zuster van de overleden man alles erft”. “Dus als ik Minangkabauer zou zijn, dan zou mijn zuster Fietje alles krijgen en mijn kinderen niets?”. “Precies. Ze noemen dat matriarchaal erfrecht”.

Pantja Sila (nationalisme)

“Die Soekarno, wat wil hij toch?”. “Nou, hij droomt dat hij president wordt van het land Indonesië. Hij wil alle eilanden, wateren en zeeën daartussen van Sumatra tot Papua tot een staat Indonesië maken. Een nationale staat voor alle mensen”. “Ya-illah, hij wel, die vent”. “Nationalisme wil hij erin beuken. Natie zit in dat woord en nationaal zit in dat woord. Alle inwoners van alle eilanden moeten een natie vormen. Niet het eiland of de streek waar zij wonen is belangrijk, nee, binnen de grenzen van de gehele archipel ligt voortaan hun woongebied. Iedereen moet Indonesiër worden”. “Ja maar, een Dajak is toch geen Javaan en een Papua is toch geen Minangkabauer en…hun uiterlijk is anders, hun adat is anders…ze eten varkens of karbouwen of sapi of hond en dan nog vereren ze slangen of panters of tijgers”. “Precies, neem nou die tijgers. Er zijn Sumatraanse tijgers, Javaanse tijgers, Balinese tijgers, en…”. “Ja maar, dat zijn toch allemaal tijgers”. “Precies. Dus wil Soekarno dat je alle tijgers niet hun eilanden naam geeft maar voortaan Indonesische tijgers noemt”. “Allah, gelukkig maar dat de meeste tijgers een kort leven hebben, ja. Niet langer dan twintig jaar toch”.

Kampong economie

“Weet je dat Soekarno met zijn Pantja Sila eigenlijk bedoelde dat de Indonesiërs hun identiteit alleen kunnen terugvinden als ze gaan leven zoals vroeger in de kampongs van voor de Nederlandse tijd?”. “Dat is betul long ago. Maar waarvoor?”. “ Nou, daar heerste nog het Javaanse principe ´gotong rojong´, dat ´betekent wederzijdse hulp voor elkaar´. Want in de kampong helpt de een de ander b.v. bij de bouw van zijn huis en dan helpt de ander de een bij het oogsten van de padi op zijn sawah. Begrijp je?” “Met zonder betaling, deze?” “Gotong rojong heeft niks met geld verdienen te maken. Dat is de adat in de kampong. Wat jij denkt dat is kapitalisme. Nee, gotong rojong is precies het tegenovergestelde, het is socialisme. Een voor allen en allen voor een”. “Ja, maar wie betaalt die vent zijn huis dan?” “Ajo nou, zijn huis is toch van bamboe en bamboe groeit toch in het wild, Zijn dak is van atapbladeren en hij gebruikt geen spijkers maar bamboe vezels. Kost niks”. “Ja, maar waarom gaat hij dan die ander op zijn sawah helpen? Zeker om zijn oogst te helpen opeten? Lekker gratis zeg. En wie betaalt de pedah (vis) bij de rijst?”. “Ach, weet je, dat is denk ik wat Soekarno bedoelt met kampong economie. Zoek het zelf maar uit”.

Het erf van de desa bewoner

“Die oom van jou in de desa Tjikalong heeft ook een grote vruchtentuin, zeg”. “Ja, ongeveer driekwart bouw, maar hoeveel vierkante meter dat eigenlijk is, weet ik niet”. “Nou, een bouw is 7.096.50 vierkante meter, dus driekwart bouw is ongeveer 5.322 vierkante meter, dat is ongeveer 53 are of iets meer dan een halve hectare”. “Goh, je lijkt wel een landmeter zeg”. “Ik zag allerlei soorten vruchtbomen staan. Als ik even terugdenk heeft hij vruchtbomen zoals nangka, rode djamboe bol, witte djamboe air, malindjo, doekoe, ramboetan, doerian, mangga, mangistan, een paar klapper- en palmoliebomen en bamboe. En dan zag ik in zijn groetentuin ook nog ketela, oebi, boontjes, katjang pandjang, kool, tomaat en lemoen. Hij kan met zijn gezinnetje gemakkelijk van al die vruchten en groenten leven, maar dan heeft hij toch veel te veel. Geeft veel weg?”. “Nou ja, zijn vrouw verkoopt de vruchten en groenten natuurlijk op de pasar. En soms ruilen ze vruchten voor andere zaken die ze nodig hebben, zoals huishoudartikelen, keukengerei, textiel of garen, dat soort dingen. Daarnaast geeft hij af en toe gewoon iets weg”. “Hij is zeker veel in zijn tuin bezig?”. “Eerst het werk op de sawah. En dan pas in de tuin. Dat is wat je noemt de echte kontri laif”.

De kracht van het getal

“Geloof jij in de macht van het getal?”. “Ja, als je veel geld hebt dan ben je machtig, toch?” “Dat bedoel ik niet. Ik bedoel, geloof je dat een bepaald getal jou geluk brengt. Neem nou bijvoorbeeld zo´n Soekarno, hij wilde per se vijf principes in zijn Pantja Sila stoppen. Waarom? Omdat hij van symboliek houdt, zegt hij. Het moeten er vijf zijn omdat de Islam vijf riten kent. Omdat er aan elke hand vijf vingers zitten. Omdat wij allemaal vijf zintuigen bezitten. Omdat er in de Mahabharata vijf pendawas figureren. Dus daarom moest naar zijn mening het onafhankelijke vaderland Indonesië op vijf principes berusten”. “Nou ja, als hij dat gelooft. De onafhankelijkheid van Indonesië is geproclameerd op 17 augustus 1945, ja?”. “Ja, dat is hun bevrijdingsdag”. “Nou, dan zou ik zeggen dat zijn Indonesia plan moet bestaan uit zeventien hoofdstukken, acht boeken, en negentien honderd en vijf en veertig bladzijden. Want 17.8.1945 is hun bevrijdingsdag en hun geluksdag”. “Weet je wat het met jou is, jij maakt altijd een grapje van serieuze zaken”. “Sorry! Maar wat denk je van het volgende. Neem nou die datum 17.8.1945, en tel de getallen bij elkaar op. Dat geeft 1970. Nou in dat jaar is immers Soekarno overleden”.

Volksraad

“Op een dag heb ik mijn oom geholpen in de vestibule van de Volksraad met hoeden, petten en wandelstokken op te bergen op de juiste plekken. En toen ik niks meer te doen had ben ik stilletjes binnen gaan kijken. Mocht wel van de bewakers”. “Zo, nou dan heb je mee gezien dan ik. Ik ken dat Staatscollege allen van mijn lessen staatsinrichting op de HBS. Waar hadden ze het over?”. “Weet ik veel. Je denkt toch niet dat ik onthou wat die lui daar zeggen. Van mijn djongkokplaats kon ik ook niet alles zien. Ze zitten in een soort lage kuil met trapjes naar beneden, precies als in een grote zwempoel of zoals jij zou zeggen zwembassin”. “Ja, dat is bekend. In de lange openbare vergaderingen wordt er heel wat afgezwamd. Daardoor is de vergadering verbasterd tot ´´zwambassin. “Oh, dat zij mijn oom ook al. Er was een totok aan het praten. Trouwens, er waren veel totoks in de zaal, in groottenue en met heel veel goud”. “Ja, daarover las ik laatst een opmerking van een Indonesisch lid van de Raad die ook vond dat er teveel blanda´s in de zaal zaten. Dat stoorde hem. Het heette ´De Volksraad´ te zijn, dus een Raad voor alle volkeren van Indonesië, maar met 26 blanda leden en 30 Indonesische leden noemde hij de vergadering een ´Dewan rajap´ of vergadering van witte mieren”.

“Wil je nokken (vechten)?”

“Wat is er met jou gebeurd? Ben je uitgegleden?”. “Ach, die stomme Indo van hierachter heeft mij geleld. Maar ik hem ook en zijn fiets kapot”. “Maar waarom dan?”. “Nou ik zat op de stoep voor mijn huis en ik was aan het wachten op Fietje. Wij zouden samen naar tante Ottie gaan. En toen kwam die stomme Indo langs op een nieuwe fiets. Ik zag direct, nieuwe fiets. Ja, maar welke, dacht ik. Is dat een Gazelle of Rudge of een Fongers, boleh, die vent”. “En toen?”. “Toen kwam die vent naar mij toe. Waarvoor kijk jij mij aan, zegt hij.. ik kijk naar jou fiets, niet naar jou, zeg ik. Je kijkt wel naar mij, zegt hij. Ik kijk naar jou fiets, zeg ik. Maar..ja..nu ik naar jou kijk ja, zie ik dat jouw kop precies lijkt op mijn baboe”. “Ja, waarom zeg je dat nou. Dat is toch een belediging”. “Ja, maar volgens mij wilde hij nokken, dus tegelijk maar toch?”. “En toen?”. “Ja, je weet, mijn pentja kwam d´r uit. Kassian die vent eigenlijk. Zijn achterwiel zonder spaken. Hij is daar zelf met zijn dikke donder opgevallen. Ik heb alleen terug geleld”. “Ja, beroert die lui tegenwoordig. Als je maar even naar iemand kijkt wil hij al nokken”.

Wie snel geeft, geeft dubbel

“Vervelende boel zeg. Ik heb die lui van de collecte geld gegeven en nou kan ik geen rokok meer kopen”. “Logisch, je moet ook niet te snel je geld uitgeven. Je weet toch, in Indonesië zeggen ze niet voor niets ´wie snel geeft, geeft dubbel´ “. “Emotie, jong. Die vent was een ouwe sobat van mij, uit mijn diensttijd nog”. “Voor welk doel haalde die sobat van jou geld op?”. “” Ik weet niet. Misschien voor de kerk. Meestal is het voor de kerk. Soedah, aan een sobat geef je toch”. “Doe je dat vaak, geld geen aan iemand zonder te vragen voor welke instantie het geld wordt opgehaald? Je lijkt wel niet wijs. Trouwens, die sobat van jou vind ik ook maar een klojang dat hij niets zegt. Misschien vroeg hij geld voor een kuda kepang voorstelling op de hoek van de straat”. “Allah, die lui werken altijd op jou innerlijk. Maar als mooie meisjes, als ze lief lachen, ik geef, tanggoeng”. “En als het kerels zijn, wat doe je dan?”. “Ik? Ik douw mijn wijsvinger diep in mijn neus en dan zeg ik ´wat jij vraagt moet ik eerst bij elkaar zien te oeros, schrapen, snap je?”. “Gore vent ben jij zeg. Ai-nou, serieus nou”. “Kijk de kwestie is namelijk deze, toe hef or toe hef not. Hetzelfde als bij tawar. Eerst tijd rekken en dan pas toegeven. Als je snel geeft, geef je dubbel, toch?”.

Tjangkok

“Hoe vind je mijn ramboetans?”. “Lekker sappig. Waar vandaan deze?”. “Hier uit mijn achtertuin. Ik heb daar twee ramboetanbomen die erg veel vruchten dragen. De een is een tjangkok van de ander”. “Goh, ik zou ook wel een ramboetan in mijn tuin willen. Heb jij misschien een tjangkok voor mij?”. “Toevallig wel, maar je moet nog even wachten tot de wortels van mijn tjangkok ietsje groter zijn”. “Hoe maak je toch een tjangkok?”. “Makkelijk. Rondom het stammetje van een jonge sterke tak snij je een brede ring van de bast weg, meestal bij een oogje op de tak. Dan neem je een kluit aarde van onder de boom en bedek daarmee de blanke uitsnijding van de tak. Met een beetje natmaken van de aarde lukt het wel. Voor de stevigheid wikkel je een stukje karong om die grote, dikke prop aarde. En dan maar goed nat maken telkens en wachten tot er wortels opkomen”. “Kan dat bij alle bomen?”. “Niet bij alle, maar wel bij veel. Mijn oom van de proeftuin heeft tjangkokkans gemaakt van djeroek, mangga, doekoe, zuurzak, doerian, nangka, sawo, enz.”. “Tjoba, van hieruit zie ik daar een mooie tak in jouw blimbingboom. Die kan ik mooi als tjangkok voor mijn katapult gebruiken?”.

Duiven

“Laatst zag ik op de nok van mijn dak een bruine duif zitten met witte koentjoeng. Die leek op die van jou”. “Kan niet, mijn duiven zijn geen dakschijters”. “Maar het was wel een mooie Javaanse duif. Ik heb met kleppekken geprobeerd hem te vangen, maar hij vloog weg. Duidelijk een jonkie””. “Heb je niet met djagoeng geprobeerd?”. “Nee, te laat. Het was al tien uur en dan hebben alle duiven in de buurt al gegeten. Zijn krop was nog dik”. “Hoeveel postduiven heb jij?”. “Ik heb…even kijken…Panah en Pelor, Otje en Didi, Sigilah en Sletje…zes postduiven. Mijn andere duiven zijn geen postduiven”. “Ik heb geen postduiven. Niet mooi. Zo mager. Ik heb van alles. En de mannetjes luisteren als ik met hun vrouwtjes kleppek, hun duikvlucht is precies als een kiekendief, met gesloten vleugels tot bijna aan de grond”. “En waar zitten ze?”. “Altijd bij hun hokken. Nooit op het dak. Soms, na een uurtje vliegen proberen ze uit te hijgen op het dak, maar dan katapul ik die dakschijters d´r af met kleine stukjes djagoengkolf. En als er toevallig een in de boom gaat zitten, dan schaam ik me me rot voor de buren, want mijn duiven horen daar niet. Het zijn toch immers geen perkoetoets!”.

Zijn ini (dit) en haar anoe (dat).

“Vanmiddag zag ik veel orong- orong bij het terras. Je weet wel die heel kleine zandkreeftjes die op de rand van een zandkuiltje zitten te zonnen. Als je alleen al naar hun kijkt lopen ze snel naar de punt van hun trechtertje en duiken onder het zand. Echt maloe die beestjes”. “Ja, leuk. Maar ik denk dan altijd aan zus Fietje. Op een dag heel vroeger zat ik onder het slaapkamer raam van zus Fietje met orong-orong te spelen. En toen hoorde ik door het raam boven mij gegiechel. Ik ging gluren, natuurlijk. Mijn zus lag op de divan en Dharmo van de buren sprong op haar. Zonder kleren! En toen ging hij met zijn ini boven op haar anoe zitten. Eerst dacht ik, ze gaan stoeien. Maar si-Fietje, zij blijft maar stil liggen, nadenken geloof ik”. “En toen?” “Maloe ik. Net als die orong-orong ben ik snel onder het raam gedoken. En toen ben ik naar Soemo gegaan, de chauffeur van mijn oom. En ik heb hem verteld over Fietje en Dharmo”. “En wat zei Soemo?”. “ De volgende keer dat je zoiets ziet, moet je gaan tellen, een, toewe, drie, pier, pep, ses en dan verder”. “En waarvoor?”. “Soemo zei, als het kort duurt, houdt hij niet van Fietje, maar als lang, dan wordt hij familie van mij”.

Bioscoop

“Straks ga ik naar de bioscoop. Ik heb gehoord dat er een goeie film draait met Jane Russell en Peter Lorre””. “Adoe, Jane Russell. Ik word steeds afgeleid van het verhaal, ik zie alleen maar die twee goenoengans Merbaboe en Merapi. Geef mij maar Rita Hayworth”. “Is dat jouw favoriet, Rita Hayworth?”. “Een van de. Boven mijn bed hangt Paulette Goddard, dat is echt mijn favoriet”. “Ik ben blij dat smaken verschillen. Ik hou meer van films met een serieuze inhoud, zoals ´Under Capricorn’ met Joseph Cotton en Ingrid Bergman”. “En muziekfilms dan?”. “Ja, natuurlijk. Alle films met señor Xavier Cugat bijvoorbeeld of met Fred Astaire en Ginger Rogers. En, hoe heet zij toch…Dorothy Lamour of is het Dorothy Malone”. “Maar jouw echte vrouwelijke favoriet, welke?”. “Ik heb een paar, ja. Gene Tierney, Jean Simmons, Susan Hayward en Lana Turner. Maar de top of de bil vind ik Eleanor Parker”. “Ik kijk liever naar Virginia Mayo of Virginia Lake met haar mooie rechterlok voor haar ogen”. “Wat ik ook goede films vind zijn westerns of oorlogsfilms met John Wayne of Humphrey Bogart of Jeff Chandler of Victor Mature”. “La-illah, bantji die vent, net een meisje”.

Si Babon

“Daar gaat hij, SiBabon”. “Wie is dat dan?”. “Hij heeft een mooie naam hoor, zoiets als Everhard Schepen van der Does tot Grevelingen, maar wij noemen hem SiBabon. Hij loopt namelijk altijd met een grote kip onder zijn arm”. “Waarvoor?”. “Nou, om te vechten. Volgens mij is hij nu ook op weg naar de kampong om zijn kip te laten vechten met een vechthaan. Die vechtkip van hem is boekan main een kanjeuse, agressieve babon, die ook honden aanvalt. Vroeger trainde hij zijn kip op krielhaantjes met een veel te grote bek”. “Ach, volgens mij is zijn kip een haan van de zeer verkeerde kant, met minderwaardigheidcomplex”. “Ajo nou, een haan legt toch geen eieren? Deze wel hoor. Grote bruine eieren”. “Heb jij dan wel eens sambal goreng van die eieren gegeten, volgens mij zijn dat kalkeieren, bantji eieren”. “Schei toch uit. Die eieren zijn juist het geheim van SiBabon. Als zijn tegenstander bezig is zijn haan te oesep om hem klaar te maken voor het gevecht, dan breekt SiBabon een ei op de kop van zijn kip en smeert hem helemaal in, zijn kop, zijn veren, zijn poten, alles. Die haan valt aan, ketst op de kip, zijn poten glad, hij glijdt uit,…al..afgelopen..slagaderlijke bloeding”.

Sambalgorenghati (pittig lever gerecht)

“Gisteren lekker sambal goreng hati gegeten”. “Oh, hartjes”. “ Nee levertjes. Hati is toch lever, jantung is hart”. “Maar als je verdriet hebt dan zeg je toch sakit hati, ik heb verdriet. En als je tegen iemand zegt ´voorzichtig´ dan zeg je toch ´hati hati´ .En hoe noem je dan sambal goreng van hartjes, sambal goreng jantung soms?”. “Nee, dat is sambal goreng hati, geloof ik. Dus dat kan allebei, hartjes of levertjes. Volgens mij dragen ze niet hun hart maar hun lever op de tong”. “Die lui beuken maar raak met hun taal”. “Ja, maar ze kunnen ook leuke woorden verzinnen in hun taal, Neem nou het woord onderzeeboot, dat is bij hun kapak didalem laoet oftewel schip binnen de zee. Een schrijf machine is mesin toelis (schrijven) of mesin tik. En wat denk je van het woord studio, b.v. van een kunstenaar, dat is kamar kerdja seorang ahli seni oftewel werkkamer van een mens begaafd met kunst. Of straalvliegtuig, zo´n Gloster Meteor, is pesawat terbang pantjar-gas, dat is een apparaat dat vliegt en gas spuit. Goed ja?”. “Je lijkt wel woordengek, zeg. Mensen die veel lezen weten veel, maar mensen die kijken weten soms nog iets meer. Wist je dat?”. “Waar haal je dat nu vandaan?”. “Staat in de boeken”.

Ikan (vis)

“Wat eet jij daar?”. “Gewoon, ikan brenkes. Lekker pedis, deze. Ga maar halen bij die ouwe vrouw. Ze is goed in visgerechten”. “Ik heb haar nog nooit eerder gezien hier op de pasar. Zit zij vaak op deze plaats?”. “een keer per week zit ze daar met haar anglo´s. Die plaats is van haar dochter. Maar die verkoopt alleen groenten en fruit van haar eigen erfje”. “En die ouwe zit daar op zaterdag te masak masak?”. “Ja, ze is de kokkie van mijn tante. Daarom ken ik haar. In het weekend gaat mijn tante altijd naar haar zoon die een plantage in de bergen heeft en dan is kokkie vrij”. “En hoe komt ze aan de vis voor haar gerechten?”. “Uit haar vijver. Ze heeft in plaats van vruchtbomen een grote vijver in haar tuin. Ze kweekt twee soorten zoetwatervis, dat zijn goudvis en goerami”. “Het lijkt me in onderhoud niet gemakkelijk”. “Zij zegt van wel. Je moet alleen voor stromend water zorgen. Nou, at is bij haar gemakkelijk, haar desa ligt langs de rivier en ze hoeft alleen maar water af te tappen en weer terug te voeren in de rivier. Ze kweekt ook bibit (jong broedsel) voor andere desa vijvers”. “Ze hoeft dus nooit vis op de pasar te kopen?”. “Jawel, als mijn tante wel eens kakap (schelvis) of lidah (tong) wil eten dan gaat ze naar de pasar”.

NEFIS

“Als jij indruk wilt maken op jouw aanstaande schoonvader, moet je hem zeggen dat je bij de NEFIS hebt gezeten”. “Ja, maar ik weer niet wat NEFIS betekent”. “Netherlands East Forces Intelligence Service, dat was de Nederlandse inlichtingendienst in Australië tijdens de bezetting van de Jappen in Indië”. “Een spionagedienst dus. Maar voor wie dan, het hele KNIL zat toch geïnterneerd in de Jappenkampen”. “Eh, pas op. Dat zijn commando eenheden die de hele oorlog door ergens in de archipel werden gedropt om sabotage te plegen of om belangrijke inlichtingen te verzamelen voor het geallieerde opperbevel in de Pacific. Generaal MacArthur was de opperbevelhebber”. “Maar wat waren dat voor mensen?”. “Militairen, maar ook burgers. Toen de Jappen binnenvielen konden kleine eenheden van het KNIL, marine en luchtmacht nog ontvluchten naar Ceylon of Australië. Anderen hebben in het oerwoud guerrilla acties tegen de Jappen uitgevoerd, zoals in Nieuw Guinea, Borneo, Sumatra, Celebes, Timor en ook op Java, en die zijn later door geallieerde onderzeeboten naar Australië geëvacueerd. Uit die groepjes is in Australië de NEFIS gevormd”. “Ajo, Tjoba, jij vertelt mij daar meer van. Dan kan ik schoonpa een tjabe rawit in zijn jeweetwel steken”.

Bouwmaker(flinkdoener)

“Vanmiddag reed ik langs mijn vroegere school en daar zag ik mijn oude gymleraar staan. Wij noemden hem toentertijd ´Tjakar ajam´ (kippenpoot)”. “Waarom, omdat hij als een kip loopt?”. “Nee, maar als je aan het begin van het schooljaar in de rij stond om kennis te maken met je klassenleraar, stond hij bij de deur om iedereen een hand te geven. Die handdruk was zo hard, dat je het eigenlijk wilde uitschreeuwen van de pijn. Je hand zag er uit als de kromme poot van een dooie soepkip. Iedereen had diep respect voor die vent en dat was ook zijn bedoeling”. “Potige vent, zeg. Een Indo?”. “´Tuurlijk, zijn lievelingsgymnastiek waren de ringen. En dan moest je eerst optrekken en dan tegelijk de Christusstand proberen. Geloof je. Met een arm strekken lukt het al niet, laat staan met twee. Als slappe dodols hingen we te bengelen aan dat ding”. “Kassian jullie”. “Ja, beroert wij. Je durft niks te zeggen tegen die kerel. Als je alleen maar naar zijn bast kijkt word je al bang, V-bouw. Zijn kronen als klapperdoppen, zijn triceps, oeaaahhh, kabels. Als je door hem maar een keer geleld word maak je ge-ga-ran-deerd de première mee van de eerste vliegende mens in de ruimte”. “Bouwmaker zeg. Maar je kan in zijn ogen spugen en keihard weglopen. Die lui zijn kortademig, lo”.

Latàh

“Mijn kokkie is zo latah als de pest. Ze hoeft maar even te schrikken of ze prevelt hardop telkens en telkens dezelfde, onbegrijpelijke woordenstroom: I-tje-moe-loet-mam-poes-sapi-mati-foe-joeng-tai”. “Oh ja, nou dat is nog niets vergeleken met wat mijn Oma zegt als iets op de grond laat vallen: Ih-petot-makan-makan-garam-gon-do-ro-wo-barang-kali- kaja-poetih-kates en-nog toe.adoeh”. “Nou dat is inderdaad een lange schrikreactie. En wat doet ze als dat is gebeurd?” “Dan lacht ze verlegen en zegt: Ja jong, Oma kan daar niks aan doen. Dat deed mijn moeder ook al”. Latah komt vooral voor bij Indonesische vrouwen. Maar ook vele Indische vrouwen zijn er mee behept. Als zij schrikken reageren zij door een reeks verwarde woorden uit te spreken. In ernstiger gevallen kan na de schrikreactie een hypnose toestand optreden die tien tot twintig minuten kan duren. Zij zal als een robot elke handeling nabootsen die men haar voordoet. Zij zal ook elk aan haar gegeven bevel nauwkeurig opvolgen. Daarna komt zij weer langzaam tot zichzelf om dan volledig uitgeput te zijn voor een onbekende periode.

Super Kak (lijmcombinatie)

“Jouw vlieger is sinting(duizelig), hij blijft maar draaien. Trek hem maar naar binnen, dan passangen wij een grassprietje aan de rechterkant, want hij trekt naar links”. “Lo, ik heb al een grassprietje gebruikt, maar misschien te klein, ja”. “OK. Nu weer proberen. Nah, zie je wel, nu is hij goed, nu hangt hij stil. Heb jij je glastouw zelf gemaakt?”. “Ja, gisteren met mijn broer. Hij gebruikt geen flessenglas, maar van een kristallen vaas. En dat is betoel scherp man. En zijn kak komt van een Chinees uit Madura, geheim recept, lo”. “Volgens mij wil die blauwe met jou vechten. Ja, kijk maar, volgens mij daagt hij jou uit”. “He-uh, die is van die Ambonese kampong. Hij is al een paar dagen in de lucht, dus hij moet goed zijn. Ik ga eerst naast hem staan, dan weet hij, dat ik ook wil. En dan lel ik hem met mijn broer zijn glastouw”. “Pas op, zijn bestuurbaarheid is goed, hij duikt en stijgt snel en keert scherp naar links en naar rechts”. “Ja, dat zie ik. Dat is geen klein jongetje, volgens mij een sterke kerel. Ajo berani mati, eerst naar boven, links duiken, naar boven, naar rechts, duiken naar boven en links onder hem, snel naar boven.en vieren… adoeh, pedot zijn touw..ik heb gewonnen, d´l zijn vlieger. Ik zeg jou, istimewa mijn broer zijn glastouw, super kak, tjap Bikin D´l”.

Afstamming

“Heeft nou afstamming met bloed te maken?”. “Metaforisch gezien wel. Soms komt het ter sprake en dan is het best leuk om verhalen te horen over je eigen bloedgroep. Maar waarom vraag je mij dat?”. “Nou, vanmorgen gaf ik een lel met mijn golok op de nek van een kip, omdat de kokkie mij dat vroeg. Voor ajam panggang vanavond. En toen zij mijn Oma dat ik precies mijn Opa was. Die sloeg ook zo gemakkelijk iemand zijn kop naar de filistijnen, zei ze. Lo, dacht ik, hij was toch ketellapper in Holland, je weet wel een toekang soldeer”. “Oh, maar jouw Oma is toch een Atjehse? En jouw Opa zat in Atjeh bij het KNIL toch? Nou, en daar werd hij getraind van ketellapper tot klewangfighter. Net als mijn Opa, die was schoenmaker in Holland en kwam op achttien jarige leeftijd als soldaat in Atjeh terecht. Bijna alle Hollandse soldaten waren eenvoudige ambachtslieden, boerenzonen, straatventers, dagjesdieven, avonturiers en dergelijke”. “Laatst zag ik dat Opa vanaf zijn krossi males op de waranda zijn golok naar een kat smeet op minstens tien meter van hem af. Doormidden. Zonder risico”. “Nah, dat is wat jou Oma bedoelde. Even onbesuisd als jouw Opa die kat doodde, deed jij dat met die kip”. “Eeeh, dan heb die reflex toch van hem, ja. Dus afstamming heeft iets met bloed te maken, ja toch?”.

Octrooirecht

“Wist jij dat de VOC octrooirecht had?”. “Hoezo, hadden ze wat uitgevonden?”. “Nee, maar het gaat over iets anders dan wat jij denkt. Bij de oprichting van de VOC in 1602 kregen zij van de Staten Generaal octrooi, dat wil zeggen dat zij het alleenrecht kregen op de handel en scheepvaart naar Azië. Alleen schepen van hun kongsi mochten met handelsartikelen heen en weer naar Azië varen”. “Nou, dan ga ik ook octrooi aanvragen op mijn warung kliling (SRV wagen met allerlei eetwaren en andere Indische spulletjes). Volgens mij, zes karretjes genoeg voor mijn WKK, de Warung Kliling Kompenie”. “Eh, staatsbelang, jong. Dat van jou is toch perkara ketjil. De VOC was voor Holland super belangrijk omdat voordien meerdere compagnieën in Holland met hun schepen apart van elkaar handel dreven met Azië. Daardoor was de concurrentie moordend en dat drukte de prijzen, terwijl de handelsreizen naar Azië toch al zeer kostbaar waren. Bovendien moest deze kostbare Nederlandse handel beschermd worden tegen de Portugese vijand. En dat was van nationaal belang, dat ook moest worden gefinancierd uit de winsten van de handelsproducten. En zo werden de koppen bij elkaar gestoken en de VOC opgericht”. “Jij bent toch van Verkeer en Waterstaat, ajo, je helpt mij met een brief voor Johan van Oldenbarneveldt”.

E.F.E. Douwes Dekker

“Jij hebt zeker wel eens gehoord van Douwes Dekker”. “Dat is toch die schrijver van Max Havelaar”. “Juist, dat was Eduard Douwes Dekker of zoals hij zichzelf noemde, Multatuli. Maar weet jij ook iets af van zijn neef Ernest Francois Eugene Douwes Dekker?”. “Waarom dan, heeft die een nieuw boek geschreven?”. “Nou, je kunt beter zeggen dat hij een nieuw boek heeft geopend. Hij was inderdaad een protestschrijver en zijn protesten richtten zich op de Nederlandse heerschappij in Indië. Als Indo voelde hij zich meer aangetrokken tot de Indonesiër. Hij was een sterke voorstander van de onafhankelijkheid en richtte in 1912 ´De Indische Partij´ op onder de leus Indië voor de Indiërs”. “Zo, dat was goed zeg. Ik vind die totoks wel aardig, maar je moet een keer laten zien wat je waard bent”. “Dat was hij ook van plan, want ondanks dat de partij ook toegankelijk was voor Indonesiërs en Chinezen, zouden Indo´s de zaak moeten trekken, vond hij”. “En waarom ken ik die partij niet?”. “Een jaar later was die al verboden en werd E.F.E. Douwes Dekker uit Indië weggejaagd. Einde verhaal”. “En hij dan?”. “Hij bleef zich inzetten voor de vrijheid van Indonesië en kreeg eind 1949 van Soekarno de eretitel ´Vader van het Indonesische Politieke Nationalisme´”.

Landstormer

“Ik heb dat altijd een stomme naam gevonden, landstormer. Misschien uit het Duits ja, Landsturm, Sturm und Drang of zoiets”. “Nou, daar lijken de landstormers wel iets te oud voor, want de storm-en-drang periode ligt binnen de puberteitsjaren en Landstormer ben je pas op je 32ste jaar na je dienstplichtige jaren. Ja.de naam geeft wel actie aan. In films zie je heel duidelijk dat bij de verovering van een vesting de aanvallende troepen niet naar hun doel wandelen, nee, ze gingen onder veel gekrijs en geschreeuw in stormloop voorwaarts om met hun stormladders de vestingmuren te beklimmen”. “Kassian, en dan kregen zij kokende olie op hun kop. Gelukkig maar leven wij niet meer in die tijd. Nu hoeven ze hier in Indië alleen maar te bewaken toch?”. “Nou als je bij de militie hebt gezeten dan ben je geoefend Landstormer en kan je in tijden van nood worden opgeroepen voor versterking van het leger. Maar in tijd van vrede ben je ingedeeld bij een van de zeven Landstorm districten hier op Java en wordt je tot je 45ste jaar een dag in het jaar opgeroepen voor een herhalingsoefening”. “Weet je dat ik me kapot lach als Landstormers op oefening gaan. Dan wordt de colonne gevolgd door een sliert straatverkopers, toekang saté, toekang setroop, waroeng kliling, vrouwen met vruchten, enz. Leuk ja”.

De nacht expres Batavia-Soerabaja

“Hoeveel kost de nachttrein naar Batavia toch?”. “Zo gaat meneer met de nacht expres. En welke klasse gebruikt meneer, de 1ste, 2de, of 3de  klasse?” “Derde natuurlijk, ik hoef toch niet deftig te pitten”. “Nou als je derde klas reist zit je niet in de slaapwagon. Dan betaal je op het overdag tarief een toeslag f 3, - voor een veldbed of je kunt voor f 1,50 een extra zitplaats naast je krijgen om ruimer te kunnen pitten”. “En als ik in de slaapwagon wil zitten?”. “Dan betaal je een toeslag van f 10, - voor de 1ste klas of f 6, - voor de 2de klas, enkele reis. Maar je hebt dan airco in de slaapwagons en er zijn couchettes en ook badkamers in de wagon. Ja, dat is pas luxe”. “Ach, ik ga maar met de overdag trein. Zo duur, zeg”. “Vroeger duurde de reis twee dagen met een overnachting in Bandoeng, Djokja of een andere plaats. Omdat langzamerhand het spoorwegnet zich heeft uitgebreid, werd daarna de Eendaagsche Expres ingesteld en die doet er nu zo´n 13½ uur over de reis”. “Dat is verrekte snel, toch?”. “De Nacht Expres, waar jij naar vroeg, is pas per 1 november 1936 geïntroduceerd. In de nacht rijdt die een beetje langzamer, maar je hebt dan ook erg veel comfort aan boord”.”Adoeh. jij lijkt wel zo´n reclameboy van de spoorwegen. Ik ga maar overdag reizen. Al!”.

Nederlands Indië, hoe lang pas?

“Ik zag laatst een lijst van alle koloniale oorlogen van het KNIL. Adoeh, die lui hebben weinig rust gehad, zeg. Door maar door moesten ze vechten. Die blanda´s waren vroeger toch echt een vestlustig volkje”. “Ja, ze moesten elk stukje van de archipel als het ware met bloed veroveren. Maar wat wil je, als je per se in een land wil zitten dat niet van jou is en de bevolking jou eruit wil gooien. Dan moet je vechten om je plaats. Maar handel was en is heilig voor Holland, alle handelingen in die zin zijn geoorloofd, handel is oorlog”. “Dus de handelingen van de Staten Generaal waren eigenlijk oorlogsverklaringen aan alle volkeren hier?”. “Nou..eh.eerst kreeg de VOC omstreeks 1600 volledig mandaat van de Staten Generaal om ten behoeve van de handel oorlog te voeren. Vanaf 1799 kreeg eerst de koning zelf en later de Nederlandse regering het bewind over wat toen genoemd werd ´onze kolonie´. Maar die kolonie moest nog bevochten worden Zelfs Java was nog niet geheel onder Nederlands gezag”. “En Nederlands Indië was toen niet meer dan een stuk Java en nog wat kleine stukjes overige eilanden toch?”. “Rond 1800? Ja. Daarna werd eerst Java onderworpen, dan Sumatra, Borneo, Celebes en alle overige eilanden. Pas in 1910 was de hele archipel Nederlands gebied”. “Jah-ilah, feitelijk is de Nederlandse Indische archipel pas 40 jaren oud, tot 1950, toen werd het Indonesia”.

Links verkeer

“Waarom rijden we hier in Indië eigenlijk links?”. “Misschien ja, door Raffles? Je weet wel Thomas Stamford. Dat is ook mijn tweede voornaam, Stamford”. “Oh, en daarom weet je alles over Raffles”. “Ja, en ik weet ook dat hij op zee geboren is, ergens in de buurt van Jamaica. En ze zeggen dat mensen die op zee geboren zijn totaal geen richtingsgevoel hebben. Ze kunnen zich nergens op herkennen, b.v. een kerk of een schoorsteen weet je wel”. “Wat een flauwe kul zeg. En daardoor heeft hij links rijden verplicht gesteld?”. “Als zeevarende natie weet een Engelsman toch niet hoe hij zich op land moet gedragen. Links of rechts, wat kan hem dat schelen, als maar geef geluid. Voor Thomas zijn tijd had je toch nog geen fietsen en auto´s, alleen maar grobaks en delemans en voetgangers. Maar toen er teveel sado´s en andere koetsjes kwamen kreeg je ook veel ongelukken want die koetsiers rijden gewoon in het midden van de weg. En van de andere kant ook. Dus botsing, paardje dood, die lui op de bok ook dood. Banjak susah lo! Nou en toen heeft Thomas Stamford gezegd van nu af aan hou je links van het midden van de weg, niet anders”. “He-eh, ik ga maar pitten. Van jouw verhaal krijg ik echt compleet een delirium. See you, Stamford”.

VOC en rijst

“Moet je horen, hier staat dat de Verenigde Oost-Indische Compagnie, de VOC dus, niets van rijst moest hebben, en daar dan ook niet in handelde. Snap jij dat nou?”. “Nou ja, die Hollanders zaten toen nog tot aan hun strot in de klei, ze wasten zich nauwelijks, en uit hun poriën walmde de lucht van gortenpap, bruine bonen en zout vlees. Wat moesten ze dan met rijst?”. “Ja, en de koloniaal moest ook geen rijst. Hier staat verder dat een jonge officier van Gezondheid in 1844 vanuit Indië naar zijn familie schreef dat het voor de Europeaan ´tot minder goede toon´ schijnt te behoren om rijst te eten”. “Oh, komt de Indo weer als minder gegoede Europeaan op de proppen?”. “Hier staat inderdaad dat rijst door de minder gegoede Europeaan werd gegeten als ontbijt, namelijk droge rijst met wat kruiden erop. En als nagerecht bij het middagmaal ´grobbejak´, een brijachtige substantie van rijst, suiker, tamarinde, arak en specerijen”. “Gatver, geef mij maar rijst met petjil. Lekkeer toch die sajoerans, sambal gorengans, keringans en dergelijke”. “Weet je, mijn ouwe heer, een echte totok en al veertig jaar in Indië, noemde alle gerechten ´ingewandenprut´. Hij at het wel, maar het liefst had hij een bord warme rijst met boter en suiker”.

Per trein van Batavia naar Bandoeng

“Zo gek ja, ze zeggen dat als je met de trein van Batavia naar Bandoeng wil gaan dan moet je een van de vier vluggertjes pakken”. “Verkeert jong, je bedoelt de ´Vlugge Vier´. De treinverbinding van Batavia noemt men zo omdat het een snelverbinding is die de afstand tussen de twee steden in ruim twee en een half uur aflegt. Op vier tijden van de dag vertrekken treinen zowel uit Batavia als ook uit Bandoeng. Ik geloof dat je om 06.45 uur uit Batavia naar Bandoeng kunt vertrekken en dan om 09.26 uit Tandjong Priok, dan om 13.32 en om 16.00 weer uit Batavia. Bijna precies op diezelfde vier tijdstippen vertrekken ook de treinen uit Bandoeng naar Batavia en Tandjong Priok”. “Oh, dat is de KET, dat weet ik, Kwartet Espres Tjepat. Vroeger dacht ik altijd hoe kan dat, want halverwege ontmoeten ze elkaar en dan wat? Botsing. Maar nu weet ik dat die lui met wissels werken. Maar als je met de auto gaat, hoe lang?”. “Toch zo´n drie tot vier uur. Vergeet niet dat je door de preanger rijdt, dat is behoorlijk bergachtig met veel bergpassen. Bandoeng ligt hemelsbreed zo´n 180 kilometer van Batavia vandaan en op circa 700 meter hoogte”. “Dus met de trein, sneller. Maar dat komt door die locomotief, een bakbeest van een ding zeg”. “Ja, volgens mij een Mallet 2-8-8-0, SS 1250 klasse”.

De Indische NSB

“Wat ik maar wil zeggen is dat democratie in Indië niet gewenst was. Of dat anders kon? Neen!”. “Wat krijgen we nou? Het ging toch goed vroeger?”. “Het ging helemaal niet goed! Vanaf 1920 al niet. Neem nou de jaren dertig, de wereldcrisis, de economie lag plat, massaontslagen van zowel Indo´s als Hollanders die in Indië geboren waren, gaarkeukens vanwege tekort aan voedsel, overal stak het nationalisme in allerlei vormen de kop op, Indonesiërs in opstand, dood en verderf, de roep tot harder ingrijpen door de overheid…”. “Sjonge, sjonge, wat maak jij er een drama van”. “Ja, maar nu snap ik pas dat er zoveel Indo´s lid van de Indische NSB werden. Gemengd bloed speelde toen nog geen rol. De Nederlandse NSB leider Mussert kenmerkte de Indo´s als ´Groot Europeanen´. Wat gold dat was een strengere aanpak van orde en gezag. Indonesisch nationalisme, OK, maar dan wij ook, dat was het parool voor de Indo leden”. “Ja, weet je nog die hakenkruizen bij de padvinderij en die enorme NSB vlaggen. Ik zie het nog voor me”. “Nou ja, na de verkondiging van de NSB rasbeginselen vielen zeer velen af en in mei 1940 werd het lidmaatschap voor ambtenaren verboden. Weer later, even voor de oorlog met Japan, werden alle NSB-ers samen met alle Duitsers in Indië zonder meer geïnterneerd”.

Indo´s altijd in de vuurlinie

“Voel jij je nu een Nederlander? Ik bedoel, jij met je Hollandse achternaam? Denk en gedraag jij je als een Nederlander?”. “´Tuurlijk niet, ik ben een Indo, zo voel ik dat ook. Niet dat ik denk, oh ik hoor tot een apart ras, maar zoals mijn oom, de onderwijzer, eens zei: “Ik ben geboren uit tarwekoren en een kus van een tropische zus””. “Leuk. Het geeft wel aan dat jij hybride bent, dus biologisch gezien afkomstig van twee rassen”. “Is dat eng om een Indo te zijn?”. “Nou, sinds de Indo´s in 1839 door de toenmalige minister van Koloniën als bastaarden werden aangemerkt, werd het bijna onmogelijk om hogerop te komen dan de lagere administratieve rangen bij het gouvernement, het leger of de politie. Over het algemeen behielden ze die lagere posities tot 1940. Intussen zijn vele Indo´s er in geslaagd om als wetenschappers, ingenieurs, artsen, architecten, managers in de cultures, officieren bij het leger en politie diep door te dringen tot de hoogste regionen van de samenleving. Maar.de discriminatie van de overheid bleef, zelfs openlijk versterkt door het gevoerde ontmoedigingsbeleid dat aangaf dat Europese mannen niet zo maar konden trouwen met Indische- of Indonesische dames”. “Goh, waren die totoks zo bang voor ons Indo´s?”.

Tijd voor democratie?

“Gisteren zei ik tegen mijn vrouw en kinderen dat ik wilde verhuizen, dichter bij mijn werk. Masalah, ze wilden niet. Ik zei dat wij wel gingen, al! Zij noemden mij marxist omdat ere geen democratie in huis was”. “Als jij jouw zin doorzet en hun argumenten niet wilt horen dan ben je sowieso geen democraat maar een potentaat”. “Geen tijd voor democratie”. “Geen tijd, hè, geen tijd om samen met je gezin te beraadslagen. Je zou een voorbeeld moeten nemen aan de vroegere besluitvormingsmethoden die in heel Azië en Afrika golden. De dorpsoudsten kwamen bij elkaar om uitgebreid over een onderwerp te praten. Eenieder kreeg de gelegenheid zijn mening te geven. De bijeenkomsten duurden voort tot er een consensus was bereikt. Toen betekende democratie nog dat iedereen gehoord diende te worden, en besluiten nam gezamenlijk als groep. Dat was pure democratie hier op Java. Dat was gotong-rojong-democratie”. “Maar dat duurde lang, bijna tot sint juttemus”. “Jawel, maar daarom heeft het blanke westen heel Azië en Afrika het model opgelegd van hun parlementaire democratie, de meerderheidsregel. En ja, dat verlangen ze bij jou thuis ook”. “Ja lekker, als ik dat doe zijn drie mensen blij tegen ik super chagrijnig, Al! Ik ga niet meer weg, laat maar”.

Auto prietpraat

“Vroeger herkende ik alle auto´s aan hun ornamenten op de motorkap. Bijvoorbeeld, een steigerend paard op de kap, dan zag ik aan de vorm van dat ornament dat het een Dodge 4-deurs sedan 1933 was met van die ´zelfmoor´ deuren”. “Loh, waarom zelfmoorddeuren?” “Omdat de deuren naar achteren open gaan. Op het moment dat jij uitstapt heb je geen zicht op het verkeer achter jou en kan je gepakt worden door een grobak of nog erger door zo´n bus gila en dan”. “He-eh, ik begrijp, kepleset jij”. “Precies. Maar het mooiste ornament vind ik die slanke staande vrouwenfiguur met haar lange haren wapperend naar achteren op de kap van de De Soto S 6”. “Jah-ilah, in jouw fantasie zie je natuurlijk Sofietje in haar blootje met haar haren in de passaatwind. Geef mij maar die hardloper van de Hudson 32 K convertible of de zwaan van de Packard standard 8 sedan”. “Ja, die zijn ook mooi maar toch ja, als je met jouw stofbril achter het stuur zit en je ziet zo´n dansende De Soto godin voor je, dan wordt je toch compleet happy”. “Nou, droom maar verder. Ik heb zin in roedjak mat saos Jawa. Ik hoor al getingel in de verte dus Tjarda, de chauffeur van mijn Hispano Suiza jl2 cabrio 5180 uit 1936 zal direct bij de halte staan. Adios”.

Indo´s, een kwetsbare groep

“Telkens als ik bij oom Fred en tante Sofie op bezoek ben lok ik bij die twee oudjes verhalen uit over de nog steeds misselijk makende discriminatie van hoger opgeleide Indo´s ten opzichte van de kleine boengs. Oom heeft voor IEV gewerkt, vanaf 1920”. “´Tuurlijk, die je weet wel welke soort Indo´s denken dat ze Hollanders in techicolor zijn, blagak, lo”. “Oom heeft daar een heel droevige verklaring voor. Omdat Indo´s door de jaren heen bij voorkeur op een kantoor werkten hadden ze de totoks nodig om hun dat werk te geven. Een Indo werkte niet op de sawah, niet als visser, niet als koelie, niet als toekang saté of op de pasar, nee hij wilde op kantoor werken. Daarom had hij de totok nodig en was hij tevreden met elke kantoor job. De hoger opgeleide Indo had net zo goed de totok nodig, want dat waren de heersers over alle goede banen bij gouvernement en bedrijfsleven. Wilde hij een betere status bereiken dan moest hij zich in zeer hoge mate Europees gedragen. Liet hij merken dat hij ook nog een eigen culturele achtergrond had, dan kon hij oprotten. Dus keerde hij zich gedwongen van de kleine boeng af”. “Irritant zeg, dat wij als Indo´s zo moesten leven”. “Ja, en van hoog tot laag bleven de Indo´s kwetsbaar omdat langzamerhand een groot aantal Indonesiërs met goede opleidingen naar hun baantjes solliciteerden”.

Kosmisch gesteente

“Ik zag laatst een film met een grote meteoriet die de aarde dreigde te verpletteren”. “Jah-ilah, kan toch niet zoiets. Dat is toch flauwekul, ze zeggen toch dat de dampen om de aarde niks doorlaten, katanja, alles gaat smelten”. “Ih, je bedoelt de dampkring om de aarde. Maar pas op, er zijn wel degelijk veel meteorieten op Java gevallen. Bij rembang is een stuk van 20 kg neergekomen, en bij Cheribon pas geleden nog drie stukken, een van 48 kg, of bij Madioen een groot stuk van 166 kg”. “Hoe weten ze nou dat dat meteorieten zijn?” “Nou, als je plotseling een ijzeren klomp in jou tuin aantreft die dagen achter elkaar roodgloeiend blijft, dan snap je toch wel dat zoiets niet normaal is. Zoiets komt toch van een andere wereld, of niet?”. “Moet wel”. “Pamor noemden de Javanen zo´n ijzer meteoriet en ze hechten er bovennatuurlijke krachten aan. Het schijnt dat de mineralogische samenstelling van het ijzer goed bruikbaar is om er wapens van te smeden. En wat ik knap vind is dat krissenmakers met tamelijk primitieve middelen uit pamor krissen maakten voor hun vorst”. “Oh dat heb ik gezien toen ik in de kraton van Djokja bij zo´n krissenmaker was. Hij zette de kris met de punt op de grond en dat ding bleef loodrecht staan zonder om te vallen. Betoel dat was goena goena”.

Eindejaar conversatie

“Ik zag jou daarnet in de kerk zitten. Je had een en al aandacht voor de preek. Vond je ´m goed?”. “Nee, elk jaar hetzelfde geluid, vrede in Christus zijn koninkrijk. Mana vrede, door maar oorlog. In alle koninkrijken op aarde zijn er niet zoveel burgeroorlogen geweest als dat van Christus”. “Nou zeg. Gaan we wijsgerig doen? Dat humeur van jou heeft zeker te maken met de laatste dag van het jaar”. “Heb ik gelijk of niet?”. “Dat van oorlog en vrede? Ja. Maar dat is het risico van het leven. Mens zijn is een hard vak, niet iedereen kan zijn hartstochten bedwingen. Je zou kunnen zeggen dat sommige nationale en geestelijke leiders zo hartstochtelijk naar vrede verlangen dat ze er een oorlog voor over hebben”. “Je moet niet spotten, lo”. “Soedah. Wat doe jij vanavond met Oud en Nieuw?”. “Oh, ik heb al kaarten voor de bios. En daarna fuiven bij Boebi en Doortje in hun nieuwe huis, tegelijk is dat hun selamatan. En jij?”. “Traditiegetrouw eerst het tennistoernooi afronden, dan een openlucht concert bij de Jachtclub, eten in de Soos en aansluitend het oudejaarsgalabal”. “Boleh jij, jouw black and white komt d´r uit. Ik doe mijn safaripak maar weer aan. Zalig uiteinde, ja”. (vertellingen van Ventje en Nono die o.a. gepubliseerd  wetrden in de “Tong Tong” en de “Moeson”).

Rijst, het voedsel dat nooit verveelt

Batara Goeroe, een van de machtigste goden werd verliefd op een van zijn dochters, Retna Doemilah (glanzend juweel) genaamd vanwege haar bijzondere schoonheid. Na lang te hebben tegengestribbeld gaf zij tenslotte toe om zijn vrouw te worden. Zij stelde als voorwaarde dat hij drie wensen zou vervullen. Voedsel dat nooit verveelt, kleding die nooit verslijt en een gamelan die vanzelf speelt. Terwijl men bezig was om aan de genoemde voorwaarden te voldoen, stierf Retna Doemilah. Zij werd daarna Tisna Wati genoemd. Veertig dagen na haar dood ontkiemden op haar graf verschillende gewassen, waaronder de rijstplant. Deze plant was ontstaan uit het hoofdhaar van Retna. Onkundig over het overlijden van Retna ontmoette de boodschapper van Batara Goeroe op zijn zoektochten naar de oplossing van de door Retna bepaalde voorwaarden de mooie Dewi Sri, de gemalin van de god Batara Vishnu. Hij werd zwaar verliefd op haar, maar werd voor straf door de goden in een wild zwijn veranderd. Kort daarna stierf Dewi Sri. Ook op haar graf ontsproten verschillende gewassen, waaronder een rijstsoort. De rijst op Tisna Wati’s graf groeide alleen op droge grond (droge rijst). De rijst op Dewi Sri’s graf had bevloeiing nodig (sawahrijst).

Geloof of bijgeloof

In ieder huis wonen goede en boze geesten. Bij de bezichtiging van een nieuwe woning is het belangrijk aan te voelen of de woning je vriendelijk genegen is. Wordt je niet bevangen door kippenvel, gekriebel in je haar of rillingen over je rug dan is het huis in orde en voor jou voorbestemd om erin te wonen. Om de boze geesten te verdrijven moet de aanstaande bewoner een aantal handelingen verrichten. Zoals op de eerste dag van binnenkomst drie keer symbolisch op de grond spugen onder het uitspreken van bezwerende woorden. Bij de voordeur en in alle vertrekken op de vloer wat zout strooien. De voornaamste levensmiddelen, zoals rijst, olie, meel en suiker, eerst in de keuken plaatsen. Pas daarna kan het meubilair en de kleding naar binnen worden gebracht. Achter elke deur moest een bezem van palmnerven (sapoe lidi) worden geplaatst en overal knoflooktenen worden neergelegd. Om er zeker van te zijn de woning wordt gevrijwaard van boze geesten moet in de tuin een varkenskop worden begraven. Tevens was een inwijdingsfeest (selamatan) verplicht. Voor het eten vraagt men de goede geesten het huis te zegenen. Iedere woning heeft zijn eigen bewaker, genaamd de djaga. Om de bewaker tevreden te stemmen en te eren wordt een schotel met bloemen en lekkernijen neergezet op veel belopen gedeelten van de woning.

De Keris (kris)

De kris is een dolk die door Javanen als verdedigingsmiddel wordt gebruikt tegen aanvallers. Er bestaan 2 soorten krissen. De Kris die door de vrouw wordt gebruikt. Dit wapen wordt gekenmerkt door een drietal golven over de lengte van het lemmet. Het wordt in een schede, die meestal met goud of zilver is bewerkt gestoken, die op de rug, maar soms ook om de middel wordt gedragen. De lengte bedraagt circa 30 centimeter. De Kris die bij mannen in gebruik is, daarvan telt het lemmet vier tot vijf over de lengte van het lemmet, gemaakte golven. De door mannen gebruikte Kris heeft een lengte van 40 cm tot 60 cm. De mannen dragen de Kris bij voorkeur tussen een band op de rug om het middel. Bij aanvallen kunnen zowel vrouwen als mannen het wapen, met een korte snelle beweging over de schouder of langs het lichaam, in de hand nemen. Krisdragers hebben speciale verplichtingen. Het wapen gaat na de dood van de drager over op de oudste zoon. Bij uitzondering kan/mag zo’n Kris aan een ander familielid worden overgedragen. Men moet de Kris elke week op vrijdag (djumat kliwon) baden (mandi) in water met bloemkelkblaadjes van onder andere de rode- en witte roos en de bloem van de groene kenanga. Bovendien dient op gezette tijden wierook (menjàn) gebrand te worden. Deze riten gaan gepaard met prevelementen. Men mag nimmer over een de Kris heenstappen (dilarang di langkah) . De kris heeft in huis over het algemeen een vaste plaats, welke door een doekoen (wonderdokter) wordt bepaald. De Kris is bij goed gebruik , in algemene zin, bewaker van het huis en zijn inwoners. Bij niet nakomen van de verplichtingen kan de Kris in opstand komen en de dragers bestraffen met ziekte, onheil en zelfs de dood.

De legende van Njai Lorô kidoel

Njai Loro Kidoel is de Godin van de Zuidelijke Oceaan en huist dan ook in het Zuidelijke deel van Java. Haar taak is het waken over kwaad en onheil in zuidelijke zeeën van Java. Ter ere van haar zijn in vele huizen van mensen die er wonen en er de ruimte voor hebben, een kamer of in ieder geval een plaats ingericht. In de ruimte staat een voor haar opgemaakt bed en een plaats waar geregeld offers ter ere van haar worden gebracht.

Het verhaal van de slimme kantjil ( een kleine reesoort).

Op een dag si kantjil hij wil de rivier oversteken. Maar riviernja breed en diep. Dus si Kantjil hij gaat denken. Dan hij ziet een krokodil. De kantjil gaat naar hem en zegt dag krokodil. De kantjil zegt, loh jij kô alleen. Ja hier wel. De kantjil zegt, als zo wij kantjil veel talrijker dan jullie krokodillen. De krokodil zegt nee, wij zijn veel meer dan jullie en ik kan dat bewijzen. OK, als zo, jullie gaan vanaf hier allemaal achter elkaar liggen tot overkant van de rivier.  Dan ik ga tellen. Als wij minder veel, dan je mag mij opeten. De krokodil hij heb honger. Hij zegt OK en roept alle krokodillen uit de buurt. Zodra zij zich achter elkaar tot de overkant van de rivier hebben opgesteld, si kentjil zeg, nou ik ga tellen. Hij sprong al tellend een- twee, drie, enzovoorts, over de ruggen van de krokodillen. Aan einde si kantjil zegt, jullie heb gelijk, jullie zijn veel meer. Dag meneer krokodil en si kantjil verdwijnt in de bos.l

Later si kantjil hij heb dorst en hij gaat naar de rivier. Aan de waterkant si kantjil wil slok water drinken. Hij heeft de krokodil niet gezien en si kantjil staat op hem. Dan de krokodil zwaait met zijn bek en bijt kantjil in zijn poot. Dan de krokodil hij zeg, nah nu heb ik jou. Si kantjil hij denkt snel. Loh, meneer krokodil, je vergist je. Jij wordt bijziend. In plaats van mijn poot, jij bijt in mijn wandelstok. De krokodel hij word boos en hij gromt en laat poot los. En si kantjil hij sprong vrolijk weg. De krokodel.  . . . . hij erg boos.

Op een andere dag, de krokodil hij was moe. Hij klom op de kant van de rivier om te zonnebaden. Deze krokodil hij lijkt op boomstam. De kantjil hij was op weg naar water. Dan hij ziet een boomstam. si kantjil vertrouwd dat niet. Hij denken en zegt, als jij boomstam dan jij draait je om. Als jij krokodil dan jij blijf zo liggen. Dan de boomstam hij keert zich om. Toen si kantjil dat zag, hij maakt recht-om-keert en hij verdwijnen.

De krokodil hij was boos en zint op wraak. Andere keer si kantjil was moe en wilde slapen. De krokodil, hij wist dat si kantjil in de buurt siësta houd hij bedenk een plan. In struiken dicht bij rivier, de krokodil hij bouwt een nest net als van wild varken. Dan hongerige tijger hij komt.  si kantjil hij ziet tijger en bedenk uitvlucht.  Om zich te redden hij groet tijger beleefd en dan hij zegt: U ziet hongerig uit. Ik weet voor U heerlijke maal te liggen hier vlakbij. Zeg mij maar waar vriend, de tijger hij antwoord, want ik lust nu wel wat. De kantjil wees de tijger de weg. Daar bij de varkensnest. De krokodil hij ziet de tijger en schrikt zich rot. De krokodil hij begint zich te verdedigen. De krokodil en de tijger zij vochten hard, tot alle kluiten vliegen in het rond. Omdat allebei na vechten moe, zij hielden op,. si kantjil hij loopt, na zien van vechtpartij, snel weg.

De Mythe van de Garuda.

Het was in de beginne toen Siwa en Parwati de wereld net geschapen hadden en toen de goden en de reuzen met elkaar gevochten hadden om de zeggenschap van het heilige levenswater” Amerta”. Het was in deze tijd dat Garuda ontstond.

De goden en reuzendemonen waren aan het bespreken hoe ze  het levenswater konden bezitten toen de god Wisnu in deze woorden sprak.: Als je het levenswater wilt probeer dan moet je de zee van melk oploppen boven de amerta. Zij besloten dit te doen. Eerst lieten zij de draak Anantabhola de berg Mandara ontwortelen en zetten deze midden in de zee van melk op de rug van een reuzen schilpad. De berg werd het midden van de melkklopper. Daarna vroegen zij de draak Basuki om klopdraad te zijn. Toen riepen ze de goden aan de ene kant en de demonen aan de andere kant. Ieder van hen moesten aan de ene en aan de andere kant van het klopdraad trekken. Indra de koning van de goden, nam plaats op de top van de berg om deze te stabiliseren.

De goden en de demonen begonnen uit alle macht te trekken. Uit het schuimende water ontsproten  de godinnen Sri en Laksmi. Het paard Ucaisrawa en het kosmische juweel  Kastubamani. Zij vielen allemaal aan de kant van de goden.

Toen het levenswater, Amerta eruit kwam viel het aan de kant van de reuzen. Wisnu adviseerde een truc. Hij veranderde zichzelf in een knap meisje. Het meisje spoorde de demonen aan, haar het dragen van het water toe te vertrouwen. Zodra ze het Amerta van het leven vast had, rende ze weg, terwijl zij terug veranderde in de god Wisnu. De goden en demonen zijn sindsdien altijd in oorlog gebleven.

In de tijd van het opkloppen van de zee van melk, was Garuda nog een ei. Een ongeboren zoon van de goddelijke profeet  Kasiapa, voortgebracht door zijn vrouw Wanita. Daardoor was hij ook de ongeboren jongere broer van Arjuna. De wagenmenner van de zon en de ongeboren half broer van de kosmische slangen nagas, die voortgebracht zijn door Kadru, een van de Kasiapa’s 29 vrouwen. Garuda zou later de nagas doden en Wisnu’s vervoersmiddel worden. Het begon allemaal met de onenigheid tussen Kasipa’s vrouwen Kadru en Wanita over de kleur van de staart van het paard Ucaistrawa, die uit het schuimende melkwater was gekomen, tegelijk met het levenswater. Kadru stelde dat het paard een zwart witte staart had, terwijl Wanita zeker wist dat het geheel zwart was.

Toen ze genoeg hadden van het ruziën spraken ze een weddenschap af. Wie ongelijk had, zou de slavin van de andere worden. Kadru had ongelijk. Het paard had geen zwarte staart, maar voor haar rivale dit wist bekokstoofde ze een list. Ze liet haar kinderen, de slangen en de witte staart van het paard besproeien met witte gif. Zo werd de staart zwart. Wanita werd toen de slavin van Kadru. Tegelijkertijd dat haar moeder in slavernij kwam werd haar zoon geboren. Het ei brak open.

Uiteindelijk kwam Garuda tot leven, schitterde als vuur en zijn verblindende licht vulde de hemel in alle richtingen. De verbaasde goden dachten dat de dag des oordeels was gekomen en dat uiteindelijk de tijd was aangebroken  voor het verbranden van de drie werelddelen. Maar Agni de god van het vuur, kende de waarheid en hij hield een donderpreek voor de andere goden met deze woorden: O, jullie goden, wees niet bang. De tijd is nog niet gekomen voor mij om de wereld te verbranden. De dag des oordeels is nog ver weg. Wat voor licht zien jullie? Het is Garuda’s licht. Machtig tussen de vogels. Hij is niemand anders dan  Kasiapa’s zoon voortgebracht door Wanita. Haar schittering is gelijk aan de mijne.” De gerustgestelde goden betuigden hun eer aan Garuda. “O, Garuda U bent de profeet, U bent de priester U bent de god U bent de meester van alles wat vliegt, U bent de Koning. Uw schittering is gelijk aan het zonlicht. Bescherm ons, machtigste onder alle vogels”. Gekalmeerd door de zegeningen, deed Garuda zijn schitteringen uit en zijn licht was verdwenen.

Toen Garuda zijn tot slavin gemaakte moeder vond, werd hem de bewaking van zijn half broers, en de slangen toegewezen. Maar Garuda was ondeugend. Wanneer hij maar kon doodde hij een van de slangen en at ze op. Op den duur werd hij moe van zijn taak en sprak tot zijn half broers met de woorden: “ Hé jullie nagas slangen hoe kan ik de vrijheid van mijn moeder terug kopen?”.

Wil je werkelijk de vrijheid van je moeder terugkopen ? Je wil haar slavernij verbreken ? Luister dan. Heb je ooit gehoord van het water van onsterfelijkheid, het heilige Amerta, wat de goden verkregen hebben in het schuimende zee van de melk? Ga daarheen en haal het voor ons!.

Toen hij eindelijk wist wat hij moest doen, ging Garuda naar zijn moeder om haar advies en zegening te vragen. Zij gaf hem instructies: “Ga eerst naar het eiland aan de andere kust van de zee. Het is bevolkt met boeven en moordenaars. Dood hen en eet ze op één voor één. Zij zullen je eten zijn tijdens je zoektocht naar de Amerta. Maar pas op! Dood de Brahmins niet  . . .  is je vader de goddelijke profeet Kasiapa ook geen Brahmin?

Ze ging door met wat aanmoedigingen. De god Bayu (energie) zal voor je vleugels zorgen. De godin Candra(maan) zal voor rugdekking zorgen en de godin Agni (vuur) en Angin (wind) zullen voor je hoofd zorgen. Alle goden zullen je beschermen.

Garuda vertrok en begon een slachting. Dodend en etend van schurken, schildpadden en olifanten. Uiteindelijk bereikte hij de top van de” Somaka, de bron van Amerta, in het land Sanka”. Waar hij geconfronteerd werd met de goddelijke troepen van Indra.: de twaalfde Sandhya van het Oosten, de zonen van Dharma, de acht Basu van het Zuiden, de elf Rudra van het Westen en de twaalf Aditya van het Noorden, aangevoerd door Indra de koning van de goden. Klauwend en pikkend naar hen alleen, triomfeerde hij uiteindelijk Hij raakte de ogen van de bange goden en bloed vloeide, zij werden blind en konden de wereld niet meer zien. Nadat hij zijn strijd gewonnen had trok hij verder.

Hij nam het water uit de oceaan en doofde het vuur voor de ingang van de grot waar de Amerta bewaarde bleef. Toen vocht hij zijn weg langs twee draken bewakers en doodde hen en at hen op. Uiteindelijk was de Amerta van hem.

Toen hij terug vloog, zag Wisnu hem vertrekken en vroeg hem om een gunst. De wetten uit die tijd geboden, dat een gevraagde gunst ingewilligd moest worden.

Wisnu’s verzoek was eenvoudig. “Och grote Garuda, wees mijn vervoersmiddel en zo is het sinds die tijd altijd geweest.

Garuda is Wisnu’s vervoersmiddel met de Amerta in zijn handen. Garuda bracht het naar de slangen en zijn moeder was bevrijd. Voor hij het gaf, adviseerde hij de slangen om zich eest te reinigen door te baden. Zij deden dat. Terwijl ze weg waren kwam de god Indra en stal de Amerta van het leven terug. Garuda symboliseert sinds het bestaan de van Republiek Indonesia, hun vrijheid en hun onoverwinnelijkheid. Dit wapen prijkt op al hun vaandels.

Garuda Lompor overgenomen van vrienden van Bali vertaald uit het Engels van dr. Jean Couteau. Indië kent een schat aan verhalen en legenden. Teveel om ze allemaal te vertellen!

Wet van der getallen

Si Tjarli hij komt op bezoek bij waarzegger.

Ik heb gehoord over Javaanse Pasardagen”, zoals hari Wagé, kliwon, Pon, Paing, enzovoorts. Ook zijn er volgens zeggen, goede en slechte dagen om bijvoorbeeld te gokken, jagen of vissen. Wat zijn dat eigenlijk voor dagen en getallen ?

De waarzegger hij begrijp de vraag en ondertussen hij zoek zijn buku pinter.(vrij vertaald een soort naslagboek). Als men zegt hari baik, dan wil dat niet zeggen, dat die dag voor allemaal goed is. Soms voor de één goed, voor de andere fataal en als men spreekt van hari baik, wil niet zeggen de hele dag voor iemand goed is. Soms sommige uren van de dag voor de één goed ,maar voor de andere veel pech. Daarom men moet rekening houden met de WETON, dat is de geboortedag plus de pasarnaam (zoals Wagé, Djoemát, Kliwon, Pon, Paing, etc.) Voorbeeld.Geboortedag  Djoemat-Wagé (nooit zeggen vrijdag Wagé, omdat deze combinatie tidak pantes). Geboren Djoemat-Wagé, dat is 6 + 4 = 10. Deze 10 is de Weton. Daarna je kijk op de kalender. Bijvoorbeeld je wil gokken op Rebo-Paing, dat is 7 + 9 = 16. Deze getal je telt op bij uitkomst van zoeven (Djpoemat-Wagé) = 10, dus totaalnja 10 = 16 = 26 Dit getal je Bagi (delen) door 5. Ik denk si Tjali snap er niets van. Wachten maar, zodra ik heb gesoelap (gegoocheld) je snap beter. Ik snap niet waarom delen door 5?.  Omdat er zijn alleen 5 déwa’s (geesten). Immers ister Pantja Doedo. Deze is de congsi van de 5 Dewa’s. Hun plaatsen zijn vier in de windstreken en één in de lucht. Vier windstreken is toch Ngalor, Kidoel, Wetan en Koelon. En ik zie niets in de lucht, waar dan? Lóh, echt waar. Kijk maar in mijn boekoe Pinter. In het tabel A staat achter Dewa nummer 2 = Djabrail Hido = Langit (lucht). Maar als die Dewa 2 praktijk doet hij zit meestal niet in de langit(lucht). Hij kan zitten in alles wat hoog is zoals bomen, bergen, daken, enzovoorts. Si Tjali hij denkt hardop. Dewa 2 op mijn dak? Tjilaka itu (dat betekend ongeluk). De waarzegger hij maakt duidelijk : Öp die dag je mag niet in de boom klimmen of een berg opgaan.” Als je het toch doet, de kans bestaat je djatuh (valt) uit de boom of kesandung (struikeld) op de berg waardoor je poten kan breken. Als dit duidelijk is wij gaan terug naar onze optelling en dat was 26. Dit getal delen door 5, dat is 5 met restant-nja 1. Deze 1 je zoek in de Pantja Soedo tabel A. Dan je ziet achter 1 staat: Ahmat-Putih-Lor = Redjeki (geluk). Dus als je geboren bent op Djoemat Wagé je moet niet denken je heb de hele dag veel geluk. Geluk-nja alleen op bepaalde uren, njo (njjo is afgeleid van sinjo of jonge man). Voor deze uren je moet kijken in tabel B. Zoeven restant-nje 1, dus je moet kijken in kolom 1. Van hier je gaat naar tabel A kolom 4. Dus antwoord-nja: tussen 6 uur en    7 uur    =   redjeki (geluk); tussen 7 uur en  10 uur    =   halangan (verhindering); tussen 10 uur en  1 uur    =   hati-hati   (voorzichtig zijn); tussen 1 uur en   3 uur     = slamet (geluk) tussen 3 uur en   6 uur= gelàp   (donker)

als restgetal een 2 is  dan neem je kolom 2 en zijn de uitkomsten van kolom twee;

tussen 3 uur en   6 uur = redjeki (geluk) ; tussen 6 uur en   7 uur = halangan (verhindering); tussen 7 uur en 10 uur = hati-hati (voorzichtig); tussen 10 uur en 1 uur = slamet (geluk) en tussen 1 uur en   3 uur = gelap (donker).

Nu vertellen wij over de goede richting: WETAN 10 en je wil gokken op Kemis-Pon. Dan tel je de getallen op 10 + 8 + 7 = 25. Dit getal je bagi (deelt) door 5 en dan hou je 0 (nul) als eind resultaat. Omdat het getal 0 in systeem Pantja Soedo niet voorkomt, je neemt hiervoor het getal 5. Lòh, waarom moet ik getal 5 nemen en niet een 2 of een 3? Hoe toch jij, je ben gôblok (dom). Hoeveel is 2 x 5 of 3 x 5 kan toch nooit 25 zijn? Maar 5 x 5 is wel 25. Dus nou je neemt een 5 en kijk in tabel A. Achter de 5 staat Ngidjirail-Hitam = KOELON= Gelap (donker). Dus jij met je WETAN 10 moet op Kemis Pon niet gokken in het Westen maar in het Oosten. Soms kan je niet naar het Oosten omdat het eiland waar je op woont in het uiterste Oosten is. Gaan naar het Oosten betekent je verzuipt in zee. Maar daarom je moet DEWA om de tuin leiden. (Si Tjali plotseling zijn ogen worden groot  en zijn mond valt open).

Die DEWA (geest) Ngidjirail zit in Westen, dat betekend hij is voor elke opening die in het Westen uitkomt en zit daar te loeren (op te letten). Stel voor jouw voordeur mengadep Koelon (je voordeur op het Oosten staat) en je gaat op die dag gokken, dan zal die DEWA jou zien en je bedonderen zodat je een ongeluk of pech krijgt. Maar als je slim bent en je gaat niet eruit van jouw voordeur maar neem de achterdeur, dan deze deur staat op het Oosten en dan si DEWA bingung (in de war). Dus si DEWA zit in Westen mag alleen deuren in Oosten in de gaten houden. Voor deuren jang mengadap WETAN (westen) is andere DEWA. Si Tjali hij trek beteuterd gezicht. Tjsali als je mij niet geloof., je vraag maar raad aan andere waarzegger. Maar pas op. Als die andere waarzegger hij leg uit zelfde als ik, ik draai je nek voor straf drie maal om. Ach nee waarzegger. U weet alles goed. Nog één vraag dan waarzegger en dan al. Kunnen die pasardagen Kliwon, Pon, Wagé, etc. ook in Holland of ergens anders als in Amerika gebruikt worden? Volgens de oude leermeesters op Java mogen hun hitungans (telwijzen) niet over zee worden gebracht. Dus van Java mag niet naar Sumatra, laat staan naar Holland. In zo’n geval de hitungans verliezen hun kracht. In Holland overal borden mag niet dit mag niet dat, maar als geen bord altijd mag wel. Als je wil zaak beginnen mag, maar moet met diploma. Aduh angèl (moeilijk) zeg. Onthoud wat ik zoëven heb uitgelegd, dan uitkomt soekoer (geluk). Kortom voor geluk of pech je moet altijd in de juiste richting gaan anders je heb alweer pech. Tjali ik hoop je heb veel succes!

Moessons en Passaten

Bekken van de Indische Oceaan met daarop achtereenvolgens aansluitende Rode Zee, de Perzische Golf, de Indonesische wateren (Indische Oceaan) en de Zuid- en Oost Chinese Zee vormden een eeuwenoud maritiem handelsnetwerk dat het Midden-Oosten en Azië omvatte. De Aziatische handel- en scheepsbewegingen waren afhankelijk van de halfjaarlijkse moesson winden. De noordoost moesson stelde schepen uit Indiase en Arabische havens in staat om van maart tot mei naar Malakka te zeilen. Deden ze dat niet, dan moesten zij vanwege de dwarsliggende zuidwest moesson tot oktober wachten op een gunstige wind. De noordoost moesson bracht ook de reusachtige Chinese jonken in de vaart op weg naar de zuidelijke gebieden. De scheepsroutes in de Indonesische archipel werden beheerst door de noordwest moesson die het Javaanse, Indiase en Chinese schepen mogelijk maakte de Javaanse kustplaatsen te bereiken en zelfs verder te varen naar de Molukken. Van mei tot en met september stelde de zuidoost moesson deze schepen in staat om terug te keren.

Bizarre gastvrijheid

Mijn oom uit Semarang heeft een grote houtfabriek en zijn belangrijkste klant was een schatrijke Chinees. Op een dag nodigde deze Chinees hem uit om te komen eten. Er was nog een totok van uitgenodigd. Deze werkte op het bosbouw departement van het gouvernement op midden Java. Eindelijk aan tafel, liep het water hen in de mond bij het aanzien van de uitgestalde delicatessen. Midden op tafel stonden schoteltjes met o.a. peperdure kaviaar, en een paar grote stopflessen met gestoomde en gebakken Chinese lekkernijen. Achter de stoelen van beide gasten stonden bedienden met een grote vliegenwaaier in hun hand. De maaltijd was heel sober. Een mankok (kommetje) vissoep vooraf, en daarna wat rijst met een bijgerechtje. Na het eten stak de totok houtvester zijn hand verlangend uit naar de pronkflessen. Onmiddellijk schoot de bediende vanachter zijn stoel naar voren en sloeg met zijn waaier in de richting van de stopflessen terwijl hij luidkeels riep ”kok akèh lalaré!” dit betekent  “wat zijn er toch veel vliegen”. Van schrik trok de houtvester zijn hand snel terug. Hij had echter de toespeling van de bediende niet begrepen en ondernam een tweede poging. Deze werd even snel op dezelfde manier afgestraft door de bediende en een zeer gevoelige striem van de waaier op zijn graaiende vingers. Eindelijk ging het licht op bij de houtvester en begreep hij de boodschap. Tòng-tòng-klèk

In tijden van onrust en gevaar wordt in de kampong altijd een waakdienst ingesteld. s´Nachts houden de daartoe aangewezen kampong (dorps) bewoners een waakronde en terwijl zij lopen slaan ze op de tòng-tòng-klèk, die gemaakt is van bamboe. Een bamboestengel bestaat uit een groot aantal geledingen of ´knopen´. Er is een tussenschot bij iedere geleding. De tòng-tòng-klèk bestaat uit een stuk bamboe met een lengte van twee knopen. (circa 40 à 50 centimeter). Door de twee tussenschotten ontstaan er holle ruimten tussen de knopen. Aan een kant loopt het bamboe iets verder dan de knoop door, zodat deze ruimte benut kan worden om het  instrument vast te houden. In het stuk tussen de twee knopen zijn in de lengterichting twee smalle sleuven uitgesneden. Met een stokje slaat men op het instrument. Afhankelijk van waar het instrument wordt geraakt kunnen drie tonen worden geproduceerd. Gedurende de waakronden slaan de bewakers onder het lopen met een bepaald ritme op de tòng-tòng-klèk. (dit instrument is genoemd naar het geluid dat het kan produceren).  Bij brand of overstroming wordt het ritme die men slaat, feller en het geluid harder. In het bemande wachthuisje hoort men de waarschuwing en slaat vervolgens op de grote tòng-tòng. Dit is een uitgeholde boomstam met een over de lengte een spleetvormige opening, die een dof maar verdragend geluid produceert.

De tjitjàk

De tjitjàk is een  soort hagedis van ongeveer 15 centimeter lengte, die zich tegen wanden en plafonds moeiteloos kan  voortbewegen.

Als verklaring voor de looptechniek van de tjitjak, het kruipen langs steile muren en plafonds, werd vroeger beweerd dat deze beestjes het vermogen hadden een sterke kleefstof af te scheiden onder hun teenvlakken. Daar is totaal geen sprake van! Onder de brede teenvlakken bevinden zich gekkotiden voorzien van evenwijdige bladvormige huidplooitjes (dwarse hechtplaatjes), die door spiertjes kunnen worden bewogen. Hierdoor kunnen ze zich in alle ruwe gedeelten of ribbels van de muur of het plafond vastgrijpen. Dezelfde beweeglijke huidplooitjes stellen de tjitjak in staat om de kleinste ruimte tussen het teenvlak en de ondergrond op te vullen als kleine zuignapjes. De tjitjak jaagt op insecten. Hij besluipt zijn prooi en hapt er naar in een snelle beweging. Soms laat hij de prooi direct los. Kennelijk vindt hij zijn buit dan niet lekker. Het beestje kan zich vergist hebben in de dichte bekleding van fijne puntige haartjes van een nachtvlinder of in het stekelige pantser van sommige torren. De tjitjak kan zijn huid lichter of donker maken om zichzelf te beschermen. Tevens heeft de tjitjak een goed ontwikkeld stemorgaan dat het geluid produceert waaraan hij zijn naam dankt.

Vlechten als huisvlijt

De wanden van de huizen, niet alleen in de kampong (Inlands woonoord), maar ook eenvoudige huizen in stedelijke gebieden worden vaak gevlochten van bamboe (gedèk). Aaneengevlochten net over elkaar liggende bladeren van palmsoorten (atap) worden als dakbedekking gebruikt. Huishoudelijke artikelen bestaande uit vlechtwerk zijn o.a. manden (kràndjangs), slaapmatten (tikàrs), wannen om de rijst te reinigen, rijststomer manden, kipas (waaiers) om het vuur in de anglo (houtskool- vuurpot) aan te wakkeren, dozen, zeven, deksels (tutupans), hoeden (topi’s) en nog vele andere toepassingen van vechtwerk. De benodigdheden worden, zoals bamboe, rotan, pandan, bladeren van de cocospalm, nipa, sagopalm, lontarpalm, widoeri vezel, mendong bies, alang alang gras en talloze andere bladeren en stengels etc. worden afhankelijk van de streek waarin de desa is gebouwd, vergaard. Vlechten is een nevenbezigheid voor de landbouwer. De landbouwer (tani) vlecht en zijn vrouw weeft. Een Pandan mat (tikar) van ongeveer 160 bij 60 meter neemt ongeveer twaalf arbeidsuren in beslag om het te vervaardigen. De verdiensten zijn echter zeer gering. Eens was het vlechten van hoeden van grote betekenis. In de tijd dat de strooien hoed mode was in Europa werd er veel geëxporteerd. De hoeden werden onder Europees beheer geproduceerd in vlechtfabrieken in Tangerang en Tasikmalaja op West Java. Dit product werd toen tevens geleverd aan de politie en het leger. In oorsprong werden de hoeden van gespleten en op maat gesneden en gereinigde bamboehuid gemaakt. Later gebruikte men ook het blad van de pandanplant. Dit blad was makkelijker te bewerken en was bovendien soepeler.

Voor- en achterladers

De gebruikelijke bewapening van de Nederlandse troepen gedurende de Atjeh oorlog bestond uit de lange zware Beaumont geweren met hun lange bajonetten. De met het geweer afgeschoten kogels hadden een bereik van circa tachtig meter en men was slechts in staat  een schot per twintig seconden af te vuren. De legers bestonden in die tijd voornamelijk uit infanteristen en bij gevechten was de vuurkracht en vuurintensiteit afhankelijk van salvoformaties. Dit was de gevechtsformatie zoals in de Napoleonistische tijd gebruikelijk was. Het waren gevechtsformaties die het meest tot hun recht kwamen in open terrein. Helaas hadden de Nederlandse legereenheden in Indië vrijwel altijd te maken met ruig terrein en dichtbegroeide tropische vegetatie. De tegenstanders waren goed georganiseerd, fanatiek gemotiveerd en voerden een behendige guerrilla oorlog. Toen het Nederlands Indisch leger gedurende de eerste Atjeh oorlog in 1873 werd geconfronteerd met de onverwachte klewang aanvallen van de Atjehers, boden de nieuwe achterladers, die de voorladers voor een deel hadden vervangen, geen voordeel. Toch waren de achterladers in 1850 een ware doorbraak in de wapen technologie. De getrokken loop en het vaste patroon, waarbij kruit, kogel en ontsteking in een huls was verwerkt, zorgde voor een grotere precisie, een verder draagvermogen van de kogel en een betere hanteerbaarheid van wapen en munitie.

De Paradijsvogel

Ver voordat in 1880 de Parijse modewereld de veren van de paradijsvogel ontdekte, versierden de fraaie veren de hoofddeksels van vorsten en andere grootheden. Duizenden vogels werden gedood voor hun veren die door geen enkele andere vogelfamilie werd geëvenaard. De vogelvachtjes werden geprepareerd door wilde, onbekende Papua en Molukse stammen in het binnenland van Nieuw Guinea en de Banda eilanden. De poten en vleugels werden afgesneden en het lichaam gevild tot aan de snavel. De schedel werd verwijderd. In 1598 schreef de Nederlandse zeevaarder Jan Huygen van Linschoten: “Niemand heeft deze vogels in levenden lijve gezien, want ze leven in de lucht, altijd naar de zon gekeerd en komen met hun zonnegloed alleen terug op aarde om te sterven, want ze hebben geen poten of vleugels”. Zelfs in 1760 doopte de beroemde Zweedse botanicus Carolus Linaeus de grootste soorten ´Paradisea apoda´, de pootloze paradijsvogel. Vreemd genoeg is de paradijsvogel nog het meeste verwant aan de doodgewone kraai. Er bestaan 42 verschillende soorten paradijsvogels, waarvan 36 in Nieuw Guinea leven. Alleen de mannetjes paradijsvogels  zijn uitgedost met een enorme  wit-geel en bruine verenpracht. De hennen zijn bruin en zonder tooi.

Bolèh Tawar (mag bieden en loven)

“Oh, kijk es Jan, wat een schattig beeldje”. Jan kijkt, vindt het ook mooi, maar kijkt (verplicht) niet enthousiast. Zijn vrouw kijkt de verkoper aan. “Wat kost dit?”. De koopman ziet toeristen voor zich en bepaalt de prijs op 30.000 rupiah, ruim twee maal zo hoog als hij voordien in gedachte had. “30.000”, zegt Jan, “als ik dat geld had ging ik op Hawaii rentenieren". Ik geef 10.000”. “Wees nou effe zakelijk”, zegt de koopman, “dit Boeddhatje komt uit een net ontdekt heilig klooster in de Himalaya". Wat denk je dat mijn inkoop is, 27.500”. “Wat Himalaya”, zegt Jan, “Taiwan zul je bedoelen en dan is dit nog tweede keus, 11.250”. De koopman komt naar voren en duwt het beeldje in de hand van de vrouw. “Dit is geen gewone steen, dit is albast. Met een meesterhand gemaakt uit een groot stuk. Kijk maar, die juwelen in de ogen kosten al een vermogen. Voor 24.500 mag je jet meenemen”. “Ik zie hier en daar verkleuring”, zegt Jan, “Je moet het al heel lang bij je hebben". 13.000 en dat kun je beschouwen als een overdreven aanbod”. Jan duwt zijn vrouw zachtjes weg. “20.000” zegt de koopman vlug. Jan en Mien lopen door. “Hoeveel dan?” gilt de koopman. “15.000” roept Jan achterom kijkend. De koopman knikt ja, en terwijl het echtpaar terugloopt, omwikkelt de koopman met veel papier een ander beeldje, met een heel klein barstje op de rug.

De tòkè (genoemd naar het geluid dat het dier voortbrengt)

De tokkè met een staart van 15 centimeter, kan zo´n 32 centimeter lang worden. De tjitjak daarentegen 13 centimeter. Gekko´s (en daartoe behoort de tokke) zijn de enige reptielen die een sterk ontwikkeld strottenhoofd hebben. Hierdoor heeft zich het stemorgaan van de tokkè goed ontwikkeld en produceert hij het harde en gearticuleerde geluid waaraan hij zijn naam dankt. Als de tokkè ´roept´ telt men in de tropen het aantal keren dat hij zijn naam laat horen en hecht daar een voorspellende betekenis aan. B.v. als de tokke zeven maal roept brengt dat geluk of mag men een wens doen. De tokkè leeft van insecten en is daar vooral ´s nachts naar op jacht. Deze nachtelijke, rondsluipende manier van leven beangstigt vele mensen. Net zoals alle nachtdieren heeft de tokke grote bolle ogen met een pupil die zich overdag  tot een verticale spleet dichtknijpen. Hierdoor  ziet hij er spookachtig uit en kan met zijn grote kop en in tijd van angst of gevaar opengesperde muil een afschrikwekkend en afstotelijk uiterlijk aannemen. Een beet van de tokkè doet pijn en is onaangenaam. De tokkè heeft met de tjikjak gemeen dat hij gedurende een gevecht of bij gevaar moeiteloos zijn staart laat afrukken of vallen en staartloos zijn heil te zoeken onder de dakbedekking van een huis. De staart schijnt overigens later weer vanzelf aan te groeien

Krètek sigaretten (sigaretten vermengd met kruidnagel en menjan)

Het was het geheim van de Javaan, de ´strootjes´. Door gedroogde tabaksbladeren fijn te malen en dit in het schutblad van mais, pisang of een palm te wikkelen maakte hij de krètèk sigaretten. Het strootje was tapvormig. Het smalle einde stak hij in zijn mond en het dikke einde werd aangestoken. Zo rolden de Javaanse rokers hun sigaret (rokok )in klobot (gedroogde maisblad) of in een gedroogd stuk kawungblad, een eenvoudige strootje (zelf gerolde sigaret)  gevuld met inheemse kerftabak. Omstreeks 1870 in Kudus op midden Java dacht een man genaamd Hadji Djamahari een geneesmiddel te hebben gevonden tegen zijn onophoudelijke hoestbuien. De overlevering vertelt dat hij fijngemalen kruidnagel aan de tabak toevoegde en word sindsdien beschouwd als de uitvinder van de rokok krètèk. Dit was ´geneeskrachtig roken´. Het knetterende geluid van de brandende sigaret betekende dat de medicijn werkte en de geur was aangenaam. De naam van de sigaret komt van het geluid dat een aangestoken sigaret waarvan men een trekt neemt maakte, krè…tèk -krè. . .tèk,  enz.. . . De plaats Kudus werd het centrum van de krètèk sigaretten industrie. De strootjes werden vroeger huishoudelijk vervaardigd. Na de Eerste Wereldoorlog werden ze machinaal geproduceerd in fabrieken onder Chinese leiding voor hoofdzakelijk de Indonesische binnenlandse markt. Thans staat de grootste krètèk sigarettenfabriek  in een vroegere zout opslagplaats “Goedang Garam” te Banjoewangi op Oost Java.

Volgens dagbladschrijver P.A. Daum

De journalist en schrijver P.A. Daum ergerde zich in zijn krantenartikelen aan de Indo Europeanen (Indo ´s). Hij bestempelde ze als ´mingegoede´ Europeanen en als ´bedelend aan de kost komende Europeanen´. Hij fulmineerde tegen het concubinaat en de prostitutie. Hij beweerde dat deze onzedelijke verhoudingen zulke vormen hadden aangenomen dat Europese jonge mannen voor de rest van hun leven in het verderf waren gestort. Daum bekommerde zich in zijn artikelen niet om het welzijn van de inlandse of Indische vrouwen en meisjes. Zijn gedachte ging uit naar de jonge mannen die zich niet aan de toen geldende ´Victoriaanse´ regels hielden. Hierdoor eindigeden ze als alcoholist, verloren hun superioriteitsgevoel en verpauperde ergens achteraf in de kampong met een inlandse vrouw. In die tijd was er in de Europese koloniale gemeenschap een gezegde over het Europese superioriteitsgevoel over halfbloeden: “God schiep de blanke mens en God schiep de gekleurde mens, maar de duivel creëerde de mulatto”. Thans zegt de Indo: “Wij zijn in Indië en in Nederland, omdat de Nederlanders daar waren en hier zijn.”

De term Indo kreeg pas later (omstreeks 1950) door de discriminerende rapportage aan de Nederlandse regering door haar adviseur Werner, een negatieve lading.

De term INDO werd echter officieel voor het eerst in 1916 geïntroduceerd door de journalist Th. R. Landauw. Deze groep werd gekarakteriseerd als personen met gemengd Europees bloed, die hun wortels in Indië hebben en juridisch Nederlander zijn. De bezoldiging van ambtenaren in Nieuw Guinea

De regeling van de bezoldiging van de Burgerlijke Landsdienaren in Nederlands Nieuw Guinea van 1957 (BLNNG 1957) bestond uit 26 bezoldigingsschalen en was verdeeld over 414 functies. Hieronder volgt een greep uit de functies met de bijbehorende schalen en de maximale bezoldiging in guldens anno 1957.

Schaal Functie Bezoldiging

Schaal

Functie

Bezoldiging

1/5

(Hoofd)schrijver, (Hoofd)beambte, Politieagent, Dorpsschool onderwijzer

123-250

8

Klerk, Laborant, Verpleger I(ngd)

259

10

Commies, Opziener, Telefoniste I (PTT), Monteur, Assistent tekenaar, Assistent boekhouder

450

11

Hoofdagent, Stenotypiste I, Machinist I, Technisch commies, Landbouw/bosopziener

 

550

 

12

Bestuursassistent, Adjunct commies red,

Verloskundige, Technisch ambtenaar, Kleuter- onderwijzer (I.a.)

620

14

Hoofdcommies, Inspecteur van politie,

Omroeper (radio), Griffier, Hoofd tekenaar

810

16

Adjunct accountant, Onderwijzer (hoofdakte), Landbouw/veeteelt ambtenaar

928

18

Ambtenaar,leraar nijverheids Onderwijs,Verkeersleider,Luchthaven meesterHavenmeester, Voorlichtingsambtenaar

975

20

Commissaris van politie, Hoofd meteoroloog, Cineast, Administrateur financiën I

Directeur mulo/technische school.

1028

22

Referendaris, Ingenieur, Leraar MO,

Controleur 1 (BB), Hoofdcommissaris

van politie

1315

23

Administrateur, Gouvernementsarts,

Hoofd apotheker

1460

24

Hoofdadministrateur, Inspecteur van

Volksgezondheid

1615

26

Gouvernementsecretaris, Procureur-Generaal.

1940

NB. Door de Nederlandse overheid werden de in Nederlands Nieuw Guinea geïnde belastinggelden onrechtmatig naar Nederland overgebracht  en daar voor andere oneigenlijke doelen aangewend. Elke wet heeft toen een considerans, De in Nieuw Guinea geïnde  en overgebrachte belastinggelden, werden echter niet conform deze consideranses gebruikt. Dit werd door een rechter in Nederland vastgesteld naar aanleiding van een proces, die de heer Ridder tegen de Nederlandse Staat aanspande. Ook werd door de rechter bepaald, dat Nederlanders afkomstig uit ex. Nederlands Nieuw Guinea de door hun betaalde belastinggelden van de Nederlandse Staat (tot 10 jaren) konden terugvorderen, indien zij naar het buitenland emigreerden. Sate ajam, saté kambing en…saté babi

Een gebouw met bewerkt plafond en dikke muren. Er hangen een vergulde barokspiegel en een kristallen kroonluchter. Ik was er voor de vertraging van mijn visum aanvraag. “Persoonlijk vind ik” zei de Indonesische ambtenaar die ik had ontmoet via een vriend, “…sta mij toe, mijn secretaresse brengt het dossier…." Met het oog op vroeger opgedane ervaringen…. tot het verdere onderzoek is beëindigd…. eh,… houdt u van saté?” “Ja heel erg veel”. Antwoordde ik. “Werkelijk? Heeft U al bij Pak Dusun (Dusun betekend ongeletterde) gegeten? Nee? Dan rijden we er nu naar toe”. Telkens als er bij Pak Dusun een vrachtauto voorbij kwam, waaide er een stofwolk in zijn vuur, zodat het ging knetteren. Boven ons hing een verstelbaar zonnescherm. De ambtenaar had een voet uit zijn sandaal getrokken en zijn been op de bank geplaatst met de knie in zijn okselholte. “Vandaag alleen saté babi”, zei Pak Dusun. “Gisteren saté kambing, morgen misschien saté ajam”. Ik keek verrast, varkensvlees bij een mohammedaan? De ambtenaar bestelde twee porties saté babi en limonade. “Geeft niet”, zei hij. “Pak Dusun is zuiver Islam. Maar soms ja, als het marktaanbod van varkensvlees voordeliger is, is hij af en toe ook….Chrislam.

Visserij in de Indische zeeën

De bevolking van de archipel eet voornamelijk zeevis. Java is het gebied met de belangrijkste visconsumptie en visproductie in de archipel. Ook vanuit de ander gebieden en het buitenland wordt vis geïmporteerd. Langs alle kusten van de archipel ziet men vissers actief met zowel de kust- als de zeevisserij. Vooral in de relatief rustige Javazee wordt op grote schaal vis gevangen met kleine vissersprauwen van enkele meters lang tot grotere prauwen van vijftien meter of langer. Er kan alleen gevist worden in bepaalde seizoenen. Gedurende de visrijke seizoenen is de zee vol met duizenden prauwen en prauwtjes. Gedurende de perioden van visschaarste heerst er stilte. De levenswijze van de vissen heeft daarom een grote invloed op het visserijbedrijf. Er zijn duidelijke verschillen tussen de visserij in Indonesië en in Nederland. In de Europese zeeën komen meer grote scholen vis van één soort voor, zoals haring,etc. In Indië zijn er aanzienlijk minder soorten vis die zich in grote scholen verplaatsen op enkele vissoorten na, zoals tongkôl (een makreelsoort) en kakàp (een zeebaarssoort) en nog enkele andere vissoorten. Daarnaast is de bodem van de zeeën over het algemeen ongeschikt voor het gebruik van schrobnetten vanwege de aanwezigheid van koraal en rotsgesteente. Uitzonderingen: langs de zandstranden is het vissen met door vissers voortgetrokken treknetten zeker wel mogelijk. Dit gebeurd meestal tijdens vloed. De vissen en garnalen worden dan door het opkomende getij naar de kust gestuwd. Men kent het gebruik van vaste fuiken (sero’s) die op de laagwaterlijn aan de kusten worden gebouwd. Ook wordt er veel vis gekweekt in zoutwater vijvers (èmpangs) langs de kusten en voor zoetwater vis in vijvers (tambàks) in de binnenlanden. Daarnaast kent Indïe veel eetbare zeeschelpen soorten die veelal, alhoewel op primitieve wijze, aan de zuidkant van Java gekweekt werden. Men houdt zeevis na de vangst in leven door het installeren van “vijvers” van een soort zeenetten, die blijvend in zee worden gehangen aan drijvers of in minder diepe gebieden, aan houten palen.

Volgens mij lekkerder in Nederland

In zijn boek “Vanonder de koperen ploert” legt de auteur Hans Vervoort uit hoe ons Indisch eten is ontstaan. De ´rijsttafel´ is eigenlijk een uitvinding van de Nederlanders die hun kokkies indertijd hebben aangezet tot meer variatie en een groter aantal bijgerechten. Een andere reden zou kunnen zijn dat heimwee naar Indonesië zich bij oud Indische gasten in Nederland sterk heeft geconcentreerd op eten, wat tenslotte de makkelijkste manier is om het verleden te laten herleven. Het uit heimwee geboren specialisme levert uiteindelijk betere resultaten op dan het routinematige kookwerk van Indonesische koks. Nederlanders hebben in hun koloniale tijd het culinaire specialisme van Indonesië afgeroomd. Indische mensen zijn ontstaan uit een ´zondige´ verhouding tussen Hollanders en hun huishoudster. Aangezien het hart van de man door de maag gaat, ligt het voor de hand te veronderstellen dat de Hollanders vooral de betere kokkinnen als huishoudster aantrokken. Na de soevereiniteitsoverdracht verhuisden een groot deel van de Indische mensen naar Nederland en daarmee ook een schat aan kookervaring en van moeder op dochter overgedragen recepten. De kokkies gingen terug naar de kampong en maakten het eten weer op de Indonesische manier. De auteur heeft het gevoel dat om bovengenoemde redenen in Nederland tegenwoordig lekkerder wordt gekookt dan in Indonesië. Dit verhaal toont aan, dat de schrijver niet verder heeft gekeken dan zijn neus lang is. Gelukkig mag en kan men over smaak twisten

Altijd maar eten

“Nou begrijp ik waarom jullie Indo´s altijd over eten praten”, zei onze Hollandse vriendin bij het zien van al die eetstalletjes langs de kant van de weg. Op hetzelfde moment werd ze bijna omver gelopen door een voorbijsnellende koopman met twee uitpuilende manden aan een pikolan over zijn schouder. Een van de vele venters die met eetwaar de stad rondsjouwen met een snelle ritmische tred alsof hij door een zwerm bijen wordt achtervolgd. Het standaard eten aan de stalletjes beperkt zich tot het lage budget van de gewone man die genoegen neemt met eenvoudige gerechten. Deze zijn o.a. nasi goreng, bami goreng, mie bakso, nasi bakmoy (rijst met een vleessaus), sop buntut, sop kaki sapi(soep van staartvlees or runderpoot), soto ajam, rudjak petis, ketoprak en lotek(een soort gado gado). Makanan Padang eethuisjes bieden hete gerechten die gebaseerd zijn op de Sumatraanse keuken. De eethuisjes laden de tafels vol met allerlei gerechten in bakjes en op schoteltjes. Uit elk bakje en schoteltje neemt men iets op zijn bord en men betaald alleen voor datgene wat men heeft gegeten. De meeste mensen leggen op de warme rijst een paar stukjes vlees, overgieten het geheel met sajoer en werken het hete eten snel naar binnen. Men betaalt per stukje vlees.

Palembang´s gerecht

Langzaam stromend glijdt de Moesi rivier kalm en statig langs Palembang. Op sommige plaatsen is de rivier drie honderd meter breed. Aan de overzijde van de stad lagen de BPM en NKPM raffinaderijen. Bagoes Koening, Pladjoe en Soengei Geròng. De Moesi was de voornaamste verkeersader, maar ook de zijriviertjes, beekjes en kreekjes die Palembang en de omgeving doorkruisen werden druk bevaren. Vroeger noemde men de krokodillen in de rivier kaaimannen. Gedurende de regentijd stonden grote delen van de stad onder water. De inheemse woningen werden daarom op palen gebouwd. Het belangrijkste vervoermiddel was de prahu (prauw).  Handelaren boden hun koopwaar aan vanaf prauwtjes. ´s Avonds leverden de verlichte bootjes een adembenemend schouwspel op. Naast de bekende Kroepoek Palembang (gevlochten viskroepoek), is Pè-empèh tunuh of èmpe èmpe nu nog een bekend Palembang´s visgerecht, dat op elk moment van de dag kan worden gegeten. Het gerecht bestaat uit deegballen waarin de plaatselijke ikan belida (een langwerpig zoetwater vis uit de Moesi met zacht en mals vlees, een soort gaboes) is verwerkt. Empè èmpè wordt gekookt of gebakken opgediend met een fijne mie (so´un) en een hete Tjukah (azijn) saus bestaand uit een compositie van:  ui, lombok, knoflook, palmsuiker en vooral veel azijn.

Palembangs en Padangs eten (makanan- Palembang en Padang)) zijn zeer bekend en gewild in Indië.

In Padang worden de bereide etenswaren in een vitrine geëtaleerd. Bij bestelling kan men aanwijzen welke gerechten men belieft. Het opdienen geschiedt door meerdere porties of eenheden vis/kip, etc. op de tafel van de besteller te plaatsen. De besteller betaald na de maaltijd alleen wat zij of hij hebben geconsumeerd. Overigens wordt op zeer hygiënische wijze met etenswaar omgegaan. Men gebruikt onder andere aparte lepels om de diverse eetwaren op “eigen” bord over te brengen. Het eten gebeurt met lepels of met de hand. Hiervoor worden de zogenaamde vingerkommen gevuld met water aangeleverd, waarin men de vingers kan reinigen. Voor en tijdens het eten wordt, als teken van gastvrijheid, altijd gratis water geserveerd.
Belangrijke personen in verband met de ontwikkeling en de geschiedenis van de Oost Indische Nederlandse Kolonie

Pramoedya Ananta Toer

Pramoedya Ananta Toer werd geboren op 6 februari 1925 in Blora, een stadje op de grens van midden- en oost Java. Het was het koloniale tijdperk, maar de revolutionaire, nationalistische beweging groeide naar een hoogtepunt. Na zijn schooltijd volgde hij in Batavia een opleiding tot stenograaf en kreeg een baan bij het sterk nationalistisch persbureau Domei. Dit persbureau stond onder auspiciën van de Japanse bezettingsmacht. Gedurende de onafhankelijkheidsperiode nam hij actief deel aan de vrijheidstijd. Later werkte hij als oorlogscorrespondent en werd redacteur bij een nationalistisch tijdschrift. Na de 1ste politionele actie belande hij in gevangenschap en kwam na 2 ½ jaar vrij. In de Nederlandse cel schreef hij twee romans, t.w. “Vluchteling” en de “Guerrillafamilie”. De meeste boeken en verhalen uit zijn omvangrijk oeuvre zijn in gevangenschap geschreven. Gedurende de periode Soekarno steunde hij de PKI (Partai Kommunis Indonesia) en was lid van “Lekra”, een met de PKI verbonden instituut voor volkslectuur. In die hoedanigheid keerde hij zich tegen auteurs die er over de nationale opbouw afwijzende opinies op na hielden. Hiervoor kreeg hij 14 jaar dwangarbeid (1965-1979). Na zijn invrijheidstelling bleef zijn bewegingsvrijheid beperkt.

Schout-bij-nacht Karel W.F.M. Doorman

Schout-bij-nacht Karel doorman was geboren op 23 april 1889 te Utrecht. Op zeventien jarige leeftijd werd hij toegelaten tot het Koninklijk Instituut voor de Marine (KIM) te Den Helder. Op 24 augustus 1910 werd hij benoemd tot officier bij de Koninklijke Marine. Hij diende op verschillende schepen in Nederland en het verre oosten. In 1915 werd hij overgeplaatst naar de Marine luchtvaartdienst te Soesterberg. Zes jaar later bekleedde hij staffuncties bij de Marine in Den Haag en Batavia. Hij diende ook als commandant van torpedobootjagers en kruisers. Van 1938 tot en met 1940 was hij commandant van de Marine luchtvaartdienst in Nederlands Indië. Daarna werd hij bevorderd tot Schout-bij- nacht en benoemd tot commandant van de vlooteenheid in Nederlands Indië. Karel Doorman wist als geen ander hoe belangrijk luchtsteun was voor een strijdende vlooteenheid op open zee. Tijdens de confrontatie met de Japanse vloot op 26 februari 1942 hoopte hij de noodzakelijke informatie en assistentie uit de lucht te krijgen. Er was echter geen luchtsteun beschikbaar voor zijn geallieerde vlooteenheid in de Javazee. Zijn vlaggenschip, De Ruyter, werd getroffen door een Japanse langeafstandstorpedo, waardoor het schip zonk. Karel Doorman verkoos met zijn schip ten onder te gaan. De slag in de Javazee was verloren.

Radèn Adjeng Kartini

Het leven van regerende adellijke families was gebonden aan de strenge en conservatieve regels van de traditionele adat. Jongens gingen naar school. Meisjes kregen thuis of in familie verband een opleiding gericht op huishoudelijke taken. Vergeleken met de jongens waren meisjes nooit vrij van de gedragsregels en taboes van de adat. Hierdoor bleven ze ver achter in hun ontwikkeling. De Europese lagere school opleiding kon door Kartini niet worden voorgezet. Kartini leefde thuis in sobere afwachting van haar uithuwelijking. De adat regeerde. Kartini voelde zichzelf een gevangene van het systeem. Haar sterke verlangen om als vrouw dezelfde rechten en vrijheden te hebben als de jongens dreef haar ertoe dit kenbaar te maken in lange brieven en gedichten. Zij zocht contact met mevrouw Abendanon, de echtgenote van de directeur van het departement van onderwijs. Via briefwisselingen uitte Kartini over haar leven, denken, gevoelens en angsten. Niet alleen van haar, maar van de Javaanse vrouw in het algemeen. Zij stierf in 1904 bij de geboorte van haar kind. Haar brieven werden gebundeld en gepubliceerd onder de titel “Door Duisternis tot Licht”. Haar gedachten werden overgenomen. De Nederlandse overheid stichtte meisjesscholen volgens haar idealen.

K.A.R. Bosscha, theeplanter op west Java

Karel Albert Rudolf Bosscha werd geboren in Den Haag op 15 mei 1865. Hij stamde uit een oude en vooraanstaande familie van Friese herkomst. Zijn grootvader was minister en een bekende historicus. Zijn vader was hoogleraar in de fysica aan de polytechnische school in Delft. De jonge Bosscha was een leerling van Kamerling Onnes, een geleerde die internationale bekendheid genoot. Ofschoon Bosscha zijn studies in Delft niet afmaakte, en op 22 jarige leeftijd gevolg gaf aan de roep van het oosten, verloor hij nimmer zijn diepe belangstelling voor wetenschappelijk onderzoek en werktuigkunde. Vanaf 1896 tot zijn dood in 1928 was hij verknocht aan zijn thee onderneming ´Malabar´. Op het omvangrijk terrein richtte hij twee florerende thee fabrieken op. Hij verrichte vele neven activiteiten naast zijn ondernemerschap. Hij was lid van de Volksraad en verscheidene malen voorzitter van de planters vereniging op west Java. Hij stichtte de eerste maatschappij voor telefonische communicatie op west Java en de bekende Lembangse sterrenwacht die hij persoonlijk de grote Zeis telescoop schonk. Hij was promotor van de Technische Hogeschool in Bandoeng en ereburger van die stad. Hij stierf op 25 november 1928 in Bandoeng en ligt begraven op zijn thee onderneming Malabar.

Vice-admiraal Conrad E. L. Helfrich

Conrad Helfrich was geboren in Semarang op 11 oktober 1886. Hij was de zoon van een Nederlandse arts en een Indische vrouw. Toen hij zeventien jaar oud was vertrok hij naar Nederland om te studeren op het KIM in Den Helder. Na zijn beëdiging als marine officier nam hij in 1908 deel aan de Bali expedities en diende daarna op verschillende oorlogsschepen. In 1922 studeerde hij aan de Hogere Marine Krijgsschool en werd later een leraar aan deze opleiding. In 1931 werd hij stafchef van de marine in Nederlands Indië. In 1939 werd hij benoemd tot commandant van alle strijdkrachten in Nederlands Indië. In augustus 1940 werd hij bevorderd tot vice-admiraal. Hij was bereid om het grondgebied van Nederlands Indië tot elke prijs te verdedigen. Vanuit dit principiële standpunt gelaste hij de geallieerde vloot in de Javazee de Japanse opmars te stuiten. De slag in de Javazee verliep desastreus voor de Nederlandse marine en haar bondgenoten. De vloot werd vrijwel geheel vernietigd. In Colombo kreeg Helfrich, na de val van Nederlands Indië, het bevel over de overgebleven Nederlandse schepen en strijdkrachten. Vanaf 1945 tot aan zijn vertrek bij de marine in 1949 bleef hij als luitenant-admiraal het bevel voeren over de Nederlandse marine. Helfrich overleed in 1962. Willem Walraven (auteur)

Willem Walraven tekende in 1915 een driejarig contract bij het Nederlands Indische leger. Hij diende bij de administratie bij het garnizoen in Tjimahi nabij Bandoeng. Hier leerde hij zijn Soendanese vrouw Itih kennen. Later trouwde Walraven officieel met zijn inheemse vrouw. Hij behandelde har tijdens hun huwelijk als een gelijkwaardige partner. Binnen de koloniale verhoudingen van die tijd was zo´n huwelijk zeer uitzonderlijk. Als nieuwkomer kende hij de vele vastgeroest vooroordelen in de koloniën niet. Zijn huwelijk betekende voor hem een voortdurende guerrilla oorlog met de Europese gemeenschap, waarin hij dezelfde bekrompenheid herkende als in het Zeeuwse dorp Dirksland van zijn jeugd. Als journalist bij de “Indische Courant”, maar vooral als schrijver van vele, vele brieven, beschreef hij met vlijmscherpe pen personen en gebeurtenissen uit zijn omgeving. Veelal moest het Indo Europees gedrag en denkpatronen van personen of groepen binnen de Indische samenleving het ernstig ontgelden. Zijn kritische stukjes brachten hem vaak in ernstige maatschappelijke moeilijkheden. Pas na zijn dood in het Jappenkamp Kesilir op oost Java in 1943, werd zijn werk in boekvorm gepubliceerd. De film ´Gevangen op Java´ behandelt zijn levensloop.

Sir Stamford Raffles

In Kebun Raya, de plantentuin van Bogor, staat een monument ter nagedachtenis aan Olivia Raffles, die in 1814 in het voormalige Buitenzorg was overleden. Zij was de echtgenote van Sir Stamford Raffles, de Britse Gouverneur-generaal die van 1811 tot en met 1816 regeerde over Nederlands Indië tijdens het Engels interregnum. Na de machtsoverdracht aan Nederland in 1817 werd Sir Stamford Raffles weggepromoveerd naar Sumatra als gouverneur van Benkoelen. Een onaanzienlijk stukje Sumatra dat vanouds als Engels bezit werd erkend. Vanuit die positie droomde hij ervan Engeland meer macht te geven over de straat van Malakka en de Soenda straat, de twee nauwe zeewegen tussen zuid Azië en oost Azië. Die droom had hij al sinds hij tien jaar eerder werkte als bestuurssecretaris in Pinang, de Britse kroonkolonie in Maleisië. Tegen alle verdragen in probeerde hij met alle mogelijke, veelal ongeoorloofde middelen zijn zin te krijgen. Hij kreeg niets van de grond, op een succesje na. Hij bemachtigde het eiland Singapore voor Engeland. Het vrije handelsverkeer in een gebied vol monopolies en bijzondere heffingen werd door Raffles persoonlijk ontwikkeld. Door zijn inspanningen is Singapore uitgegroeid tot het grootste zakencentrum in Azië.

P. A. Daum, schrijver en journalist

Paul Adrianus Daum werd in 1850 in Den Haag geboren. Door ambitieuze zelfstudie ontrok hij zich aan de arme omgeving waarin hij opgroeide. Hij ontpopte zich als een bekwame journalist en werd later redacteur van Het Vaderland. In 1879 vertok hij naar Java en aanvaardde de functie van redacteur bij de bekende Indische krant De Locomotief in Semarang. Later werd hij hoofdredacteur van het Bataaviasch Nieuwsblad. In die hoedanigheid etaleerde hij met veel esprit in scherpe bewoordingen zijn mening over maatschappelijke toestanden zoals die zich voordeden in de Indische samenleving van na 1870. In zijn krantenartikelen bepleitte hij meer en beter onderwijs, hield hij telkens een pleidooi voor de emancipatie van de vrouw en nam hij stelling tegen het Christelijk geloof en zijn belijders. Tevens ergerde hij zich mateloos aan de oorsprong van het ontstaan van de Indo´s. Naar zijn zeggen door zondig concubinaat (njai´s) en prostitutie. Zijn romans, geschreven met literair stilistische kwaliteit, gaan voornamelijk over huwelijken van pur sang Europese dames en heren, die op de veranda´s van de Europese buitenhuizen samen champagne drinken, roddelen, bridgen, glitterfeesten houden en hier en daar een buitenechtelijke relatie hebben.

Sir James Brooke

James Brooke was geboren in 1803 nabij Benares en stamde uit een Brits Indische ambtenaren familie. Hij diende korte tijd als officier in het leger en trad daarna in dienst van de Engelse Oost Indische Compagnie. Kort na de dood van zijn vader voer hij op twee en dertig jarige leeftijd met een eigen schip naar de Oost Indische eilanden. Hier en daar bood hij zijn diensten aan en verzeilde regelmatig in de onderlinge twisten van de inheemse machthebbers. Hij genoot het vertrouwen van de Nederlandse gouverneur generaal, J.D. Eerens. Deze gaf hem een vrijpas en aanbevelingsbrieven voor Nederlandse bestuursposten. In zuid Celebes kreeg hij niets voor elkaar, maar in 1840 kreeg hij vaste voet aan wal in Noord Borneo door de sultan van Brunai militaire diensten te verlenen. Voor deze diensten werd hij verheven tot Rajah van Serawak. Hij kreeg de bijnaam ´The white Rajah of Serawak´. In 1847 wist hij, door het verlenen van nieuwe diensten aan de sultan van Brunai, het eiland Laboean als kolen station los te krijgen voor Engeland. Hij werd tot gouverneur van Laboean benoemd en tot Brits consul generaal van zijn eigen vorstendom Serawak. Zijn belevenissen spraken erg tot de verbeelding. Heel Europa lag in romantische overgave aan zijn voeten.

Nico J. Gerharz, Kapelmeester en dirigent in Batavia

Sinds 1836 had het leger een eigen stafmuziekkapel. Af en toe voerden de kapel in het openbaar concerten op en soms werd dansmuziek gespeeld tijdens officiële feesten. Onderluitenant Nico Gerharz formeerde een orkest uit de militaire muziekkapel voor de uitvoering van grote klassieke werken. Werken die voor een orkest geschreven waren en waar ook solisten in optraden. In 1904 werd Gerharz dirigent van Concordia in Batavia. Vanaf 1905 werden onder zijn leiding symfonie concerten opgevoerd met werken van Berlioz, Charpentier, Tjaikovski, Dvorak en vele andere componisten. De uitvoeringen van het orkest brachten een omwenteling in het muziekleven in Indië teweeg. De concerten werden eens in de maand opgevoerd en trokken stampvolle zalen. “ Wee degene”, schreef Victor Ido, “die bij de aanvang van het concert nog een splitje nam of een babbeltje begon. De dirigent keek de schuldige, ten aanschouwe van de volle zaal, met vernietigende blikken aan. Nog erger verging het degene die te laat kwam en gedurende de gehele duur van het muziekstuk moest blijven staan, teneinde een hinderlijk geschuifel van stoelpoten te voorkomen”.

Maria Dermout (auteur)

Maria Dermout-Ingerman was geboren op 15 juni 1888 in Pekalongan. Tot haar twaalfde jaar bracht ze haar kindertijd door op de suikerfabriek Redjosari in Indië. Na vier schooljaren in Haarlem trouwde ze in 1907 op negentien jarige leeftijd met mr. I.J. Dermout. Ze kregen twee kinderen. Zij vond zelf dat ze geen schrijfster was. Zij vond ook dat zij het schrijven niet goed genoeg beheerste en dat zij er niet naar streefde om schrijfster te worden. Zij wilde vertellen wat ze zag, hoorde of voelde en daarom probeerde ze het zo eenvoudig en terughoudend mogelijk te zeggen. “Ik heb het grote voorrecht gehad, dat er altijd levende vertellers en vertelsters in mijn leven waren, om van boeken maar te zwijgen”. Zij zag het land waar ze leefde. Daarna wat zich uit overleveringen en de geschiedenis voor haar ontvouwde, en beleefde het opnieuw. Tot de bronnen die haar inspireerden behoren de werken van Ds. Francois Valentijn uit 1724, predikant op de Molukken, en Rumphius, die tot in de finesse de natuurlijke leefomgeving op Ambon vastlegde in zijn boek´D´Amboinische Rariteitenkamer´ uit 1705. Na haar dood in 1961 verschenen nog twee boeken gevolgd door de uitgave van haar Verzameld werk in een deel, Het oeuvre omvatte korte werken die zij schreef tussen 1910 en 1933.

Habib, de Geliefde

Habib Abdoerachman Zahir was in Atjeh een persoonlijkheid die veel aanzien genoot. Hij was Arabier van geboorte en goed ontwikkeld. Hij was een Hadji door zijn pelgrimstocht naar Mekka. Hij was tevens een grote schriftgeleerde en had een uitzonderlijke kennis van de westerse gewoonten. De Oeleema´s van Atjeh, de moslim schriftgeleerden en voorgangers, volgden hem en het volk vereerde hem. Habib Abdoerachman zocht buitenlandse steun voor Atjeh en reisde af naar Konstantinopel met de volmachten van de Sagi hoofden om namens Atjeh met de Behoeder van het Kalifaat te onderhandelen. Zijn aanbod aan de Verheven Poort (de oude naam van Turkije) hield in dat de sultan van Atjeh zijn rijk, zijn onderdanen en zichzelf zou onderwerpen aan het gezag van de Kalief van de Islam, evenals de inkomsten van de peperrechten. Onder diplomatieke druk van Nederland, Rusland, Frankrijk, en Duitsland weigerde Turkije het aanbod aan te nemen. Even later liet ook Engeland, bij monde van Disraeli, weten niet tussenbeiden te willen komen. Nu lag de weg open voor Nederland om Atjeh met een tweede expeditiemacht te veroveren. Habib keerde terug naar Atjeh en nam de leiding van het verzet op zich.

Johan Fabricius

Johan Fabricius werd geboren op 24 augustus 1899 in een Oudindisch huis aan de Bragaweg. Huisnummer twee. Hij was de zoon van toneelschrijver Jan Fabricius. Vanaf 1902 verbleef het gezin in Nederland. In 1910 keerde het gezin voor vier jaar terug naar Indië. In 1914 verhuisde het gezin naar Parijs, waar Johan zijn talent voor tekenen ontwikkelde. In 1918 nam hij les op de Academie voor Beeldende Kunst in Den Haag. Schilderen, vooral portretschilderen, werd een passie voor hem. Hij vond het leuker dan schrijven. Schrijven betekende werken voor hem. De drang om te schrijven bleek sterker te worden na de uitgave in 1922 van zijn eerste boek, ´Eiko van de Reigershof´.Zijn bekendste boeken zijn de klassiekers ´De scheepsjongens van de Bontekoe ´, Kommedianten trokken voorbij´ en ´Het meisje met de blauwe hoed´. Hij schreef een kleine honderd historische verhalen en jeugdboeken. De hoofdpersonen waren meestal gebaseerd op mensen die hij tijdens zijn wereldreizen ergens had ontmoet. Als hij in Indië kwam voelde hij zich thuis. Hij kende er veel mensen. Geïnspireerd door de Javaanse dichter Noto Soeroto schreef hij ´Schimmenspel´. ´Het eiland der demonen´ werd geïnspireerd door Polok, de Balinese vriendin van de schilder Le Meilleur.

Luitenant Generaal Gerardus J. Berenschot

Gerardus Berenschot werd geboren op 24 juli 1887 in Solok op Sumatra. Hij was de zoon van een Nederlandse KNIL officier en een Indische vrouw. In Nederland volgde hij eerst de Cadettenschool in Alkmaar en daarna de KMA in Breda. Eenmaal terug in Indië nam hij deel aan de oorlog in Atjeh en diende bij het Korps Marechaussee. Hij volgde de Hogere Krijgsschool en was van 1925-1930 verbonden aan dat instituut als leraar. Hij terug naar Indië waar hij in 1934 werd benoemd tot Chef van de Generale Staf. Gedurende deze functie werd er sterk bezuinigd op de defensie uitgaven. In juli 1939 werd hij benoemd tot Legercommandant. Zijn taak was het grotendeels met politie taken belaste KNIL te moderniseren en het geschikt te maken voor de verdediging van de archipel tegen een aanval van een buitenlandse mogendheid, i.e. Japan. Op 31oktober 1941 voerde hij besprekingen in Batavia met de Britse opperbevelhebber in het Verre Oosten, Air Marshall Brooke-Popham. Daarna vloog hij terug naar Bandoeng. Het vliegtuig stortte kort na het opstijgen van het vliegveld Kemajoran neer. Alle inzittenden vonden de dood.

Bep Vuyk (auteur)

Bep Vuyk was geboren in Rotterdam in 1905. Zij vertrok eind 1929 naar Java als lerares kook- en voedingsleer. In 1932 trouwde zij met F. van Willigen, een theeplanter op midden Java. Wegens de malaise werd hij nog hetzelfde jaar ontslagen. Zij stonden voor de keuze tussen een bescheiden bestaan in halve armoede op Java of de avontuurlijke sprong naar de Molukken, waar familie van haar man een verwaarloosde kajoepoetih onderneming bezat op Boeroe. Zij kozen voor het laatste. Haar eerste roman uit 1937 is ´Duizend eilanden´. Hierin beschrijft zij haar eerste reacties over de kennismaking met Indonesië, het land dat de bron van haar inspiratie was. In het boek beschrijft zij de leef- en denkwereld van twee personen op een theeplantage. De een is rechtstreeks uit Nederland gekomen, de ander geboren en getogen in Indonesië. Beiden werden door de malaise voor de keuze gesteld hoe verder te gaan met hun leven. In de novellen en romans van Bep Vuyk zijn werk en vrijheid onafscheidelijk. Haar roman ´Het laatste huis van de wereld´ werd bekroond met de van der Hoogt prijs. Later verscheen ´Het hout van Bara´ en enkele novellen bundels. Bep Vuyk en haar twee zoontjes brachten de Japanse bezetting door in een Japans interneringskamp. Na de soevereiniteitsoverdracht verkregen haar man en zij de Indonesische nationaliteit. Vanwege de verslechterde politieke situatie vertokken zij alsnog in 1958 naar Nederland.

Paul Seeling (1876-1945)

Op 13 juni 1945 stierf in het Jappenkamp Meester Cornelis op Java de begaafde componist Paul Seeling. Zijn werken zijn tot nu toe vrijwel onbekend in Nederland. Paul Seeling was geboren in Breda in 1876. Hij genoot zijn veelzijdige muziekopleiding voornamelijk bij vooraanstaande docenten in Duitsland. Hij studeerde piano, cello, instrumentatie en muziek theorie. In 1898 was hij tweede dirigent van het Stadttheater in Essen. In 1900 kreeg hij de leiding van het hoforkest van de Susuhunan van Soerakarta Gedurende zijn acht jaren in Solo verdiepte hij zich in en bestudeerde de oosterse muziek. Daarna vertrok hij naar Thailand om enige tijd orkestdirecteur en adviseur van het Koninklijk Orkest in Bangkok te zijn. De composities van Seeling vertonen een combinatie van oosterse en westerse muziek. Veel van zijn oeuvre is gedurende de Tweede Wereldoorlog zoek geraakt. Zijn muziek werd in Europa, Amerika en Japan opgevoerd, maar vreemd genoeg niet in Nederland. Een van zijn piano concerten in Indië uitgevoerd door de pianiste Kathe Haasse, de moeder van de schrijfster Hella Haase. Na 1930 werd hij geheel in beslag genomen door zijn uitgeverij en zijn muziekhandel in Soerabaja, Bandoeng, Batavia en Semarang.

Cornelis Matelief de Jonge

Cornelis M. de Jonge verbleef in Indië vanaf 1605 tot 1608 als admiraal van de VOC vloot en vocht tegen de Portugezen en de Spanjaarden. Gedurende die periode kreeg hij te maken met VOC vloten die via scheepsraden individuele beslissingen namen m.b.t. de handelsrelaties en het oprichten van steunpunten en handelsposten. Hij realiseerde zich dat er een centraal bestuurde organisatie gebaseerd op een centraal beleid met duidelijke doelstellingen noodzakelijk was. De Jonge ontwierp een plan voor het toekomstige beleid in Indië voor de VOC. Het plan omhelsde het volgende: • De VOC zou zich eerst op de Molukken moeten concentreren om daar een monopolie positie te verwerven. • Naar het Portugese voorbeeld zou een centrale, effectieve organisatie moeten worden opgezet onder leiding van een gouverneur generaal. Deze zou moeten opereren vanuit een permanent, centraal hoofdkwartier. Hier vanuit konden de in Azië verworven producten naar Europa worden verscheept. • Eveneens naar Portugees voorbeeld zou de VOC een economisch systeem moeten ontwikkelen voor de inter-Aziatische handel (winst genereren via in – en verkoop binnen Azië, en deze winst gebruiken voor de aankoop van goederen bestemd voor Europa).

M. H. Szekely – Lulofs (auteur)

Madelon H. Szekely – Lulofs (1899-1958) werd op Atjeh geboren als dochter van een bestuursambtenaar. Zij ondervond persoonlijk het ruwe leven op de rubber plantages door haar huwelijk met de Hongaarse schrijver en Deli planter Szekely. Haar eerste roman ´Rubber´, gepubliceerd in 1931 werd een succes. Hierdoor werd zij bekend. In 1936 is het boek verfilmd. In het boek beschrijft zij het harde, rauwe en vooral eenzaam bestaan op de rubber plantages in Deli gedurende de jaren twintig. De Europeanen verdienden veel geld aan de rubber industrie. Door eenzaamheid en verveling gedreven onderhielden de hoofdpersonen een decadente levenstijl en zochten hun tijdverdrijf in de club waar vaak wilde feesten werden gehouden die soms in orgieën uitmonden. Wanneer de rubbermarkt inzakte volgden er talrijke faillissementen en ontslagen. In 1932 volgde haar tweede boek, Koelie. In tegenstelling tot het leven van de Europeanen werd in dit boek het harde leven van de contractkoelie Roeki, en met hem alle onder contract werkende rubbertappers, nauwkeurig belicht. Op de beruchte plantages werd Roeki afgebeuld en zijn karig loon verdween vaak in de gokpot zodat hij weer voor twee jaar moest bijtekenen. Tjoet Nja Din is een roman waarin Madelon Lulofs op een bevlogen wijze verteld hoe de Atjehse vorstin de strijd tegen de Nederlanders voortzette nadat haar echtgenoot, Teukoe Oemar, na een jarenlange jacht door de troepen van van Heutz werd gedood.

Pa van der Steur

Johannes van der Steur was geboren op 10 juli 1864 in Haarlem. Hij vertrok in september 1892 naar Indië. Het Woord van God was hem heilig en als zendeling bood hij al op jonge leeftijd hulp en bijstand aan de armste mensen in de sloppenwijken van Haarlem. Zijn werk als zendeling van de Middernachtzending, die zich bezig hield met de bekering van bezoekers van bordelen waar de pas ontvangen gage naar toe ging, in plaats van het gezin, bracht Johannes van der Steur in Harderwijk. In deze plaats was het ´Koloniaal Werfdepot´ gevestigd, waar militairen werden opgeleid voor Nederlands Oost Indië. De verhalen van gerepatrieerde soldaten over het leven daar deden Johannes besluiten naar Indië te gaan om militaire huizen op te richten en het soldatenleven wat dragelijker te maken. Gesteund met geschonken geld van welgestelde families in Den Haag bereikte hij uiteindelijk Magelang op midden Java. In deze grote garnizoenstad stichtte hij zijn eerste militaire tehuis. Het duurde even voordat het aantal militaire bezoekers flink toenamen. Niet lang daarna werd Johannes geconfronteerd met de hevige nood van vier kinderen in de kampong. Het waren Christien, Lucy, Marie en Giorgio Pappolo. Hun Italiaanse vader was overleden en zijn inlandse vrouw en de vier kinderen leefden in erbarmelijke omstandigheden achter in de kampong. Pa van der Steur nam de kinderen op in zijn pas gestichte militair tehuis in Magelang. Het was het begin van een bijna eindeloze reeks kinderen die hij tot aan zijn dood liefdevol opnam en verzorgde in zijn huis “Oranje Nassau”. Het was meestal “vader dood, moeder arm” of “vader weg, moeder arm of ziek of met een andere soldaat weg”. De meeste waren kinderen van Europese vaders en Inlandse moeders. Pa van der Steur voedde ze op en leerde ze een vak. Het aanbod van kinderen groeide gestaag. Hij kreeg hulp van familie en vrijwilligers uit Holland. In 1907 trouwde hij met Anna Maria Zwager, die als een echte ´Moe´ der kinderen was. Er werden ook huizen in Soekaboemi en Tjimahi gesticht. Geldelijke steun kreeg hij van het ´Comité van Bijstand´ in Nederland, het gouvernement, vele, vele particuliere giften en van de ´Bond van oud-Steurtjes´ in Soerabaja. Duizenden ´Steurtjes´ trokken de maatschappij in, goed opgevoed en geschoold, dankzij de liefdevolle opvang van Pa van der Steur. Hij overleed in Magelang op 16 september 1945.

Marie van Zeggelen (auteur)

Maria van Zeggelen (1870-1957) behoorde tot de schrijvers van het ethische circuit. Deze stromin richtte zich meer op de Indonesiërs, zijn levensbehoeften, leefomstandigheden, zijn bestaansfilosofie en zijn leefgemeenschap. In 1908 verscheen van haar het populaire jeugdboek ´De gouden Kris´, een verhaal uit de nieuw veroverde streken van zuid Celebes. Als echtgenote van de KNIL officier H.A. Kooy bracht zij enkele jaren door op een eenzame militaire buitenpost in dat gebied. Het boek is doorspekt met wetenswaardigheden over de Boeginese samenleving. In het boek ´De Hollandse vrouw in Indië, gepubliceerd in 1910, beschrijft ze het saaie en lege bestaan van een Hollandse vrouw binnen de Europese gemeenschap op Java. Er treden grote veranderingen op voor de hoofdpersonen als de vrouw haar man volgt naar het onherbergzame gebied van zuid Celebes waar alleen Indonesiërs wonen. Het ´Kolonieaaltje´, gepubliceerd in 1920, gaat over een jonge controleur die volledig in harmonie samenwerkt met de inheemse regent. Het ethische gedachtegoed liet zich hier gelden. Door zijn gedrag wekt de controleur de sympathie op van een van de dochters van de regent. In ´Oude glorie´ wordt het Atjehse rijk beschreven toen het in de 16de en 17de eeuw nog een toonaangevende rol vervulde in zuidoost Azië. ´Kartini´ is de geromantiseerde biografie van de jonge, vroeg gestorven dochter van de regent van Japara. Zij streed voor de emancipatie van de Javaanse vrouw. In het Indonesië van nu herdenkt men haar jaarlijks op ´Kartinidag´.

Louis Couperus (auteur)

Louis Couperus (1863-1923) bracht een groot deel van zijn jeugdjaren in Indië door. De Haagse auteur schreef in 1900 de roman ´De Stille Kracht´ en zorgde hiermee voor een nieuw hoogtepunt in de Indische literatuur. In zijn roman ´De Stille Kracht´ betrekt Couperus de inheemse bevolking wat meer in het verhaal. Dit omdat omstreeks die tijd in Nederland een ethische werd benadrukt. Meer aandacht en zorg voor de ´Inlander´ was het parool. Het streven was gericht op een ´associatiepolitiek´, waarbij blank en bruin samen zouden gaan, met als uiteindelijk doel een onafhankelijk Indië. In de literatuur werden deze ideeën omstreeks de eeuwwisseling door een groep van schrijvers duidelijk zichtbaar gemaakt. In ´De Stille Kracht´ beschreef Couperus de Javaanse adel uitvoerig en met respect. In het boek gaat Couperus uitvoerig in op de mysteries van het oosten, de stille kracht of goena goena, iets dat voor de westerling volkomen onbegrijpelijk was maar tegelijk zo intrigerend. Als de resident familie, van Oudijck, wordt geconfronteerd met de geheimzinnige kracht, legt de starre resident uiteindelijk het loodje. Berooide en gedesillusioneerd, maar vooral vol onbegrip voor het gebeuren blijft hij achter in de desa. Het boek bekritiseert ook de rol van Nederland in Indië. In het bijzonder het besturen vanuit Nederland met slechts een doel: het uitzuigen van het land en het volk. “Ja, en dan zullen eens de Indo-europeanen dreigend opstaan tegen de druk en minachting van de blanke overheerser”.

Raymond Westerling

Raymond Westerling was geboren in 1919 in Istanbul. Zijn vader was een Nederlander, zijn moeder was van Turks-Griekse afkomst. In 1941 melde hij zich bij het Nederlandse consulaat in Turkije aan als vrijwilliger voor het Nederlandse leger. Hij werd aangenomen en kreeg een Commando opleiding in Canada en Engeland. Na de capitulatie van Japan werd hij door de Engelsen gedropt op Sumatra om een politiecorps te organiseren en te trainen. In december 1946 werd hij overgeplaatst naar Makassar en benoemd tot commandant van het Depot Speciale Troepen. De eenheid bestond uit ongeveer 130 manschappen. Zijn opdracht was om de orde en rust te herstellen in een door rampokkers beheerst gebied. De rampokkers (plunderaars) waren omvangrijke, op zichzelf opererende groepen, die zich schuil hielden in de kampongs en daar de bevolking terroriseerden en intimideerden. Het waren misdadige benden die alleen op eigen belang uit waren en onder het mom van guerrilla strijders tegen het Nederlandse gezag op gruwelijke wijze wreedheden begingen tegen hun eigen bevolking. Het DST stelde een schrikbewind in waardoor er 3.000 doden vielen. Westerling verbleef tot maart 1947 in zuid Celebes en werd daarna op Java ingezet.

Charles Edgar du Perron

Du Perron behoorde tot de eerste Nederlandse schrijvers die geboren en getogen waren in Indië. In 1935 verscheen zijn boek ´Het land van herkomst´. Du Perron beschreef in de verpersoonlijking van Arthur Ducroo diens heimwee naar zijn Indische jeugd en het land dat hij op twee en twintig jarige leeftijd verliet. Deze roman was het eerste en grootste koloniale nostalgisch document in de Nederlandse letterkunde. In het boek worden zowel de Indische als de Europese jaren van Ducroo beschreven. Du Perron publiceerde aanvankelijk uitsluitend onder het pseudoniem Duco Perkins. De volledige werken van Duco Perkins zijn in 1926 uitgegeven onder de titel ´Bij gebrek aan ernst´. Vanwege de recessie in Europa vertrok du Perron in 1936 weer naar Indië, waar hij enkele jaren als freelance journalist werkzaam was. Gedurende die tijd vormde zich rond du Perron een groep schrijvers die zich aangetrokken voelden tot het Indonesische nationalisme. Du Perron zelf werkte mee aan ´Kritiek en opbouw´, een tijdschrift dat het recht op onafhankelijkheid erkende. In 1939 vertrok du Perron weer naar Nederland en vestigde zich in Bergen. Hij overleed op 14 mei 1940, vlak na de Duitse inval.

Rhumpius

Georg Everhard Rumpius is bekend geworden door zijn standaard boekwerken ´Ambonsche Historie´ en ´Herbarium Amboinense´, later vertaalt in het Nederlands onder de titels: ´Het Amboinsch Kruidboek´ en de ´Amboinsche Rariteitenkamer´. Georg Rhumpius was geboren in 1628 in Hanau, Duitsland en vertrok naar Indië in 1653 als adelborst in dienst van de VOC. Zijn standplaats werd Ambon. Een aantal jaren later trad hij in dienst van de VOC als koopman. Zijn verblijfplaats was Hitu op het noordelijke schiereiland van Ambon. In Hitu gebruikte hij zijn veelzijdige kennis om analytische beschrijvingen te maken van de natuurkundige en biologische aspecten van de planten, dieren en mensen in zijn omgeving. Dit legde hij vast in talrijke geschriften. Op latere leeftijd werd hij blind. Vanwege zijn uitzonderlijke verdiensten bood de VOC hem een zittend ambt aan met behoud van zijn rang en gage. Hoewel gehandicapt zette hij, gesteund door zijn zoon Paul August, zijn studies voort. Op 15 juni 1702 overleed hij op zijn geliefde Ambon. Zijn nalatenschap is van onschatbare waarde. Generaal S.H. Spoor

Simon Hendrik Spoor werd op 12 januari 1902 geboren in Amsterdam. In 1918 volgde hij de opleiding aan de cadettenschool in Alkmaar. Daarna volgde hij de KMA opleiding in Breda. In 1923 werd hij met de rang van 2de luitenant der infanterie overgeplaatst naar het KNIL in Indië. Tussen 1929 en 1932 volgde hij een studie aan de Hogere Krijgsschool in Den Haag, en keerde daarna terug naar Indië. In 1934 werd hij bevorderd tot kapitein en aangesteld als leraar aan de KMA in Breda. In 1941 werd hij aangesteld als leraar aan de hogere Krijgsschool in Bandoeng. Op 8 maart 1942 voegde hij zich bij het hoofdkwartier van generaal MacArthur in Australië. Zijn werkterrein was de Nederlandse militaire inlichtingendienst (NEFIS). Na de capitulatie van Japan keerde hij terug naar Indië. In september 1946 werd hij bevorderd tot generaal majoor en benoemd tot commandant van het KNIL en alle Nederlandse strijdkrachten ter land in Indië. Op 1 mei 1949 werd hij bevorderd tot generaal. Hij overleed op 25 mei 1949 in Batavia en is tussen zijn soldaten begraven op het ereveld Menteng Poeloe. Generaal Spoor overleed overigens in verband met de schat van Nakamoera (hij gelaste het onderzoek in deze verdwijn zaak), evenals  redacteur  J.H.Houbolt, Vaandrig veiligheid officier R.C.I. Aernaut en Mr. W.J.Haye onder zeer verdachte omstandigheden.

Alle informatie voor de totstandkoming van dit boekje zijn ontleent aan stukken in Nederlandse en Indonesische archieven en werden gecompleteerd met opgevraagde gegevens via diverse internet sites waaronde de www.Indodutchgoogle.com. Deze internetverbinding onderhoudt contacten met (Indische)leden van over de hele wereld. De informaties werd geverifieerd tijdens een tiental bezoeken aan Indonesia, waarbij alle grote eilanden, de Molukken en de Staat Malaka werden bezocht. Gesprekken werden in die landen gevoerd met diverse notabelen, waaronder procureur generaals, generaals, hoofden van politie en historici.

NB. De uitgebrachte boekjes zullen voor geen enkel commercieel doel worden gebruikt.

Rob Dias Auteur
Klik op onderstaande link om fotoboek te openen Fotoboek: Het Oost Indische Koloniale verleden